Plus Interview

Orange Babies-oprichter: ‘Er is mij pijn gedaan, maar het was onwetendheid’

Baba Sylla (57) verliet Senegal na een getroebleerde jeugd. Hij kwam naar Amsterdam en richtte twintig jaar geleden Orange Babies op, een organisatie die met hiv geïnfecteerde Afrikaanse vrouwen en baby’s helpt. ‘In 1988 ben ik naar Europa gegaan, rond de kerst. Ik dacht: dan zijn de blanken op hun liefst.’

Baba Sylla. Beeld Lenny Oosterwijk

Baba Sylla houdt wel van een feestje. Van glitter en van glamour. Van mode en Bekende Nederlanders. “Als wij gelukkig zijn, zijn we op ons best,” zegt hij. “Een gelukkig mens kun je makkelijker overtuigen om genereus te zijn voor een ander.”

En wanneer zijn wij gelukkig? Juist: als er iets te vieren valt.

Precies twintig jaar geleden, in 1999, richtte Sylla met zijn toenmalige partner, visagist John Kattenberg, en interieur­stylist Stef Bakker Orange Babies op, een organisatie die in zuidelijk Afrika zwangere, met hiv geïnfecteerde vrouwen en hun baby’s helpt. Spetterende gala’s zijn er in die jaren geweest. Grote shows met optredens van nog grotere sterren. Alles om zo veel mogelijk donaties binnen te halen.

“Je kunt natuurlijk ook zielige mensen laten zien en inspelen op schuldgevoel,” zegt hij. “Dat werkt nog altijd uitstekend, ook bij mij, maar als geboren Afrikaan herken ik mij totaal niet in zulke campagnes. Ik wil graag iets teruggeven.”

Zoals wat?

“Een spektakel.”

Hoe komt u aan al die BN’ers?

“Orange Babies is geboren in de showwereld. Als die mensen in de make-up zitten of hun haar laten doen, dan is het: boem! Je kunt eindeloos tegen ze aanpraten, ze kunnen toch niet weglopen uit hun stoel, hahaha.”

Sylla is een optimistisch mens. Nog tien jaar, dan zijn hiv en aids de wereld uit. Uitgeroeid, helemaal weg. “Genezing is voor Afrika de enige oplossing,” zegt hij. “Nu moet je elke dag een pil slikken en dat werkt alleen als je ook gezond en regelmatig eet. Dat kan in Afrika niet altijd.”

Hij leunt tevreden achterover.

Geeft u geen valse hoop?

“De wetenschappers van de Verenigde Naties zeggen dat het 2032 wordt.”

In de jaren tachtig van de vorige eeuw, nog maar veertig jaar geleden, greep hiv, het virus dat de infectieziekte aids veroorzaakt, razendsnel om zich heen in Amerika en Europa, vooral onder homoseksuele mannen. Nu is het vooral oostelijk en zuidelijk Afrika dat zwaar te lijden heeft. Meer dan twintig miljoen mensen hebben er volgens de Verenigde Naties hiv, het aantal doden kwam vorig jaar op 310.000 en het aantal nieuwe infecties op 800.000, waarvan 84.000 bij kinderen van 0 tot 14 jaar. Vier van de vijf nieuwe infecties treffen jonge vrouwen tussen de 15 en 19 jaar.

In het jaar voordat hij Orange Babies oprichtte was Sylla op bezoek bij zijn vader in Senegal. Daar had zich een zwangere vrouw met hiv gemeld. Ze zocht een ­familie om haar kind te adopteren. Sylla adviseerde zijn vader het niet te doen. Hij dacht dat ze de hele familie zou ­infecteren.

Terug in Nederland begon het te knagen. Hij voelde zich schuldig, wilde het goed maken. Het was, zegt hij nu, de grote omslag in zijn leven. Inmiddels haalt Orange Babies jaarlijks 2 miljoen euro op en is actief met projecten in Namibië, Zuid-Afrika en vooral Zambia.

Sylla: “De laatste jaren is het wel harder werken. Heel makkelijk rolt het geld niet meer. We horen vaak dat er in Nederland ook veel ellende is.” Hij lacht: “En we worden ouder. Ik weet niet hoe dat met jou zit, maar als ik uitga heb ik twee of drie dagen nodig om te herstellen. Niet iedereen zit te wachten op weer een groot feest.”

Maar toch. “Het is de universele droom van alle vrouwen om een gezond kind te baren,” zegt hij. Die gedachte houdt hem overeind.

“Het taboe is nog steeds groot in Afrika. Iedereen heeft er wel iemand verloren aan aids, maar de mensen willen er niet over praten. Bij de eerste vrouw die ik hielp werd pas ontdekt dat ze besmet was toen haar dochter van zeven overleed. Als ze naar het toilet ging, durfde daarna niemand meer. Eerst moest de hele ruimte worden gereinigd met chloor. Het is crazy. Ze woont nu in Londen. Ze zegt: ‘Ik zal nooit een Afrikaanse man als echtgenoot krijgen.’”

Onwetendheid als de maat der dingen. Sylla komt van ver. Hij is geboren in Kolda, een stadje in het zuiden van Senegal. Heel vaak komt hij er niet, maar een jaar of vier geleden is hij toch maar eens op zoek gegaan naar het verhaal van zijn moeder, die overleed toen hij vier jaar was. Thuis was haar naam taboe, op straat schrokken de mensen zichtbaar als hij vertelde wie zijn moeder was. Fuck it, dacht Sylla. “Ik ben nu de vijftig gepasseerd, ik wil het gewoon weten.”

Ze bleek drie keer getrouwd te zijn geweest. “Mijn vader was meteen al kandidaat, maar de ouders van mijn moeder vonden hem niet goed genoeg voor haar. Haar vader was een soort lokale koning in het dorp Casamance. Ze is eerst getrouwd met een neef, met wie ze een jongen kreeg. Toen die man overleed, vond ze een ander met wie ze twee meisjes kreeg, maar ook die man ging dood.”

“Weer kwam mijn vader en weer zei de familie nee, maar dit keer zei mijn moeder: Ik ga het doen. De mensen zijn bang van mij, als ik op straat loop steken ze over. Er wordt over mij gepraat. Deze man is dapper, ik ga met hem trouwen. Ze was zijn derde vrouw. Ze kregen een meisje, een jongenstweeling en daarna mij. Bij een auto-ongeluk overleed de tweeling. Toen was het klaar.”

Slecht karma?

“Dat zouden ze hier zeggen. Haar eerste man dood, haar tweede man dood en dan ook nog de kinderen. Mijn vader zei tegen haar: ‘Wat de mensen zeggen over jou klopt, je bent behekst.’ Ze mocht niet meer naar binnen. Omdat ik een jongen was moest ik bij mijn vader blijven, mijn moeder mocht alleen haar dochter meenemen. En zoek het uit. Bij haar eigen familie was ze ook niet meer welkom. Ze is gaan zwerven. Na twee jaar mocht ze terugkomen van mijn vader, maar ze heeft het niet gered. Ze is overleden.”

Weet u waaraan?

“Nee. En niemand weet waar ze begraven is.”

Zoekt u nog?

“Het heeft geen zin. In Senegal heb ik de eerste zoon van mijn moeder ontmoet. Hij wilde niet mee, maar kon me wel helpen om de familie te vinden. In Casamance heb ik twee zussen van mijn moeder gevonden. Dat was bizar. Je komt in zo’n dorp, er is niet eens elektriciteit en opeens legden ze lakens voor me neer omdat ik niet over straat mocht lopen. Mijn moeder zou haar vader, de lokale koning, opvolgen en ik was haar laatste zoon.”

Zijn vader kwam uit Guinee, gevlucht voor de dictatuur van Ahmed Sékou Touré. Een selfmade man, ongeschoold. “Je moest van hem de Koran leren lezen en een goede moslim zijn,” zegt Sylla. “Dat vond hij voldoende educatie.” Met zijn vastgoed was hij rijk genoeg geworden om met vier vrouwen tegelijk te trouwen.

Een grote familie.

“Hij heeft 28 kinderen gekregen, waarvan hij er zeven heeft verloren. En daarnaast heeft hij in de loop van de jaren honderden mensen opgevangen, arme gezinnen met arme kinderen. We woonden in een gigantisch huis. Buren hadden we niet, het hele blok was van ons. Eten was nooit een probleem, al was het niet erg voedzaam. Slapen was moeilijker. Kinderen tot vijftien jaar hadden sowieso geen bed. Mijn vader zei altijd: als je hoofd een plek kan vinden om te rusten, be my guest. Hij had geen idee wie er in zijn huis woonden, dat interesseerde hem niet.”

Toch wijst het ook op gastvrijheid.

“Mijn vader werd in de stad door iedereen gerespecteerd. Ze volgden hem op straat, ze wilden hem aanraken, omdat ze dachten dat hij iets speciaals had meegekregen van God.”

Vond u het er leuk?

“Nee.”

Waarom niet?

“Ik was een jongen zonder moeder en mijn vader had geen tijd voor mij. Hij was bezig met wat er speelde in de stad, niet met wat er speelde in zijn huis. Er liepen continu mensen in en uit. Op mijn elfde werd ik voor het eerst seksueel misbruikt door een man die een keer in de week bij ons langs kwam. We waren als kinderen een vrije prooi.”

U was niet de enige?

“Dat denk ik niet. Ik was niet de favoriet van de man die mij misbruikte. Hij bracht meer tijd door met mijn twee maanden oudere broer. Die is vijf keer getrouwd en gescheiden, en kan nog steeds niet bij een vrouw blijven. Ik heb altijd het gevoel gehad dat hij ook slachtoffer was. Drie jaar geleden was ik in Parijs, waar mijn broer woont. Ik belde hem en zei: ‘Ik wil graag met je praten over onze jeugd.’ Hij antwoordde: ‘Waarover dan?’”

Beeld Lenny Oosterwijk

Opeens rollen er dikke tranen over zijn gezicht. Hij verontschuldigt zich. “Deze man heeft mijn leven verrot. Ik ben nog steeds bang om te gaan slapen. Elke nacht denk ik dat er iets gaat gebeuren. Ik heb therapieën gedaan. Natuurlijk ben ik nu meer in balans, maar nog steeds is het een gevecht. En mijn broer…”

Is dat Afrikaans: er niet over willen ­praten?

“Dat denk ik niet.”

Heeft u het andere familieleden ­verteld?

“Ik heb er twee jaar geleden voor het eerst over gepraat met een zus.”

Wat zei ze?

“Ze moest huilen. Ze zei: ‘Waarom heb je het nooit verteld?’ Nou ja, dat heb ik dus gedaan, veertig jaar later. Maar zij is de enige die het weet. De andere negentien weten nog steeds van niets.”

En uw vader?

“Op mijn twaalfde wilde ik het liefst dood. Gelukkig kon ik goed leren en kreeg ik een beurs van de overheid. Daarmee ben ik naar een kostschool in Saint-Louis gegaan, in het noorden van het land, zo ver mogelijk van huis. Na acht jaar wilde hij dat ik terugkwam naar Kolda, maar ik wilde niets meer weten van de familie. Ik wilde naar Europa. In 1988 ben ik gegaan, rond de kerstdagen. Ik dacht: dan zijn de blanken op hun liefst. Ik was doodsbang.”

U heeft hem nooit gevraagd hoe hij het heeft kunnen laten gebeuren?

“Ik heb hem 25 jaar niet gezien. In 1998 ben ik naar hem toe gegaan om vrede te sluiten. Hij was toen 92. Ik heb gezegd: ‘Laten we alles vergeten.’ Datzelfde jaar is hij overleden.”

“Toen ik klein was had ik het gevoel dat ik een apart kind was, dat ik iets vrouwelijks had. Ik dacht dat de man die mij dit heeft aangedaan zag dat ik een manvrouw zou zijn en daarvan profiteerde. Zo noemden wij dat in Senegal: een manvrouw, geen man en geen vrouw, maar iets ertussenin. Ik was aan het vechten om dat te verbergen. Het was ondenkbaar om daar met mijn vader over te praten. Eén keer ging het bijna fout. Die man moest mij slaan om te kunnen doen wat hij wilde doen. Mijn oog was helemaal dik. Mijn vader vroeg wat er gebeurd was. Ik heb een verhaal opgehangen dat ik midden in de nacht buiten moest plassen en dat ik was gevallen toen ik werd aangevallen door een roedel wilde honden. Alles om het maar niet te hoeven vertellen.”

Mag je in Senegal homoseksueel zijn?

“Vroeger wel, nu niet meer. Vroeger hadden bijna alle rijke families een manvrouw in dienst om in huis de dingen te regelen. Ze dachten: homo’s houden van feesten en behoefte aan seks hebben ze toch niet. Toen aids zijn intrede deed was het: neuken ze elkaar? Hoe dan?”

U bent zelf besmet met hiv.

“Bij mijn eerste vrijwillige seksuele contact in Frankrijk met een Franse jongen. Ik was al bijna dertig en woonde in Amiens, waar ik economie studeerde aan de Jules Vernes-universiteit.”

Wist u van het bestaan van hiv?

“Ik had ervan gehoord.”

Waarom heeft u uzelf niet beschermd?

“Wat viel er te beschermen? Niks. Weet je: als je slachtoffer bent van seksueel misbruik voel je je zo minderwaardig dat je allang blij bent dat er iemand is die verliefd op jou is.”

Wist u wel dat u homoseksueel was?

“Dat weet ik nog steeds niet. Ik zweer het je: ik weet het niet. Na die eerste ervaring heb ik in Amiens drie jaar samengewoond met een Senegalese jeugdliefde, een vrouw. In 1995 heb ik John Kattenberg ontmoet, met wie ik een jaar later naar Amsterdam ben gekomen. En nu woon ik weer samen met een Nederlandse vriendin. Wat doet het ertoe?”

Weet uw familie van de hiv-besmetting?

“Ik heb het aan één broer verteld. Wij zijn als enigen van de familie naar de universiteit gegaan en hij werkt nu op hoog niveau in de gezondheidszorg in Senegal. Ik dacht: hij begrijpt me wel. Maar hij zei alleen: ik hoor je. Om me daarna zeer dringend te adviseren om het tegen niemand te vertellen in de familie.”

Waarom niet?

“Dat heb ik niet gevraagd.”

Wat vond hij er zelf van?

“Niks.”

Was hij boos?

“Nee, gewoon niks. Ik ben nog tien keer bij hem geweest in Senegal, maar we hebben er nooit meer over gesproken. Ik heb hem ook nooit verteld over het seksueel misbruik.”

Wanneer ontdekte u dat u geïnfecteerd was?

“Ik wist dat de man die mij had besmet in Amiens positief was getest. Hij heeft mij gebeld en is met mij meegegaan om ook een test te laten doen. Na twee weken kwam de uitslag. Negatief, heb ik hem verteld. Hij was dolblij, maar ik had gelogen. Ik heb het resultaat nooit opgehaald. Ik wilde het niet weten, want wat weet je dan? Dat je doodgaat? Pas toen ik al met Orange Babies was begonnen werd het duidelijk. Ik was met John aan het wandelen in het Vondelpark en kon opeens niet meer lopen. De volgende dag ben ik naar de dokter gegaan en heb ik me opnieuw laten testen.”

Was John de eerste die u het vertelde?

“Terwijl ik aan het afwassen was, zodat ik hem niet aan hoefde te kijken. Het was moeilijk. Ik dacht dat ik dood zou gaan. Hij is naar me toegekomen en zei: maak je geen zorgen, het gaat niets in onze relatie veranderen. Waanzinnig.”

Was hij uw redding?

“In alle opzichten. Hij was verliefd op mij, hij gaf me een baan in zijn bedrijf en kon mijn juridische status in Europa reguleren. Hij gaf me zelfvertrouwen en zelfrespect.”

U bent niet meer met hem samen.

“Na vier geweldig jaren was het op. Daarna bleven we alleen bij elkaar omdat we bang waren weer alleen te zijn. Toen hij verliefd werd op een ander was hij weg. Het was prima, het was gewoon op aan beide kanten.”

Bent u nu gelukkig?

“Ik zie mensen die ten dode opgeschreven waren, maar door medicijnen, eten en zorg hun leven terugkregen. Dat is onbetaalbaar. Zelfs de mensen die het niet gered hebben blijven een bron van inspiratie. Er is mij pijn gedaan, maar nu weet ik: het was onwetendheid. Het is me nog maar pas geleden gelukt, maar ik heb geleerd om te vergeven, zodat ik eindelijk vrij kan zijn.”

Baba Sylla

10 februari 1962, Kolda, Senegal

1974-1980
Lycée Charles de Gaulle, Saint Louis, Senegal
1988
Vertrek naar Europa na een jaar studie aan de universiteit van Dakar
1990-1992
Studie economie, Université de Picardie Jules Verne, Amiens, Frankrijk
1996
Vertrek naar Amsterdam, na een ontmoeting met John Kattenberg in Parijs
1997-2005
Manager bij House of Orange make-upschool, Amsterdam
1999-heden
Oprichter, directeur en adviseur van Orange Babies

Sylla woont samen met zijn vriendin in het centrum van Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden