Amstel, vanaf de Utrechtsebrug.

Plus Longread

Op zoek naar de oorsprong van de Amstel

Amstel, vanaf de Utrechtsebrug. Beeld Lin Woldendorp

De vraag is simpel: waar komt het water in de Amstel eigenlijk vandaan? Verslaggever Lex Boon surft, roeit, fietst en neemt de trein om al wandelend in de Zwitserse Alpen te constateren dat het antwoord wat ingewikkelder ligt.

Misschien is het de ontluikende zomer in Amsterdam die het reisgevoel heeft aangewakkerd. Of is het gewoon iets wat een rivier zoals de Amstel doet. Het voortkabbelende water dat er elke dag heel nonchalant op wijst dat er, stroomopwaarts, ook een wereld te ontdekken is. Een plek waar het water wel is geweest, en jij niet.

Dus rijdt de trein langs het Amsterdam-Rijnkanaal, voorbij Utrecht en Arnhem. Daarna langs Duisburg en Düsseldorf om bij Basel voor het eerst de Rijn over te steken – de rivier die zich bij Keulen al even had laten zien. Vanaf Zürich is het dan nog anderhalf uur rijden. Eerst langs het majestueuze groenblauwe water van de Vierwaldstättersee en vlak voor de Gotthardtunnel linksaf, om via haarspeldbochten hoger de Alpen in te klimmen.

Het loopt dan tegen het einde van juni, maar hier hoog in de Zwitserse Alpen is de winter nog niet gesmolten. Grote delen van de hellingen zijn nog bedekt met witte eilanden. Eronder vandaan sijpelt water, naar beneden, op zoek naar de weg van de minste weerstand. Overal zijn kleine rivieren en watervallen te zien.

De Zwitserse Alpen; overal sijpelt water naar beneden. Beeld Lin Woldendorp

In het berghotel wordt het plan voor de volgende dag besproken: de wekker om half vijf, vanwege het mooie ochtendlicht. Het is nog zeker twee uur wandelen. De reis was eerder al begonnen op Google Maps, na een simpele vraag: waar komt het water in de Amstel eigenlijk vandaan? Wat is de oorsprong van dat blauwe lijntje, dat dichter bij de stad steeds breder en rechter wordt?

Na een uurtje scrollen blijkt het antwoord onverwacht ingewikkeld, met metrostations die opeens rivieren blijken te zijn met eindbestemming Amstel.

Neem bijvoorbeeld de Bullewijk, de rivier die zich bij Ouderkerk aan de Amstel bij de stroom richting de stad voegt. Volg het lijntje en de Bullewijk blijkt drie kilometer verderop te ontstaan, op de plek waar de Waver en de Holendrecht samenkomen. Maar waar komt dát water dan weer vandaan? Na de Holendrecht volgt het Abcoudemeer, de Angstel en het Amsterdam-Rijnkanaal. Voor je het weet ben je bij de Lek, de Nederrijn, het Pannerdensch Kanaal en de grens over bij Lobith tot ver in Duitsland. Tenminste, als je daarvoor niet al bent verdwaald in een van de vele andere mogelijke routes.

Probeer de wirwar van blauwe kronkels op het scherm te volgen en het is alsof je naar een heldere sterrenhemel kijkt en binnen tien seconden denkt aan hoe groot en onbegrijpelijk alles is, waarna je verward om je heen kijkt.

En dat is dan nog maar het spoor van één van de zijrivieren. Het leek beter om de hoofdroute van de Amstel op de ouderwetse manier te verkennen: als een ontdekkingsreiziger die de horizon tegemoet vaart.

Het water op

“Armen recht houden bij het trappen! Dan inbuigen, langzááám,” herhaalt Rob Florijn onvermoeibaar, terwijl de lange, ranke boot – vernoemd naar de rivier Gein, om het nog wat ingewikkelder te maken – door het water van de Amstel glijdt.

Florijn roeit al sinds zijn vijftiende en nu is hij 61. “Reken dus maar uit,” zegt hij. Dagen, weken, maanden moet hij op het water van de Amstel hebben doorgebracht. Zeker in de jaren zeventig, toen hij Nederlands kampioen werd en twaalf keer per week trainde. Of toen hij coach van de olympische dubbeltwee was, die in 1988 in Seoul goud won. “Zonder roeien zou ik gek worden. Als ik het een week niet heb gedaan, merk ik het gelijk: dan begin ik me lusteloos te voelen.”

Op de Amstel is hij na al die jaren nog niet uitgekeken. Hij ziet en voelt hoe de seizoenen in elkaar overgaan, en beleeft elke keer op het water weer wat nieuws. “Het is echt genieten, misschien wel steeds meer. Maar ik ben dan ook als een toerist op het water, en kan lekker om me heen kijken.”

Het punt waar de Kromme Mijdrecht en de Amstel samenkomen. Beeld Lex Salverda

Dat geldt niet voor iemand die nog nooit eerder heeft geroeid. “Armen recht!” roept Florijn weer. Hij beveelt naar de kruin van de stuurvrouw te kijken, die niet te zien is. Ondertussen botsen de handvatten van de peddels – sorry, riemen – tegen elkaar.

Soms gaat het even goed, en is er plots een soort ritme. Dan valt op hoe de omgeving richting Ouderkerk steeds groener wordt. Dat er tussen de rietkragen vissers zitten, een sloep voorbij vaart en een pontje wacht op klanten. In de verte is te zien hoe het verkeer over de A10 rijdt, in de lucht heeft een vliegtuig de landing ingezet. Ter hoogte van restaurant Klein Kalfje lijkt het stadsleven uit het zicht te verdwijnen. Alleen de bouwwerken die speciaal voor de horizon lijken te zijn gemaakt, zoals de blokken van het hotel in aanbouw bij de RAI, zijn te zien.

Maar als je even niet oplet – omdat je je bijvoorbeeld afvraagt of de Amstel-equivalent van een duif tussen je spaken het overvaren van een meerkoet is – gaat het mis. Dan blijft een van de riemen bij het terughalen per ongeluk in het water steken, waardoor de boot bijna kantelt.

Amsteleiland

Florijn vertelt over de Head of the River Amstel, de jaarlijkse roeiwedstrijd van Amsterdam naar Ouderkerk aan de Amstel, waar hij voorzitter van is. Een paar jaar geleden is besloten de richting om te keren: tegenwoordig wordt er in Amsterdam gefinished. Vanwege de sfeer, niet omdat stroomafwaarts makkelijker roeien is. “Daar merk je hier niets van,” zegt Florijn. “Zo snel stroomt de Amstel niet.”

Na wat roeiers de ‘Hoerenbocht’ noemen – een bocht waaraan geen einde lijkt te komen – besluit Florijn dat het tijd is om terug te keren. Het einde van de Amstel is nog ver weg, zelfs Ouderkerk wordt niet gehaald.

“Je was ook wel wat overmoedig voor een eerste keer,” zegt Florijn, als we terug bij roeivereniging Willem III de Gein uit de Amstel tillen.

Dan maar met de stadsfiets, de volledige 31 kilometer. Ditmaal voorbij de Hoerenbocht naar Ouderkerk aan de Amstel. Daarna door, langs de graafmachines die bezig zijn met het saneren van Amstel­eiland – het eiland dat ooit ontstond toen de meanderende rivier hier recht werd getrokken, lang dienst deed als scheepswerf, werd gekraakt en waar binnenkort een luxe villawijk moet verschijnen.

De sluis bij Nieuwveen Beeld Lex Salverda

Pas nu valt op hoe hoog de Amstel eigenlijk ligt, vergeleken met de omgeving. Aan de overzijde van de rivier komen de daken soms nét boven het water uit. Het is dankzij de dijken dat het water Amsterdam überhaupt bereikt, en niet wegstroomt naar het afgegraven en verzakte veenlandschap dat meters lager ligt.

Nes aan de Amstel verschijnt, vervolgens Uithoorn en niet veel verder is de plek die vaak wordt genoemd als het beginpunt van de Amstel: het punt waar de Kromme Mijdrecht met een andere stroom samenkomt. Ooit heette die andere stroom de Drecht, daarna werd die Amstel-Drechtkanaal genoemd en nu blijkt hij gewoon Amstel te heten – een geruisloos genomen besluit van de provincie in 1991, waardoor de Amstel sindsdien zeven kilometer langer is.

Fiets dat laatste deel af en het lijkt of de Amstel niet meer stroomt. Op het einde, tegen de grens van de provincie Zuid-Holland, bevindt zich een sluis die het water tegenhoudt. Daarachter ligt het waterpeil verwarrend genoeg een stuk lager.

Het officiële begin van de Amstel is dus een doodlopend punt. En mocht het wel stromen, doordat de sluisdeuren opengaan, dan stroomt de Amstel hier eigenlijk de verkeerde kant op: van noord naar zuid.

Misschien was dat de belofte van Zwitserland geweest: een écht duidelijk begin, slechts op twee uur uur wandelen van treinstation ­Oberalppass. Nu blijkt dat het misschien wel langer gaat duren: de sneeuwvelden liggen op sommige plekken als gletsjers over het wandelpad.

De Amstel begint bij de Tolhuissluis en eindigt 31 kilometer verderop bij de Munt. De rivier wordt gevoed door waterzuiveringen en poldergemalen, en door water dat via een netwerk van rivieren en kanalen vanuit het zuiden naar de Amstel stroomt. Beeld Laura Van Der Bijl

Terwijl de lager gelegen wolken zich een weg door het alpendal proberen te banen, begint het voorzichtig klauteren over het ijs, met het risico een meter of twintig naar beneden te glijden en – vanwege het gebrek aan handschoenen – al snel ijskoude vingers.

Dat terwijl eerder die week, op het kantoor van Waternet aan de Amstel, water­expert Maarten Ouboter al had gewaarschuwd voor een te romantisch beeld van het ontstaan van een rivier. “Iedereen heeft een idyllisch beeld van een bron. Je hebt een berg, er valt sneeuw en regen, er ontspringt een rivier en die stroomt – met op de achtergrond een mooi muziekje erbij – naar beneden tot aan de zee. Dat is de simpele beeldspraak, met het hoogste punt op die route als bron. Maar hier in Amsterdam zitten we onder zeeniveau. En de rivier ligt hoger dan het land eromheen,” had hij gezegd, waarna hij even stil was. “Dus wat is dan nog de bron?”

Drinkwater

Het antwoord daarop kwam in een powerpointpresentatie met tientallen sheets en is niet eenduidig: waar het water in de Amstel vandaan komt hangt af van waar je meet en wanneer. Neem bijvoorbeeld het water dat onder de Berlagebrug doorgaat.

Op een droge dag bestaat dat water voor ongeveer 50 procent uit Weespertrekvaartwater, dat vlak voor de Omval de Amstel instroomt (en uit het Amsterdam-Rijnkanaal komt). Als het heeft geregend, gaat het niet om 50 maar slechts 20 procent.

Meet je de Amstel onder de A10, dan zit het water uit de Weespertrekvaart er nog niet bij. Daar bestaat de Amstel voor het grootste deel uit opgepompt water van de polders langs de Amstel en de Kromme Mijdrecht. Maar ook uit het drinkwater dat in Amstelveen door het putje gaat, en na zuivering in de Amstel wordt geloosd: dat is zo’n 20 procent van het water.

“Wat is een bron?” zegt Ouboter nog maar eens. “De Amstel is water uit het stroomgebied van de Rijn dat wordt bijgemengd. Als het echt heel nat is, zorgen de gemalen bij de polders voor een gigantische stroom water door de stad richting IJmuiden. Dan giert de Amstel hier langs.”

Vanaf het hoofdkantoor van Waternet, met zicht op de Berlagebrug. Beeld Lin Woldendorp

De belangrijkste bron voor de Amstel is volgens Ouboter de polder Groot-Mijdrecht, die bijna zeven meter onder NAP ligt. Dat is volgens hem alsof je een vergiet in een badkuip drukt, waarbij het water via de gaatjes alsnog naar binnenstroomt. Maar waar komt dát water dan weer vandaan?

Onder andere uit de naastgelegen ­Vinkeveense Plassen, die veel hoger liggen, en waar elke dag water uit wegsijpelt. Ook drukt het brakke grondwater van diep onder de oppervlakte naar boven.

Dat is brak, omdat het zesduizend jaar oud is, van toen dit gewoon een zee was. “De polder Groot-Mijdrecht is als een omgekeerde berg, waar altijd water omhoog komt. Het is dus een altijd stromende bron.”

Omgekeerde stroming

Twee dagen later is het is opvallend stil in gemaal Winkel, dat aan een dijk bij de rivier de Waver ligt. Vrijwel geruisloos wordt er tot 300 kuub water per minuut ruim zes meter omhoog gepompt. Vanaf de dijk zie je het water de Waver instromen, als weinig spectaculaire rimpelingen. Of het nu linksaf (richting Nes aan de Amstel) of rechtsaf (richting de Bullewijk) stroomt: het komt altijd de Amstel in.

Het proces is computergestuurd, op basis van actuele waterstanden, maar op de wand naast de twee groene pompen in het gemaal zitten tientallen knoppen en schakelaars voor handmatige bediening. Onder het bordje met ‘Pomp 1’ zit een kleine zwarte knop: ‘stop’, staat er op.

Dit is de kraan van de Amstel, en met een druk op de knop draai je hem dicht. En natuurlijk, dit is Nederland: alles, zelfs de stroom van de rivier, is procesgestuurd. Dat de Amstel überhaupt stroomt, is te danken aan een nog veel groter gemaal (en een spuisluis) bij IJmuiden die water naar zee pompt, waardoor het water via het Noordzeekanaal door de stad wordt gezogen. Als het heel droog is en het achterland juist water nodig heeft, kan de sluis bij het officiële begin van de Amstel worden opengezet. Met hulp van het gemaal bij Zeeburg stroomt de Amstel dan gewoon even de andere kant op, zoals in 2003 gebeurde. De onbekende wereld waarmee de Amstel had gelonkt, is helemaal niet onbekend. Veel Hollandser krijg je het zelfs niet.

Misschien was het juist daarom zo aantrekkelijk om naar de Zwitserse Alpen te gaan, écht naar de natuur. Bovendien had Ouboter, in zijn pogingen het beeld van een bron in de Alpen te demystificeren, toch de deur op een kier gehouden. “Dat Rijnwater dat via het Amsterdam-Rijn­kanaal de Amstel in stroomt komt ­natuurlijk ook niet echt uit de bergen,” had hij gezegd. Langs de route van de Rijn in Duitsland en Zwitserland regent het immers ook, en wordt ook water uit de zuiveringen geloosd. Maar, en dat was de kier: “In theorie moeten die allereerste waterdruppels er nog in zitten. Alleen is de verhouding misschien 1 op een miljard, dus weet ze maar eens te vinden.”

Dat leek niet zo ingewikkeld: zorg ervoor dat je op de plek bent waar de rest van het water er nog niet bij is gekomen en je ziet alleen die druppels. Alleen blijkt die plek moeilijker bereikbaar dan verwacht. Het voorzichtig klauteren over de sneeuwvlaktes vertraagt. En na twee uur wandelen, moet de echte klim nog beginnen. En nu al ligt er steeds meer sneeuw, en zijn er bordjes die waarschuwen voor ondergrondse rivieren onder de sneeuwoppervlakte. Zo wordt de route naar de verste bron van de Amstel steeds lastiger om te volgen. Eigenlijk net zoals het einde van de Amstel, dat ook al een tijd zoek is.

Cultuurhistorische motor

Terwijl trams en fietsers over de Nieuwe Brug bij CS raasden, hadden Ranjith Jayasena en Jerzy Gawronski van Monumenten en Archeologie verteld over de getijdegeul die hier ooit liep, zo’n drieduizend jaar voor het begin van de jaartelling. Het was een aftakking van een zeearm, waarbij het zoute water soms doorstroomde tot voorbij de Omval.

Dat was vierduizend jaar later veranderd, toen de getijdegeul helemaal was verzand. In het nieuwe veenlandschap zorgde een zoetwaterriviertje ervoor dat het overtollige water weg kon lopen. Dat riviertje liep door tot ver in Noord, tot in de 12de eeuw de grote stormen kwamen. Gawronski: “Door de Allerheiligenvloed in 1170 werd het IJ een volwaardige zeearm van de Zuiderzee. Voorheen zat de afwatering van de Amstel verstopt met veen en riet, maar nu kon het opeens doorstromen. Zo hard, dat de Amstel het hele achterliggende landschap leegtrok.”

Jayasena: “Eerst was dit gebied een drassig afvoerputje...” Gawronski: “En nu was deze plek opeens interessant: er was een nieuw knooppunt, een maritiem netwerk, waar je kon wonen zonder natte voeten te krijgen. De Amstel was de cultuurhistorische motor die alles in gang zette.”

Vanaf de Nieuwe Amstelbrug. Beeld Lin Woldendorp

De rest is bekend: handelaren en ambachtslieden zagen een geweldige kans en vestigden zich langs de Amstel. Een eeuw later werd er een dam in de Amstel gebouwd en het toekennen van het tolprivilege in 1275 aan de bewoners van Amestelledamme was de officiële start voor de groei van Amsterdam.

Alleen is het punt waar de Amstel en het IJ elkaar raakten, zo belangrijk voor het ontstaan van de stad, verdwenen. In de 19de eeuw werd het Damrak gedempt, in de jaren dertig van de vorige eeuw volgde het stuk tussen het Spui en de Dam.

Lange tijd liep het water gewoon nog rechtstreeks richting het IJ, via een ondergrondse waterloop en duikers naar het Damrak. Eind jaren zeventig lag de binnenstad nog maanden open voor ‘operatie hartslagader’, waarbij de verstopte waterloop werd gerestaureerd. In de jaren daarna is de hartslagader alsnog opgevuld met leidingen. Net zoals dat de Amstel in de jaren negentig geruisloos zeven kilometer langer werd, heeft niemand stilgestaan bij het moment dat de Amstel écht uit de oude binnenstad verdween – ook al liep hij alleen nog ondergronds.

Geen stroming

Maar waar eindigt de Amstel dan? De Amstel is op zijn hoogtepunt tussen de Omval – als de Weespertrekvaart er net bij is gekomen – en net voorbij de Berlagebrug. Op een droge, zomerse dag stroomt daar 2,4 kuub water per seconde. Een deel verdwijnt al snel: ter hoogte van café Hesp slaat elke seconde een halve kuub water linksaf naar het Amstelkanaal.

Verder richting de stad spoelt er veel water links en rechts naar de grachten. Het water gaat daardoor steeds langzamer stromen. Aangekomen bij hotel De L’Europe wordt er nog maar 0,7 kuub water per seconde verplaatst. Daarna gaat de Amstel over in de Singel en het Rokin, en is de rivier plots verdwenen.

Het water blijft nog even hangen: vanaf hier kan het gerust nog twee weken duren voordat het water een weg heeft gevonden naar een van de nooduitgangen naar het IJ. Zo is het einde net als het begin van de Amstel: het stroomt er niet.

Onbereikbaar doel

In Zwitserland stroomt het wel. Het begint een meter of honderd hoger op de bergwand. Het water perst zich daar door een spleet en stort naar beneden, waardoor een smalle, maar woest stromende rivier ontstaat.

Het water komt uit de Tomasee, die zich achter de besneeuwde richel bevindt, en bekendstaat als de bron van de Rijn, de verste bron van de Amstel en het inmiddels onbereikbare doel van deze reis. Dichterbij komen gaat niet lukken.

Amsterdam voelt heel ver weg, en het is moeilijk voor te stellen dat dit water echt de Berlagebrug zal bereiken.

De Amstel is een rivier zonder duidelijk begin en zonder duidelijk eind, die we als we willen alle kanten op kunnen laten stromen, en heeft ook geen duidelijke bron. Water uit tal van rivieren, dat weer afkomstig is van regenwater, gezuiverd water of oeroud grondwater mengt met elkaar. En ook al dat water komt weer ergens vandaan, en is in een vorig leven samengesteld uit verschillende bronnen. Zoals het water dat nu van de berg rolt ook ooit ergens moet zijn verdampt (en waar komt dát water dan weer vandaan?)

Alles is met elkaar verbonden, alles wijst naar elkaar. Een beetje zoals Amsterdam zijn naam ontleent aan de Amstel, (damme in de Amestelle), maar de Amstel zelf weer is vernoemd naar het land (Amestelle betekent waterachtig gebied).

Maar hier, op deze prachtige plek, is de dag inmiddels begonnen. De zon warmt alles op, de jassen kunnen uit. Het water uit het beginnende riviertje dat onder het wandelpad doorstroomt – en officieel de Voor-Rijn heet – is ijskoud, maar heel lekker om te drinken. De sneeuw zal binnen een paar weken zijn verdwenen. En even, ver weg van de stad, voelt het als zomer­vakantie. En waarom zou je op dat moment niet even genieten, in plaats van je druk te maken om waar het water in de Amstel vandaan komt? 

Hoog in de Zwitserse Alpen – dicht bij de bron. Beeld Lin Woldendorp
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden