PlusAchtergond

Quabo, spebi, boka: studententaal barst van de afko’s

Taal evolueert, ook die van studenten. Zij zijn nogal van de afkortingen, met dankzij corona aanwinsten als ‘quara’ en ‘quabo’. ‘Ik vraag me af wat studenten doen met de tijdwinst die dat oplevert.’

Beeld Getty Images

Het grootste succes van studententaal tot nu toe is ongetwijfeld atten: snel een biertje leegdrinken, afkomstig van het Latijnse ad fundum. Sinds 2015 staat dat in de Van Dale – overigens niet als ‘adten’, zoals velen denken, vanwege de uitspraak van het woord.

Sindsdien heeft de ontwikkeling van de Nederlandse studententaal niet stilgelegen. Nog altijd evolueert het taaltje dat studenten onderling hanteren, met tegenwoordig een bijzondere plek voor afkortingen.

Stuur even je loca (locatie) op WhatsApp, geef me even de boka (bonuskaart) als ik naar de super ga of vertel me de sensa (sensatie) over het feestje van afgelopen nacht waar je vvv’tjes (vrienden van vroeger) ook waren. En dan nog niet te spreken over de verschillende fases in het liefdes­leven: van de kwarrel (kwaliteitsscharrel) tot de prela (pre-relatie), eventuela (eventuele relatie) en rela (relatie).

Zuidas

Dat studententaal een wijdverbreid fenomeen is, blijkt wel uit het succesvolle bestaan van Instagramaccount @ballenbingo, dat intussen 91.000 volgers heeft. Drie jaar geleden is het brein achter het account – dat anoniem wil blijven, maar wier naam bij de redactie bekend is – ermee begonnen, toen ze op de Zuidas werkte.

“Daar hoor je veel langskomen. Dat sloeg ik elke keer in mijn notities op, of ik vertelde het aan vrienden, tot ik dacht: dit verdient een groter publiek.” Los van het ‘afko’-taaltje – zoals ‘broodje met avo’ (avocado, goed voor 2700 likes) en ‘gecondo’ (gecondoleerd, 5900 likes) – hoort ze ook een hoop ‘xenofobisch, racistisch en elitair gelul’.

Als voorbeeld haalt ze twee jongens aan die ze hoorde praten over een meisje dat van de trap was gevallen. “Eentje zei: ‘Neuken nu het nog warm kan.’ Dat had ik op Instagram geplaatst, toen het account net bestond, maar veel volgers zeiden dat het echt niet kon.”

Zelf vertelde ze een vriendin over een jongen met wie ze datete, waarop die vriendin zei: ‘Pak even de almanak ­[een jaarboek annex telefoonboek voor corpsleden, red.] erbij, dan kijk ik even of ie bestaat.’ “Alsof er buiten het studentencorps dus geen personen bestaan,” zegt ze. “Toen keek ik haar even lang aan, en schrok ze.”

Ze wijst erop dat door de coronacrisis een hele reeks ­afkortingen het studentenvocabulaire in werd gegooid: denk aan quara (quarantaine) en onvermijdelijk de daarbij horende quabo (quarantaineborrel). Het interessantste vond ze nog de quarrel: de quarantainescharrel die je wel tijdens de quarantaine moest houden, omdat je niet meer met meerdere mensen tegelijk mocht scharrelen.

De oprichter van @ballenbingo: “Ik vraag me af wat studenten doen met alle tijdswinst door die afkortingen.”

Geheimtaal

Komt die studententaal inderdaad uit het corps? Goeddeels wel, zegt René Appel, schrijver en taalwetenschapper. “Dat is toch een groep die zich graag wil onderscheiden van de rest van de maatschappij, door eigen jargon te hanteren.” Hij wijst op het woordje ‘zooien’ – ook wel ‘brassen’, een tussenvorm van stoeien en een duel – dat hij nooit buiten het corps heeft gehoord. Op vragen van Het Parool ging het Amsterdams studentencorps overigens niet in.

Volgens Leonie Cornips, onderzoeker aan het NL-Lab van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, bevindt taal zich nooit in een vacuüm. “Het is onderdeel van cultuur, en gaat samen met je manier van doen, kleden, of een bepaalde activiteit: zoals naar de vereniging gaan.”

Hondenbezitters

“Mensen identificeren zich met anderen door taal, en daardoor verandert taal ook weer,” zegt Cornips. “Het is een wisselwerking, of je het nu over studenten of hondenbezitters hebt.” Maar toen ze in NRC Handelsblad in 2015 las dat een derde van de Nederlandse bestuurders nog ­altijd uit het corps kwam, vroeg ze zich wel af in hoeverre hun onderlinge identificatie en taalgebruik uit hun corpstijd nu nog op dezelfde wijze mensen in- en uitsluiten.

Appel wijst erop dat veel groepen zichzelf identificeren door middel van een eigen taaltje: in zekere zin kan het als ‘geheimtaal’ fungeren. “Al zijn er in studententaal niet ­zodanig veel woorden anders dat het onverstaanbaar wordt.”

Soms is een groepstaaltje ook puur functioneel. “Denk aan het wielrennen: daarin verkondigen ze graag dat een wielrenner ‘aan het elastiek hangt’ als ie dreigt de aansluiting te verliezen,” zegt Appel.

Ally of Damsko

Ook het afkorten – hij noemt het consistent ‘verkorten’ – is niet alleen aan studenten voorbehouden. Een ‘patat frites met mayonaise’ is bijvoorbeeld, via ‘een frietje met’, op een gegeven moment ‘één met’ geworden. En je hebt ­natuurlijk de straattaal, waarin plaatsnamen worden verkort: Almere is ‘Ally’, Eindhoven is ‘Eindje’ en Amsterdam ‘Damsko’. En wie zegt nog ‘ik ga met het ov’ of ‘ik ga naar het werk?’, als het zonder lidwoorden ook prima kan – ‘ik ga met ov’ en ‘ik ga naar werk’?

Over het algemeen zijn mensen vrij bewust bezig met het verzinnen en overnemen van woorden, zegt Cornips. “Je hebt altijd de keuze of je ‘vvv’tje’ of ‘vroegere vriendin’ zegt. Tegen je ouders zeg je waarschijnlijk dat laatste.”

Ze verwijst naar premier Rutte, die onlangs zei dat voetbalsupporters ‘hun bek moesten houden’ en later spijt had van die woordkeuze. Wat minder te manipuleren valt, is uitspraak, zoals de Gooise r of de zachte g – die Cornips als geboren Limburger zelf heeft. “Ik spreek nog steeds niet met een harde g na veertig jaar Amsterdam, maar misschien omdat ik die harde g ergens ook best lelijk vind.”

Aftoppen en braken

Studententaal is zeker niet nieuw. Schrijver en theatermaker Paulien Cornelisse, die gefascineerd is door taal, herkent het nog uit haar studietijd aan de Universiteit van Amsterdam, zo’n twintig jaar geleden. “Toen hadden mensen het vooral nog over ‘soggen’, studieontwijkend gedrag. Dat was best wel nieuw, en ik weet nog dat je soms moest uitleggen wat dat betekende.”

Ook taalwetenschapper Appel wijst op de lange traditie van studententaal: in 1994 werd Het Eerste Nederlandse Studentenwoordenboek uitgebracht door Albert Gillissen en Paul Olden, mét lokale varianten. Hoe je zuipen in studententaal zegt, hangt bijvoorbeeld sterk af van waar je bent. In Rotterdam zeg je volgens de auteurs ‘aftanken’, in Delft is het ‘aftoppen’. En in Vlaanderen zeg je ‘braken’, terwijl dat in Nederland eerder iets is dat wellicht ná het zuipen komt. Is er ook een term die typisch Amsterdams is? “Ja, die is nogal gewaagd,” zegt Appel, “in Amsterdam schijnt ‘borrelnootjes’ te staan voor kleine tietjes.”

Hoe is die studententaal ooit ontstaan? Cornelisse heeft daar wel een idee over. “Ik denk dat over het ­algemeen studenten best veel tijd hebben om met elkaar te praten, en op die manier nieuwe taaltrends ontstaan.”

Ze vermoedt dat sms-taal ook enige invloed heeft. “Het is wel zo dat die afkortingen er in mijn tijd ook al waren, maar tegelijkertijd denk ik dat het woord ‘even’ nu veel ­vaker wordt gespeld als ‘ff’.” Cornelisse merkt overigens ook dat sms-taal ervoor zorgt dat ze amper een punt achter haar digitale berichtjes plaatst. “Een punt kan soms misschien wat kortaf overkomen, net zoals een uitroepteken soms overdreven enthousiast is.”

Hebben we het hier over taalverloedering? Nee, zegt ze stellig. “Ik geloof eerder in taalverandering. Jongeren, en dus ook studenten, bepalen waar het heen gaat met onze taal.” Wel gelooft Cornelisse in een maximumleeftijd waarop je nog nieuwe woorden kunt gebruiken. “Volgens mij is er zo’n regel dat als je voor je 23ste nog geen tattoo hebt, dat ook niet meer gebeurt. Ik denk dat dat ook opgaat voor nieuwe woorden.”

Het risico ligt hem er namelijk in dat je je dan jonger voordoet dan je bent. “En dan wordt het awkward, net ­zoals het feit dat ik nu awkward gebruik.” Het kan overigens nog erger. “Je hebt mensen die dat afkorten tot awkie, en daar kan ik dus echt heel slecht tegen.”

Heerlie de peerlie

Student interventiecriminologie Esther Hollestelle (23) was afgelopen jaar rector van studentenvereniging Unitas. “Ik gebruik heel veel afkortingen,” zegt ze. “Soms hoor ik mezelf en denk ik echt: hoe verzin je het nou om hier een afkorting van te maken? De ergste vind ik toch wel ‘afko’, de afkorting van ‘afkorting’.”

Amber Langeveld (21), bedrijfskundestudent, zit dit jaar in het bestuur van studentensportvereniging DERM. “Bij ons gebeurt het niet zo vaak, behalve voor de grap. Mijn zusje zit bij het corps en zegt tegenwoordig ‘honds bien’ en ook ‘hdp’. Dat staat voor ‘heerlie de peerlie’.”

Ook Hollestelle heeft ‘hdp’ weleens gezegd. Maar wanneer gebruik je dat dan? “Ja, als een vriendin naar me toe komt en zegt: ik heb superleuk nieuws, ik ben net aangenomen voor een baan. Maar ik vind het ook een heftige ­afkorting, hoor.”

Langeveld merkt dat afkortingen die ze voor de grap zegt langzaam het reguliere vocabulaire insluipen. “Laatst vroeg een vriendin me ook: gaan we ‘spebi’ (speciaalbier) drinken? En op de vereniging hebben we ook de ‘wispo’, onze wintersport.”

Zelf kan ze er ontzettend om lachen. “Ik vind het heel grappig dat het iets is. Op onze vereniging zijn ook mensen die zich ertegen afzetten, en voor de grap dingen zeggen als: ‘gecondo met je crema’.”

Op de vereniging van Hollestelle hoor je vaak ‘het zijn weer stukoweken’, waarbij ‘stuko’ staat voor ‘studentikoos’, als er veel feesten in aantocht zijn. “Ik ben al die afkortingen pas gaan gebruiken sinds ik studeer. Het heeft ook wel wat, het zit een beetje in de cultuur.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden