PlusReportage

Op zoek naar de verdwenen glas-in-loodramen van Paradiso

Herinneringen aan haar jeugd ziet Patricia Wessels (54) terug in de glas-in-loodramen van Paradiso. Als haar vader Fred, oprichter van de poptempel, overlijdt, gaat ze op zoek naar de verdwenen ramen.

Beeld Marie Wanders

Wonderen bestaan, zei mijn vader vaak. Daar denk ik aan, als ik na zijn dood op zoek ga naar de vensters uit mijn jeugd.

Toen hij in 1968 met een paar vrienden Paradiso oprichtte, in de kerk aan het Leidseplein die hij met een groep hippies had gekraakt, nam hij vier kleine glas-in-loodramen mee naar huis. Ik herinner me hoe die kerkramen als een kamerscherm bij het bed van mijn ouders stonden. Voor het ‘heilige der heilige’, zoals mijn vader het noemde. En zijzelf waren ‘kinderen van het paradijs’, wat seksualiteit en naaktheid met onschuld bedekte en wat het verlangen naar liefde, vrede en vrijheid van jongeren vlak na de oorlog, treffend verwoordde.

Eigenlijk was mijn vader op zijn zevende al hard uit het paradijs gevallen, toen zijn vader tijdens de oorlog voor de deur werd doodgeschoten. Daarna geloofde hij niet meer in God. En al gauw ook niet meer in andere autoriteiten. Hij vond het verbijsterend dat de oude gevestigde orde de draad na de oorlog gewoon weer wilde oppakken alsof er niets gebeurd was. Zuilen, hokjesdenken, paternalisme, het had niet gewerkt en was achterhaald. Met vrienden organiseerde hij ludieke acties om het gezag te provoceren en de geldende regels te toetsen.

De waarheid is kwijt, constateerde mijn vader. De vrienden spraken af dat ieder op zijn eigen manier op zoek zou gaan naar een nieuwe waarheid in kunst, politiek en spiritualiteit. Wie iets van betekenis vond, zou het met de anderen delen. En je kon wel wachten tot je dood was, maar het leek hen slimmer om intussen zelf het paradijs op aarde te creëren. Een plek waar ze alles wat ze interessant en waardevol vonden bij elkaar brachten; van yoga en bewustzijnsverruimende ervaringen, tot de beste muziek van de wereld. De naam van hun nieuwe tempel aan het Leidseplein was snel gevonden.

Omdat mijn vader kunstenaar was, werd hij de artistiek directeur van Paradiso. Een taak die hij ruim opvatte. Hij nodigde internationale bands uit, regelde voor sommigen meteen een heel tournee en reed de artiesten rond met zijn eigen Volkswagenbus. Daarnaast ontwierp hij de affiches voor Paradiso die leken op zijn schilderijen en ook de gevel van Paradiso beschouwde hij als schildersdoek.

Onderdeel van de kosmos

De ene keer versierde hij de tempel met gouden franje van folie langs de daklijsten, de volgende keer werd het hele gebouw rood, wit, blauw geschilderd. Of hij liet een baldakijn vol sterren maken, dat van de hemel – lees dak – naar beneden daalde tot vlak boven de hoofdingang, zodat iedere bezoeker zich onderdeel kon voelen van de kosmos.

Patricia Wessels en haar moeder bij de ramen in 1969. Beeld Marie Wanders

Binnen zette hij zijn fascinatie voor de kosmos en de onbegrensde mogelijkheden van zijn tijd voort, met happenings. Iets belangrijks als de eerste landing van de mens op de maan bijvoorbeeld, moest je volgens hem samen beleven, dat was verbindend. Op een kerkwand monteerde hij een kleine honderd televisietoestellen, waarop bezoekers de astronauten live konden volgen. Een lightshow met vloeistofdia’s en muziek die van boven kwam, van een band op een hoogwerker, moesten er een kosmische ervaring van maken. Ik was drie en ook aanwezig, samen met mijn babybroertje.

Sommige internationale artiesten die mijn vader naar Nederland haalde, logeerden niet in hotels maar in de tussenkamer van onze etage in de Hemonystraat. Met aan de andere kant van de schuifdeur een kamerscherm van kerkramen.

Mijn hele jeugd hadden die ramen een plekje in ons huis, ook na de scheiding van mijn ouders. Voor mij staan ze voor de tijd in mijn leven dat alles nog heel was; het gezin waar ik uit kom, de liefde tussen mijn ouders en mijn onbevangenheid.

Op mijn zesde gingen mijn ouders uit elkaar. Mijn vader vertrok naar de andere kant van de wereld en bleef vijf jaar weg. De kerkramen bleven bij ons, als constante in het nieuwe huis in de Jordaan, waar ik met mijn moeder en broertje ging wonen. Met het vervliegen van de hoop dat mijn vader bij ons terug zou komen en met de komst van een nieuwe partner van mijn moeder, kregen de ramen een steeds minder prominente plaats in ons huis. En ten slotte – ik was inmiddels uit huis – belandden ze in de tuin.

Daar trof ik ze tot mijn schrik aan, nu 21 jaar geleden. “Mama, wat doe je nou?

Zo gaan ze kapot!”

“Dat zijn ze al, daarom heb ik ze buiten gezet.”

“Ik zou ze laten restaureren,” zei de vriend die bij me was.

“Als jij ze laat restaureren, mag je ze hebben,” antwoordde mijn moeder.

En zo werden de ramen uit mijn jeugd, één van de weinige dingen die nog over waren uit de tijd dat mijn ouders samen waren, weggegeven waar ik bij stond.

Ik betreurde het dat mij niet eerst is gevraagd of ik belangstelling had, maar ik schaamde me voor mijn eigen ongenoegen daarover. Als mijn moeder net iemand had blij gemaakt, wie was ik dan om dat weer ongedaan te maken? De vriend verhuisde en verdween uit mijn leven en daarmee verdwenen ook de vertrouwde vensters.

Patricia Wessels met daarachter de ramen uit Paradiso. Beeld Marie Wanders

Inmiddels schaam ik me niet meer voor mijn eigen gevoel. In de loop van de tijd besefte ik dat ik weliswaar niet gezien werd bij het weggeven van de ramen, maar dat ik zelf ook niet heb laten weten dat het persoonlijke waarde voor mij had. Het leek me evident. Twee jaar geleden spoorde ik de verloren vriend op via Facebook en stuurde hem een bericht met de vraag of ik de ramen, als hij die nog had, misschien mocht overnemen. Geen antwoord.

Toen mijn vader afgelopen januari overleed, verlangde ik sterk naar iets tastbaars van hem om me heen. Iets troostends uit de tijd dat hij nog bij ons woonde. Ik schreef de oude vriend opnieuw. Eind april kreeg ik plotseling een reactie.

Nog maar één raam

Als ik eerder gekomen was, had ik het raam zo van hem kunnen krijgen, maar inmiddels zat er een hele geschiedenis aan vast, schreef hij. Ja, ‘het’ raam: het was er nog maar één. Na restauratie door een glazenier aan de Bloemgracht was dat alles wat hij had teruggekregen. Hij heeft het lang gekoesterd als een decorstuk. Maar een paar jaar geleden gaf hij het weg aan een glazenier uit Alkmaar, die bij hem was voor een klusje aan een deur en het raam wel mooi vond.

Ik hoopte maar dat die glazenier niet wist dat het raam uit Paradiso kwam, want dan was de kans groter dat het al was verkocht. Ik reed naar de mij bekende winkel van De Alkmaarse Glazenier, maar bij aankomst bleek het pand leeg te staan. Was de man met pensioen? Weer thuis vond ik een telefoonnummer dat nog werkte en ik kreeg glazenier Roel Hildebrand direct aan de lijn. Zijn atelier was onlangs verhuisd naar een ruimte om de hoek. Ik mocht donderdag langskomen.

Donderdagochtend.

Ik heb geen idee hoe ik het moet aanpakken. “Help me maar een beetje, papa,” zeg ik en meteen daarna denk ik: ik kan verhalen vertellen. Ik vertel de glazenier het verhaal van het kerkraam. Hij neemt de tijd om te luisteren, een knappe, gebruinde man in werkmansbroek. Op veilige corona-afstand, aan de andere kant van de werktafel, zie ik dat hij meeleeft en begaan het hoofd schudt, als ik vertel hoe mijn moeder het raam weggaf zonder aan mij te denken. Ik zie dat het gemeend is. Juist daardoor voelt het bijna confronterend om de laatste zin uit te spreken: “En toen werd het aan u gegeven...”

“Aan mij,” herhaalt hij. “Toen je over Paradiso begon, had ik al willen zeggen: misschien heb ik nog wel een raam uit Paradiso. Want één ding heeft die verloren vriend goed gedaan: hij heeft mij verteld waar het raam vandaan komt. Door de verhuizing naar deze veel kleinere ruimte heb ik onlangs echter twee derde van mijn hele glas-in-loodvoorraad in één keer verkocht aan een handelaar in Friesland. Ik wil je niet voor niets blij maken, maar er is een kleine kans dat ik dit raam heb achtergehouden, juist omdat ik wist dat het uit Paradiso kwam; zoiets verkoopt makkelijker. Maar ik weet het niet zeker. Ik zou naar mijn opslagplaats op het industrieterrein moeten rijden, om te zien of ik het echt nog heb.”

Richting industrieterrein

Een paar minuten later mag ik in zijn glazeniersbus stappen en rijden we met een celloconcert door de speakers richting industrieterrein.

Zou ik het raam nog herkennen? Ik probeer het me voor de geest te halen en zie vaag groen glas voor me. Het volgende moment twijfel ik of het niet blauw was.

Opening in 1968 van de verbouwde kerk van de Vrije Gemeente, vanaf dan Paradiso. Beeld Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/IISG/AHF/Ben van Meerendonk

“Ik zou het raam niet kunnen tekenen, het is al zo lang geleden,” biecht ik op.

“Volgens mij zitten er wat jugendstil-elementen in,” zegt de glazenier vanachter zijn mondkapje.

“Oh ja?“

“Zeer waarschijnlijk een ontwerp van de beroemde glazenier Jan Schouten uit Delft.”

Ineens zie ik een vlam voor me. Of is het een bloemknop? Het beeld verheugt me, alsof ik door het sleutelgat heb weten te kijken van een kelderkast in mijn geheugen.

“Zit er ook een soort vlam in, met gebrandschilderd bruin op... eh, wit glas?”

“Zou best kunnen, dat soort dingen maakte Schouten wel.”

De glazenier toetst een deurcode in, opent een schemerige opslagplaats en loopt direct door naar achteren. Laat het waar zijn, denk ik en dan komt hij aanlopen met een smal raam. Groen en blauw. En met drie gebrandschilderde vlammen op... oranje glas natuurlijk. Het duurt twee seconden en dan, in een feest van herkenning, valt het beeld weer samen met de blauwdruk in mijn geheugen.

“Je weet niet half hoe blij je me maakt,” stamel ik en begin te huilen. Van ontroering om de vlammen, om het weerzien, om het terugvinden van iets heel vertrouwds. Alsof het raam nu eindelijk thuiskomt. Of misschien is het andersom, kom ik zelf een beetje meer thuis.

Fred Wessels, hoogstwaarschijnlijk in witte overall, schildert de ingang feloranje, 1968. Beeld Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/Anefo/Fotograaf onbekend

Glazenier Hildebrand wil er niets voor hebben. Hij pakt het raam in en geeft het me gewoon. “Zo had het al veel eerder moeten gaan,” zegt hij. “Deze hoort bij jou.”

Wonderen bestaan, zei mijn vader al.

Epiloog

Het glas in lood staat op de brede vensterbank voor het raam, zodat het licht er mooi doorheen valt. Een schilderijtje. Het groen van het glas komt terug in de levende omlijsting van het groen op de achtergrond in mijn tuin. Die tuin, denk ik, die moet nodig gesproeid.

Ik haal de waterslang uit het schuurtje in mijn achtertuin en trek hem door het huis naar voren. Even staan voor- en achterdeur tegelijk open, dan volgt een enorme klap. Mijn maag krimpt ineen als ik het kerkraam op de grond zie liggen.

Ik kniel en til het voorzichtig op. De glasschade lijkt beperkt, maar het lood is verbogen en het hout gebroken. “Oh nee...” zeg ik steeds, “Oh nee...”

Dan neemt neerhalende schaamte het over; ik heb niet voldaan, ben het niet waard op dit raam te passen. Anderhalve eeuw en vele handen overleefde het en nog maar net onder mijn hoede valt het kapot. Terwijl ik de beste zorgdrager ooit had willen zijn. Het liefst zou ik deze gênante slotscène verzwijgen. Zeker nu ik net het euforische verhaal geschreven heb over het terugvinden van dit raam. Wat moet ik anders? Van een happy end naar een dramatisch einde? Ik wil er niet aan, ik wil het wonder bewaren, het verhaal was rond.

Het gezin Wessels bij een rondvaartboot in Amsterdam, jaren zeventig. Beeld Marie Wanders

Maar het verhaal gaat door. Ook dit hoort nu bij de geschiedenis van het venster; soms geeft een windvlaag een wending aan het lot. Het noopt tot bescheidenheid over mijn rol. Misschien was ik te graag de held in dit verhaal. Gewoon mens zijn is eigenlijk makkelijker. Als mijn schaamte er gewoon mag zijn, of beter nog, als ik mezelf vergeef dat ik de val niet kon voorkomen, hoeveel heb ik dan nog te verbergen?

Dan pas valt me het stof op dat door de klap is vrijgekomen, terwijl ik het raam nog zorgvuldig had schoongemaakt. De vloer ligt bezaaid met dikke, opeen geperste zwarte klonters. Verwonderd raak ik ze aan, deze relieken uit de tijd, tastbaar verleden. De lakens op het bed van mijn ouders zitten er in, mijn moeders zelfgemaakte broek van een gehaakte beddensprei, de kunst van mijn vader, tabla’s en citars waarop muzikanten in onze tussenkamer speelden, mijn eigen wervelende spel. Maar ook stof dat met de gebeden opsteeg in de kerk van de Vrije Gemeente en DNA van de hand van de glazenier die de vlammen brandschilderde. Die vlammen... ze zijn nog heel!

Ik verzamel moed, pak de telefoon en bel De Alkmaarse Glazenier, in de hoop dat hij opnieuw een reddende engel kan zijn.

Patricia Wessels schreef De wensdagen, een boek over haar jeugd in de vrije jaren zestig en zeventig in de Jordaan.

1879

Bouw van de kerk op de Weteringschans voor de vooruitstrevende en zeer vrijzinnige Vrije Gemeente, die er een kleine eeuw zal samenkomen, tot er niet genoeg kerkgangers meer zijn.

1967

Het gebouw wordt gekraakt door een groep hippies, als er sloopplannen zijn om ruimte te maken voor een groot hotel.

1968

Met toestemming van de gemeente opent een groep jongeren er ‘Cosmisch Ontspanningscentrum Paradiso’. In de grote zaal zijn happenings en concerten, in de kelder is een spiritueel centrum. De eerste maanden treden er beroemde bands op als Pink Floyd, The Pretty Things en Captain Beefheart. Artistiek directeur Fred (Albert-Jan) Wessels (1937) kleedt de Paradisogevel steeds anders aan.

1970-1979

Veel glas-in-loodramen zijn in de loop van de tijd gesneuveld. De oorspronkelijke ramen die nog over zijn, met afbeeldingen van lichtende voorbeelden als Spinoza, Dante en Goethe, worden aan de buitenkant vervangen door houten panelen en aan de binnenkant door spiegels (symbolisch voor het beginnende ik-tijdperk).

1993

Grote verbouwing. Kunstenaars Berend Strik en Hans van Houwelingen ontwerpen nieuwe glas-in-loodramen met het thema ‘De Moderne Moraal’. Elk raam belicht een modern ethisch vraagstuk, van klonen en euthanasie tot de stijgende zeespiegel. De kunstenaars vereeuwigen ook zichzelf in de ramen, Strik naakt met erectie onder de MRI-scan, Van Houwelingen met zijn DNA-profiel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden