PlusInterviews

OV-chauffeur: ‘Ik zit met hartkloppingen achter het stuur’

Caecilia GoedmanBeeld Desiré van den Berg

Door de mondkapjesplicht in het openbaar vervoer krijgen chauffeurs en conducteurs te maken met nog meer agressie dan ze al gewend waren. ‘Af en toe zit ik met hartkloppingen achter het stuur.’

Caecilia Goedman (53), buschauffeur bij het GVB

“Na de invoering van de mondkapjesplicht in het openbaar vervoer heb ik in mijn bus letterlijk elke dag ­problemen. Je bent niet alleen meer chauffeur, je moet ook politieagent spelen. ‘O, ik wist niet dat het verplicht was’, ‘ik heb ’m thuis laten liggen’ – dat soort poepelegein allemaal. En je ziet ze denken: flapdrol, ik laat me door jou niks zeggen.

Ik heb elf jaar in de beveiliging gezeten en reed mee met geldtransporten, dus ik ben niet zo heel bang uitgevallen. Maar tegenwoordig zit ik af en toe met hartkloppingen achter het stuur. Dan zie ik zo’n groep jongens bij een halte staan en dan weet ik eigenlijk al hoe laat het is. Als ze in hun eentje zijn, is het ‘goeiemiddag’ voor en na. Maar zo gauw je er een paar bij elkaar hebt, nou, berg je dan maar.

Kijk, ik hou mijn mond niet, en als vrouw kun je vaak nog meer maken dan wanneer je een mannelijke buschauffeur bent, maar er zijn weleens momenten dat ik denk: zal ik gewoon doen of ik niet heb gezien dat ze geen mondkapje dragen en lekker naar buiten blijven kijken? Want voor je het weet is het: ‘o, heb je ’t tegen mij?’ en dan volgen er van die woorden die ik maar niet zal herhalen. Je wordt uitgemaakt voor alles wat lelijk is.

Voor de coronatijd stapte iedereen voor in de bus in. Dan kijk je elkaar effe aan, je zegt gedag, je rekent een kaartje af, je hebt contact. Ik ben echt een gezelligheidsdier, ik hou van een babbeltje, daarom ben ik ook op die bus gaan zitten. Maar nu stapt iedereen in het midden in, of aan de achterkant. Dat vind ik jammer. Het druist in tegen mijn gevoel van klantvriendelijkheid.

Ik rijd ook op lijn 21, waar die chauffeur in elkaar is geslagen. Ik ken hem niet persoonlijk, maar ik hoor van iedereen dat het een ontzettend zachtaardige man is. Ik heb het filmpje gezien en ik werd er gewoon misselijk van. Moet ik nu mijn mond gaan houden? dacht ik na dat incident. Moet ik nou maar niks meer zeggen? Want de agressie in de bus is echt geëxplodeerd sinds 1 juni. Het punt is natuurlijk dat de overheid eerst zei dat die dingen helemaal niet helpen, en toen moest het in het openbaar vervoer ineens wel. Mensen snappen het niet en wij moeten het oplossen.”

Natasja WaasdorpBeeld Desiré van den Berg

Natasja Waasdorp (48), hoofdconducteur bij de NS

“Laatst zat een man zonder mondkapje in mijn trein. Drie keer had ik hem vriendelijk gevraagd om het op te zetten – ‘zo zijn de regels, meneer.’ Toen hij het na de vierde keer nog niet deed, heb ik gezegd dat hij de trein moest verlaten. Hij liep heel rustig mee naar buiten. Pas op het perron begon hij enorm te schelden. Nee, dat is niet leuk, maar hij vertrok en dat vond ik het belangrijkste. Ik wilde niet dat hij andere passagiers in gevaar zou brengen door geen mondkapje te dragen. 

Hij leek weg te lopen en ik haalde opgelucht adem. Maar ineens draaide hij zich om en rende keihard op me af. Die gaat slaan, dat wist ik zeker. Ik sprong de trein in en schreeuwde tegen mijn collega: ‘Doe de deur dicht, doe de deur dicht!’ Ik kon ternauwernood ontsnappen. De blik die die kerel in zijn ogen had, verschrikkelijk.

Sinds de mondkapjesplicht in het openbaar vervoer is ingevoerd, krijg ik letterlijk elke dag verwensingen naar mijn hoofd. Bang word ik er niet van, maar leuk is anders. Je krijgt er zelf bijna een kort lontje van. De meeste reizigers werken mee, hoor. Je leest wel over jongeren die zich nergens wat van zouden aantrekken, maar die ervaring heb ik niet. ­Studenten en scholieren gedragen zich over het algemeen keurig. De onruststokers zijn mensen van wie ik vermoed dat ze vooraan op het Malieveld staan als er een bijeenkomst is van Viruswaanzin.

Sinds 1 juni draag ik op mijn werk een mondkapje. Dat went. Sindsdien mogen we, als we willen, ook weer kaartjes controleren. Dat doe ik meestal niet, als we rijden zit ik zoveel mogelijk in het conducteurshok. Hoofdconducteurs zijn nodig om de trein te laten vertrekken. Wij geven de machinist het sein dat we weg kunnen. Ik loop op de stations wel langs mijn trein, zodat ik ongeveer weet wie er binnen zijn. Kun je nagaan: in de trein zijn we nauwelijks te zien en dan nog krijg je elke dag scheldkanonnades over je heen. 

Ik draai alleen maar late diensten. Op donderdag, vrijdag en zaterdag rijden er na tien uur ’s avonds altijd twee hoofdconducteurs mee op een trein. Er wordt nu over gesproken om dat terug te schroeven naar één persoon. Bezuinigingen, ik moet er niet aan denken. Als mijn collega laatst die deur niet zo snel had dichtgedaan, weet ik niet hoe het met me was afgelopen.”

Dennis WaaijerBeeld Desiré van den Berg

Dennis Waaijer (44), streekbuschauffeur bij Connexxion

“Door corona en alle maatregelen die het virus met zich meebrengt, zijn mensen meer gespannen dan normaal. Ik merk het overal: in de supermarkt, op het schoolplein en dus ook in mijn bus. Iedereen lijkt geïrriteerd, overal zijn de lontjes kort. Mensen zijn bang. Voor het virus, voor hun baan, voor de toekomst. Ik snap het wel.

De meeste mensen die de bus instappen, ik schat zo’n 95 procent, dragen keurig een mondkapje. Tegen reizigers die zonder instappen, zeg ik iets. Ik begin altijd met een geintje, en als ze niet luisteren word ik serieuzer. Ik wil zelf met respect behandeld worden, dus dat doe ik ook met de passagiers. Als je mensen op een normale manier aanspreekt, komt het doorgaans wel goed. Ik krijg maar zelden een grote mond. Meestal zijn ze het oprecht gewoon vergeten – ‘sorry, sorry, sorry’ is het dan.

Er is een kleine groep mensen die het verpest voor de rest. Ik werk vijf dagen en ik beland zeker één keer in de week in een woordenwisseling. Negen van de tien keer gebeurt dat ’s avonds. Mensen willen niet betalen, ze gaan met je in discussie. Overdag met de forensen heb ik geen problemen, maar op de nachtbus is dat anders. Ik ben weleens bij mijn stropdas gegrepen door een stomdronken passagier of god weet waar hij precies van onder invloed was.

Agressie komt altijd onverwacht. Dan zie ik zo’n groep jongeren lachen, gieren, brullen bij de halte en denk ik: effe opletten nu. Maar dan gebeurt er niks. Dan is het juist die vent die rustig in zijn eentje staat te wachten die helemaal uit zijn stekker gaat omdat jij twee minuten te laat aankomt.

Nu de mensen niet voorin mogen instappen, is de kans op zwartrijden groter. Je hebt altijd mensen die het liefst gratis mee willen, en soms denk ik: ik heb twee kinderen, ik wil vooral veilig thuiskomen, dus zoek het allemaal maar uit, ik hou mijn mond. Ja, dat denk je weleens, ja.

Natuurlijk wordt er aan de kantinetafel gepraat over de mishandeling van die GVB-chauffeur. Dat gaat bij geen enkele collega in de koude kleren zitten. Ik weet dat er een filmpje circuleert waarop je alles kunt zien; dat ben ik nog niet tegengekomen, en ik ga het ook niet opzoeken. Na twintig jaar op de bus kan ik me ook zonder beelden wel ­voorstellen wat er gebeurt als iemand helemaal uit zijn plaat gaat.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden