PlusInterview

Psychiater Esther van Fenema: ‘Het gezinsleven heb ik altijd complex gevonden’

Esther van FenemaBeeld fotografie Wendelien Daan/styling Mary-Lou Berkulin

Psychiater en violist Esther van Fenema (49) doet veel, en vooral veel tegelijk. Ze is lijsttrekker van NLBeter, heeft een eigen praktijk en richtte de muziekpoli op. ‘Muziek maken is een veilig emotioneel kanaal als thuis zwijgen de regel is.’

Psychiater en violist Esther van Fenema woont in Bussum met haar man, drie stiefkinderen en de hond. Therapie geeft ze in een ruim tuinhuis met veel licht waar zij en haar man tot anderhalf jaar geleden ook sliepen. Zijn ouders woonden toen in het echte huis met de kinderen, voor wie ze deels zorgden. “Zo konden we rustig wennen aan het leven in een samengesteld gezin. Jaren was dat leuk en gezellig, het liep goed, maar op een zeker moment gaan oude mensen en pubers wel erg van elkaar verschillen. Voor het echt ingewikkeld werd, zijn mijn schoonouders verhuisd naar een eigen huis.”

Ze wijst naar een bank en dan naar een stoel aan de andere kant van de koffietafel waar een doos tissues op staat. “De patiënt zit meestal op de stoel en ik op de bank dus dan nu andersom, denk ik, want dan ben ik een soort patiënt.”

Hoe was u onder corona?

“Tamelijk goed. Mijn werk viel niet stil. Ik mocht over een lege snelweg naar Almere rijden waar ik drie dagen per week werk bij de crisisdienst. Hier thuis, in mijn eigen praktijk, hield ik via Zoom contact met patiënten. Ik heb één week griep gehad. Toen was ik bang om dood te gaan aan Covid-19 want je zou toch maar net het verkeerde afweersysteem hebben – ik ben een beetje hypochondrisch. Ik kreeg meteen een test, want een vitaal beroep, maar het was geen corona.”

Was u toen niet meer bang om dood te gaan?

“Niet meer dan anders. Haha. Nee, ik ben echt niet bang om dood te gaan. Het is eerder angst voor controleverlies, denk ik. Daar zijn veel angsten naar terug te leiden. Desintegratie. Dat is de dood natuurlijk ook. Je valt uit elkaar, je houdt op te bestaan. Ik heb de optie al een keer meegemaakt, toen ik op mijn veertigste borstkanker kreeg. In het begin, als ze nog niet precies weten welke vorm je hebt, is dat erg angstaanjagend; is het zo’n griezel waarbij je een jaar later onder de groene zoden ligt? Dat was bij mij niet zo. Het viel eigenlijk mee. Een operatie, bestraling en tot in de gloria hormoontherapie. Ik zal niet zeggen dat ik het niet had willen missen, maar het werd daardoor voor mij wel al vrij snel een goede exercitie.”

Beeld fotografie Wendelien Daan/styling Mary-Lou Berkulin

In wat?

“In nadenken over de vaststelling dat het gevoel van ‘Hé, het zou kunnen dat ik doodga’ minder angstaanjagend was dan de doodsangst die ik soms voelde voor ik ziek werd. It’s harder to murder a phantom than reality, zei Virginia Woolf. Dat vind ik een fantastische uitspraak. In onze familie was borstkanker een zwaard van Damocles, want mijn oma is eraan overleden en mijn moeder had het ook. Het voelde bijna als een opluchting dat ik het kreeg. Dat klinkt heel sick, maar ik had een gevoel van hè hè.”

De phantom werd reality?

“Ja. En daar kun je iets mee. Maar goed, ik heb me nooit zo ziek als een hond gevoeld. Als je maanden kotsend boven de wc hangt, is de realiteit natuurlijk echt naar. Het is wel zo dat ik een andere issue heb gekregen met sterfelijkheid sinds ik onderdeel ben van een gezin en verantwoordelijkheden heb naar kinderen en een man, dat geeft me het gevoel dat ik het niet meer kan maken om dood te gaan.”

Hoe leefde u op uw veertigste?

“Ik woonde alleen in Amsterdam, werkte hard, speelde elke dag viool, had een relatie die niet goed was en die door mijn ziekte versneld op de klippen liep. Kortom: de verbinding met de ander had ik toen niet zo, behalve met vrienden maar dat gaat niet gepaard met verantwoordelijkheden die je het gevoel geven dat je niet dood mag.”

Heeft dat bij de meeste van ons niet ook een egocentrische kant? Fear of missing out, balen dat jij het feestje vroeg moet verlaten en anderen niet?

“Zeker, en dat is gezonder dan alleen maar het beste willen voor iedereen die achterblijft. Dat mag ook, maar het is niet het hele verhaal natuurlijk. Het mooie van mijn vak is dat ik die dingen van mensen mag horen. Niet dat zalvende gedoe, alles wat correct en goed is, maar ruim baan voor de meest rauwe, lelijke – en dat bedoel ik beschrijvend, niet oordelend – egocentrische emoties.”

Vaak gaan die rauwe, lelijke emoties over ouders. Ook in uw nieuwe boek Waarom kan ik niet gewoon gelukkig zijn?, waarin we via twaalf personages, samengesteld uit tientallen patiënten die u kent, mogen meekijken in uw spreekkamer en in uw hoofd als therapeut. Mag je in therapie je ouders ook leuk vinden, en ze begrijpen?

Ze grinnikt. “Tegen die kwestie lopen mensen altijd aan. Het is een evolutionaire reflex als kind om geen teleurstelling over je ouders te willen voelen. Dat is begrijpelijk. Ze zijn in allerlei opzichten je voorwaarde om te kunnen leven, dus als je ze afvalt is dat een nare stap, die vaak wel nodig is. Als je iets hebt meegemaakt waar je nog last van hebt in het hier en het nu moet je als een varkentje door de modder om schoon schip te maken en vooruit te komen. Dat weet ik ook uit eigen ervaring, toen ik voor mijn opleiding tot psychiater in psychoanalyse ging bij Christa Widlund (de echte naam van schrijfster Anna Enquist, red.). Ik kom nog steeds weleens bij haar voor een apk-achtig gesprek. Daar heb ik ook gebruik van gemaakt voor dit boek, vrijwel alles wat ik schrijf over patiënten herken ik.”

Wat was er bij uw ouders thuis onprettig?

“De rol die ik had als oudste van drie was niet aangenaam. Ik was dat zwarte schaap, kon het niet goed doen. De liefde was voorwaardelijk: je bent niet oké zoals je bent, het hangt af van hoe je je gedraagt, hoe je presteert. Behoorlijk onveilig. En over gevoelens werd niet gepraat.”

Pas op uw vijftiende kwam u erachter dat u Joods bent.

“Omdat mijn grootmoeder aan vaders kant – die niet Joods was – zich versprak. Bij mijn moeder was de angst leidend. Het was gevaarlijk om voor je Joods zijn uit te komen, maar ambivalent want het was toch ook wel iets positiefs, iets bijzonders. Ze voelde zich bevoorrecht door iets wat ze voor ons verzweeg. Dat is verwarrend voor een kind. Ik vond het fijn dat mijn oma zich versprak. Het was een opluchting en een uitgelezen moment om ontzettend een identiteit te gaan zoeken: naar Israël, Hebreeuws leren, een Joodse studentenvereniging; ik heb het allemaal gedaan.”

Wat leverde dat u op?

“Ik kreeg na verloop van tijd vooral argwaan naar mijn zoektocht naar identiteit. Het kwam allemaal wel erg goed uit, zo’n ontsnappingsroute met houvast en iets bijzonders met een zwaar verleden dat je iets bevoorrechts geeft. Ik ben het gaan relativeren. Bovendien, als je een negatief zelfbeeld hebt, helpt ook Joods zijn niet, het verschafte me geen identiteit. Sowieso, identiteit, ik vind het een moeilijk concept. We zijn een blend van opvoeding, temperament en omstandigheden, in een wisselende samenstelling. Dat samenspel van factoren bepaalt wie jij op een bepaald moment bent. Ik zal altijd onder de indruk blijven van de complexiteit ervan.”

Terwijl u Geneeskunde studeerde in Utrecht doorliep u het conservatorium in Brussel. Dat moet zwaar zijn geweest. Wat zat erachter?

“Prestatiedrang. Twee passies die streden om een plek. Op de televisie bij mijn grootmoeder – wij hadden er geen – zag ik als meisje van acht een filmpje van een indiaan die danste en viool speelde tegelijk. Het was zo vrolijk, dat wilde ik ook. En bij ons thuis was het vanzelfsprekend dat wij een instrument leerden bespelen. Maar ja, twee studies doen was ook lichtelijk getikt, een vlucht om niet veel te hoeven voelen.”

Beeld fotografie Wendelien Daan/styling Mary-Lou Berkulin

Uw moeder studeerde piano aan hetzelfde conservatorium. Je zou uw stap kunnen zien als in de buurt willen blijven van waar u voor vluchtte.

“Zou kunnen. Er was bij ons ook wel sprake van enige rivaliteit. Plus, muziek is voor mij noodzaak, het was van jongs af aan al een vluchtroute waar emoties mochten bestaan, zonder gezeik. Ik zie die functie ook bij veel musici die ik behandel, nu hier, tot vorig jaar in de muziekpoli die ik heb opgericht in het Leids Universitair Medisch Centrum. Muziek maken is een veilig emotioneel kanaal als thuis zwijgen de regel is. Als je speelt, heb je contact met je woede en je verdriet. Dat mag er dan zijn en iedereen is onder de indruk, omdat je het met zoveel gevoel doet.”

Het is even stil. Dan zegt ze dat ze woede de mooiste emotie vindt. “Maar hij mag er niet zijn, zeker bij vrouwen wordt het gezien als ongepast. Verdriet is redelijk goed te doen, dat mag je ook laten zien van de samenleving, vinden we mooi, kunnen we medelijden hebben en een zakdoek aanbieden. Angst vinden we ook prima, kunnen we iemand een schuilplaats geven. Mensen hangen graag het reddertje uit. Maar in het verdragen van woede – die van onszelf en die van een ander – zijn we slecht. Terwijl woede behalve destructief ook heel constructief kan zijn als je het weet om te zetten. Bovendien, het komt er toch uit, maar dan op een vervelende, lastig te bedwingen manier, zoals via een depressie, of een angststoornis. Face your anger, het is belangrijk.”

Het zal in de intelligente lockdown ook niet mals zijn geweest, al die woede en het niet verdragen ervan.

“Het is ongelooflijk wat zich allemaal aan ellende heeft afgespeeld. Onzekerheid, pijlers die wegvallen, overprikkeling en elkaar misschien toch iets meer haten dan je dacht, of in elk geval meer last hebben van elkaar dan je dacht. Mensen moeten elkaar op een nieuwe manier leren verdragen en dat geeft veel stress. Ik heb er veel van meegekregen in mijn werk.”

Wat zag u gebeuren bij de crisisdienst?

“Het wisselde. De eerste weken was het rustig. Iedereen zat in een freeze, denk ik. Met depressieve en angstige patiënten ging het vaak beter vanuit het gedeelde smart/halve smart-principe: ineens zat iedereen piekerend thuis en had niemand meer een leuk leven. In het pinksterweekend, toen een aantal beperkingen werd opgeheven en de gemoederen hoog opliepen na de moord op George Floyd, steeg het aantal aanmeldingen ineens explosief, alsof er een geest uit de fles moest. Veel zelfmoordpogingen en psychotische mensen die overal camera’s en complotten zagen of onderweg waren naar Trump om te vertellen hoe het echt zit met corona. Het was akelig, maar ik blijf het ook fascinerend vinden hoe creatief een gestoord brein omgaat met de werkelijkheid.”

Ze kijkt op haar horloge, zegt dat ze de tijd in de gaten moet houden omdat er straks een muzikant met podiumvrees komt. “Ik ben blij dat ik mensen weer hier kan zien. Digitale therapie vind ik drie keer niks als je het vergelijkt met iemand live in je kamer hebben. Je wordt moe van de 2D, je mist belangrijke informatie omdat je iemand niet ruikt en niet proeft, bij wijze van. Ik kan veel aflezen aan spierspanning, of aan wegkijken. Bij Zoom kijken mensen weg omdat er een huisgenoot langsloopt, hier kijken patiënten niet zomaar de tuin in. Dan is er wat. Mensen huilen ook minder. Dat is niet de belangrijkste uitkomstmaat, maar het zegt wel iets. Bij de deur nog even mijn hand op iemands schouder kunnen leggen miste ik ook. Maar goed, misschien is het allemaal ouderwets. Je hoort geluiden dat e-health helemaal de shizzle wordt. Ik heb er voor mijn vak twijfels bij.”

Om te komen tot wat u schrijft in het dankwoord: ken uzelf?

“Daar komt mijn werk op neer. Het is lastig dat te bereiken via pixels. Ook omdat je als psychiater jezelf als instrument gebruikt. Als iemand iets zegt, roept dat bij mij een gevoel op en mag ik iets verzinnen om dat terug te geven en zo een stap verder te komen in het proces van ken uzelf, met als het doel het vergroten van de keuzevrijheid in hoe iemand reageert op mensen en gebeurtenissen, in plaats van steeds op dezelfde knop te slaan. Het is een tegeltjestekst, maar zelfkennis is keuzevrijheid. Het is een luxe als je jezelf dat kunt toe-eigenen.”

‘Als iemand mij irriteert roept hij dat waarschijnlijk ook bij anderen op’, schrijft u. Dat kan toch ook aan u liggen?

“Natuurlijk, ik moet altijd kijken waar mijn aandeel zit: heb ik misschien slecht geslapen en daardoor een kort lontje, heb ik de avond ervoor iets naars op televisie gezien of ben ik geïrriteerd omdat de patiënt na zoveel maanden of zelfs jaren in hetzelfde cirkeltje blijft ronddolen. Dus irritatie, oké, leuk, wat betekent het en wat kan ik ermee doen? Je moet wegen uit het doolhof zoeken met die ander, en ook mijn gevoelens geven richting aan.”

Worden psychiaters daar zelf minder irritante mensen van?

“Haha. Nee. Ik merk wel dat ik na tien jaar werken in de psychiatrie milder ben naar mijn medemens. Al dat geworstel en geploeter van zo dichtbij zien; het tranendal dat het leven is voor veel mensen. Iedereen is aan het tobben en proberen. De meeste mensen bedoelen het goed, het komt er alleen zo verdomd onhandig uit. Bij mij ook. Daar word ik wel wat minder edgy en hoogdravend van. Wel nog steeds fel. Gelukkig maar, want ik heb samen met psychiater Ronald Manne en cardioloog Janneke Wittekoek een politieke partij opgericht en dat wordt niets zonder een beetje felheid.”

Vertelt u eens iets over jullie plannen.

“NL Beter is een partij met de gezondheidszorg als vertrekpunt. We zijn klaar met het hardnekkige systeemfalen: wachtlijsten, dure adviesbureaus die handenvol geld verdienen aan gewichtige notities waar geen patiënt beter van wordt, een groeiende overdaad aan bureaucratie. Als artsen met idealen en ideeën hebben we van alles geprobeerd – media, Kamervragen, manifesten – maar we bleven tegen muren oplopen. Vandaar de gedachte: we moeten meedoen met het bepalen van wet- en regelgeving. Ik vind het een hachelijk avontuur want het is nogal wat om mijn spreekkamer uit te moeten, maar ik vind het nog veel onverdraaglijker – en dat is dan wel weer hoogdravend – dat mensen die wij proberen beter te maken door het systeem ziek blijven of het opnieuw worden. Preventie en levensstijlverandering staan nog steeds niet genoeg in de picture, ziek zijn blijft het verdienmodel. Net als in de Verenigde Staten bepaalt statistisch gezien de postcode ook hier steeds meer wanneer je doodgaat en hoe ziek je wordt, terwijl je met een verandering van levensstijl de helft van de welvaartsziekten kunt voorkomen. Maar daar is onvoldoende economisch belang bij.”

We hebben toch een nationaal preventieakkoord?

“Daar merk ik weinig van in de praktijk. Zolang multinationals die chips, frisdrank en snoep verkopen nog een sterke lobby hebben in Den Haag kun je op je hoofd gaan staan, maar dan gebeurt er niets wezenlijks op het gebied van preventie.”

“Eigenlijk zeggen we helemaal niets bijzonders, iedereen die kan nadenken is het erover eens. We kijken naar de volksgezondheid in brede zin. Daar hoort niet alleen lichamelijke en geestelijke gezondheid bij, maar alle pijlers van een waardig en gezond leven: wonen, werken, huisvesting, onderwijs; alle domeinen van de publieke sector. We zullen wel het verwijt krijgen dat we betuttelen. Prima. Vrijheid dit, vrijheid dat, op een gegeven moment is het toch gewoon verwaarlozing als ik allemaal stakkers zie die daar niet mee uit de voeten kunnen, er geen toegang tot hebben en vroegtijdig aan hun einde komen door ongezond leven waar anderen dik aan verdienen. Vind ik niet oké.”

Hoe gaat u reageren als u in een mogelijk debat met andere lijsttrekkers voor de voeten wordt geworpen dat het subsidiegeld voor het Depressiegala dat u vijf keer heeft mede-georganiseerd niet goed is besteed?

“Wij hebben naar eer en geweten het subsidiegeld van VWS aangewend om het taboe op depressie aan te pakken. Het Depressiegala heeft aantoonbaar een enorme impact gehad op de bewustwording van deze ziekte. Maar zoals bij elke start-up gaan er ook zaken verkeerd. Door het uitvallen van onze directeur wegens ziekte kwam het onderwijsproject niet van de grond, iets wat ik zeer betreur en waar we uit eigen middelen nog een deel van hebben terugbetaald. Mag ik het daarbij laten? Er is al zo veel over gezegd.”

In de tien levenslessen in Trouw las ik dat u vroeger graag ’s avonds langs huizen liep om naar de gezinslevens in verlichte woonkamers te gluren.

“Dat was wel een beetje een slechte Franse zwart-witfilm, hoor. Een combinatie van afkeer en tegelijk melancholie dat ik geen deel was van zoiets. Het gezins­leven heb ik altijd complex gevonden. Ik bleef er uit de buurt, verschanst in de grootstedelijke homovrienden-scene: niemand met kinderen, lekker veilig. Tot ik de man tegenkwam met wie ik ben getrouwd. Bij hem was meteen duidelijk dat het nu wel de moeite waard was het risico van een intieme relatie aan te gaan. Het is ook dankzij veel therapie dat ik het mezelf toestond.”

De titel van uw boek is ironisch bedoeld, denk ik. Hoe kijkt u echt aan tegen geluk?

“Ik zet meer in op een zeven voor tevredenheid, dat is wat alledaagser, beter te hanteren. Geluk wordt hysterisch nagestreefd; piekmomenten verzamelen – nieuwe schoenen, bungeejumpen, weet ik wat allemaal en daar dan een fotootje van maken, posten, likes, ben je weer gestimuleerd – maar tevreden maakt het niet, en gelukkig al helemaal niet. Maar goed, ik ben dan ook iemand die houdt van de discipline van elke dag toonladders oefenen.”

“Ik vind de uitspraak van Simon Sinek wel gers: beter elke dag je vrouw goedemorgen kussen in plaats van ’s ochtends meteen je telefoon pakken en een keer per maand een bos bloemen kopen. Of kleiner: de routine van elke dag je tanden poetsen. Dat past goed bij onze soort, vind ik.”

Ze lacht. “De vraag is hoeveel maakbaarheid nou gunstig is en waar het optimum zit. Daarna houdt het gewoon op en moet je een beetje dankbaar en tevreden zijn. Ik ben in de buurt van mijn optimum aangekomen. Dat mag ook wel als je bijna vijftig bent en al jaren een geweldige therapeut hebt.” 

Esther van Fenema

25 november 1970, Haarlem

1984–1990: Christelijk Gymnasium, Utrecht, laatste 2 jaar gecombineerd met vooropleiding conservatorium
1991–1994: Vioolstudie aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam
1994–1995: Geneeskunde in Leuven en vioolstudie aan het Koninklijk Conservatorium in Brussel
1995–2002: Geneeskunde in Utrecht en vioolstudie in Brussel
2003-2008: Opleiding tot Psychiater bij het Leids Universitair Medisch Centrum/Rivierduinen
2008: Oprichting Muziekpoli aan LUMC
2015: Organisatie eerste Nederlandse Depressiegala
2016: Gepromoveerd op implementatie van zorgprogramma’s

Esther van Fenema woont in Bussum met man en drie stiefkinderen.

Esther van Fenema als kind.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden