PlusInterview

Op pad met stadsecoloog Martin Melchers: ‘Het Amsterdamse Bos was mijn psychiater’

Martin Melchers (76) speelt nog dagelijks buiten. De stadsecoloog schreef een ‘kleine biografie’ over de natuur van Amsterdam. Hij geeft PS een persoonlijke rondleiding.

Stadsecoloog Martin Melchers, met op de achtergrond het Westelijk Havengebied: ‘In de natuur verdwijn ik een beetje.’ Beeld Susanne Stange
Stadsecoloog Martin Melchers, met op de achtergrond het Westelijk Havengebied: ‘In de natuur verdwijn ik een beetje.’Beeld Susanne Stange

Er wonen gewoon mieren onder de tegels! Zo herinnert stadsecoloog Martin Melchers zich zijn eerste verwondering over stadsnatuur. Hij moet een jaar of vier geweest zijn. Het potje knikkeren kon hem verder gestolen worden.

Toen hij tien was besloot hij een boek te schrijven over de natuur van Amsterdam. Hij wilde delen wat voor spannends hij allemaal meemaakte. Verder dan een paar zinnen in een schriftje en wat foto’s van dieren kwam hij niet.

Later, véél later, in 1991, verscheen Haring in het IJ. ­Jarenlange veldstudies die hij vanaf zijn vroege jeugd deed, verzamelde hij daarin. Van elk stadsdeel wist hij precies wat voor dieren er leefden. Nooit eerder was er een dergelijk boek verschenen over de Amsterdamse stads­natuur.

Nog steeds ‘speelt’ Melchers dagelijks buiten. “Ik snap niet dat mensen zich niet ongelofelijk vergapen aan alle levensvormen om zich heen,” zegt hij. “Er is altijd wat te ontdekken, is altijd mijn motto geweest. Ga van de paden af, de terreinen in en je loopt van het ene avontuur in het andere.”

Over alle belevenissen van 76 jaar Amsterdamse stads­natuur verschijnt deze week zijn boek: Geluksvogel – Een kleine biografie van de Amsterdamse natuur.

Admiralengracht. Beeld Susanne Stange
Admiralengracht.Beeld Susanne Stange

Admiralengracht 124

“Daar ben ik geboren en heb ik tot mijn tiende gewoond. Als je de gracht volgde richting Erasmuspark kwam je aan de rand van de stad. Aan de andere kant van de Westlandgracht en de Postjeskade begonnen de weilanden. In de verte lag een dijk waar het ringspoor gepland lag. Op die dijk ving ik als tienjarig jongetje zandhagedissen. Die deed ik in mijn etui met wiskundespulletjes. ‘Wat zit je toch te rommelen?’ vroeg de wiskundeleraar. ‘Ik heb jeuk,’ zei ik dan. Op ons platte dak met grind had ik een glazen terrarium gemaakt en daar zaten lange tijd twee vrouwtjeshagedissen en een mannetje in. Het vrouwtje ging ook eieren leggen, maar ik wist toen nog niet hoe ik daarmee om moest gaan.”

“Ik had een schat van een moeder. Ze werd niet boos als ik onder de smurrie en met scheuren in mijn kleren thuiskwam. Zelf mocht ze van haar ouders nooit vies worden en dat wilde ze bij haar eigen kinderen anders doen. Dat ik soms in levensgevaar had verkeerd, was geen onderwerp van gesprek. Bouwgebieden werden helemaal niet afgezet in die tijd. Ik was een jaar of acht toen ik bij de Ringdijk tot mijn middel in het drijfzand wegzakte. Dat had mijn einde kunnen betekenen. Ik moest echt vechten om eruit te ­komen.”

“Met een zeef aan een bamboestok ving ik stekelbaarsjes onder een bruggetje. Als een reiger zat ik te vissen. Ik heb ze thuis in een vaas gehad. Maar ze verdwenen ook heel snel. Mijn vader spoelde ze door het riool. Dat kwam volgens hem toch op de gracht uit – maar dat was niet zo.”

“Op de mulo zag de biologiejuffrouw dat ik vroeg in het voorjaar al door de zon beschenen was. ‘Waar ga je naartoe?’ vroeg ze. ‘Ik zoek vogelnesten.’ Ze wilde een keer mee. Het was een hele mooie juf, ik was een jaar of veertien. Ik nam haar mee naar de Kabelweg, dat was een paradijs. Ik liet haar plevieren zien. Ze was onder de indruk: die had ze nog nooit gezien. Sindsdien had ik voldoendes op mijn rapport.”

Westelijk Havengebied

“Toen ik klein was, bestond dat nog uit akkers waar ze suikerbieten en graan verbouwden. Op een gegeven moment werd het tot havengebied bestempeld. Op de opgespoten velden was geen infrastructuur. Je ging ernaartoe en liep er dagen door te sjokken, bevangen door de hitte. Het was een toptijd. Een pioniersstuk met zand, er groeide nog niks. 120 paar kleine plevieren, 70 paar strandplevieren, 60 paar bontbekplevieren telden we. Kieviten, tureluurs, bruine kiekendieven. Daarna verschenen er orchideeën: 500.000! Het leken wel bollenvelden.”

“Van die natuur is nu nog 40 vierkante kilometer over. Die inventariseer ik nog steeds voor het Havenbedrijf. Sommige vrienden haken af omdat ze vinden dat er niks overblijft van de stadsnatuur. Maar ik heb geleerd: alles verandert. Als je een Amsterdamse natuurliefhebber bent, moet je je kaarten niet op één gebied zetten. Ik heb altijd minimaal vijf gebiedjes waar ik met plezier kom.”

Diemerzeedijk. Beeld Susanne Stange
Diemerzeedijk.Beeld Susanne Stange

Diemerzeedijk

“Bij de Diemerzeedijk zijn ecologisch gezien veel dingen misgegaan. Daar loopt een natuurnetwerk, maar er moest opeens een strandje komen. Voor waterspitsmuizen en ringslangen is dat een enorme onderbreking van de rietkraag.”

“Het was ooit een groot, open gebied. Toen ­Amsterdam het huisvuil niet meer kwijt kon, zijn ze het daar gaan gooien. Ze ontvingen er chemisch afval uit heel Oost- en West-Europa. Vaten arsenicum. Het was een van de giftigste plekken van Europa. Op een gegeven moment stopten ze ermee en heeft het terrein jarenlang braak gelegen. Op dat gif en puin ontstond een geweldig mooi ­gebied. Je mocht er niet komen, maar wij hadden een gat in het hek geknipt. Als ik op vakantie was geweest, ging ik altijd eerst even naar de Diemerzeedijk. Dan fietste ik door het hek, en stond daar meteen een hermelijn voor me, en een vos. Ik ving er waterspitsmuizen, dwergspitsmuizen, ringslangen. Voordat de vuilnisbelt gesaneerd werd, er zand overheen kwam, heeft een groepje van de universiteit behoorlijk wat ringslangen gevangen en verderop bij de Diemer Vijfhoek uitgezet. Een veelvoud ervan is ­begraven.”

“Nog steeds heb ik mijn eigen gebiedjes op de Diemerzeedijk. Daar kan je alleen komen met een waadpak aan. Laatst had ik een reebok op mijn wildcamera. En bijna elke dag boommarters.’

Vondelpark. Beeld Susanne Stange
Vondelpark.Beeld Susanne Stange

Vondelpark

“Er werd een boek geschreven over het Vondelpark en ik moest onderzoeken wat er allemaal leefde. De biodiversiteit bleek in de jaren negentig zorgwekkend laag. In de vallen die ik zette, ving ik niks. Je zou poelen moeten aanleggen en takkenrillen neerleggen. In de tuinen van de villa’s rondom zaten hier en daar nog wel kleine populaties salamanders, padden en kikkers, wist ik. Ik heb de Schapenweide mogen inrichten. Al in het eerste jaar na die ingrepen had ik de ene primeur na de andere. Voor het eerst in de geschiedenis gingen er bosrietzangers broeden in het Vondelpark, grasmussen en kleine karekieten. Laat die toeristen maar bij de vijver bij Vondel zitten, met uitzicht op échte natuur.”

Het Amsterdamse Bos. Beeld Susanne Stange
Het Amsterdamse Bos.Beeld Susanne Stange

Amsterdamse Bos

“We hadden geen cent te makken na de oorlog, dus onze vakanties gingen naar het Amsterdamse Bos. Dat vond ik heerlijk. Daar kon je zwemmen en vissen. Later ging ik er vogelnesten zoeken. Op de mulo was het Amsterdamse Bos mijn psychiater. Ik wilde niet deugen op school en daar kreeg ik pijn van in mijn maag. Ik moest Duitse woordjes opnoemen; dan was het blanco in mijn hoofd en stond je voor lul voor zo’n klas. Als ik uit school kwam, fietste ik naar het Amsterdamse Bos. Nadat ik een fazant en een haas had gezien, kon ik ontspannen en naar huis.”

“Nog steeds ga ik er graag naartoe. Het heeft iets rust­gevends, die grote bomen. Als ik nu naar buiten ga, zegt mijn vrouw: ‘Ga je lekker buiten spelen?’ Dat is het eigenlijk. In de natuur verdwijn ik ook een beetje. Ik houd op om Martin Melchers te zijn. Ik ben een soort lens die rondloopt en kijkt en kijkt. Dat is heel bevredigend.”

Martin Melchers: Geluksvogel – Een kleine biografie van de ­Amsterdamse natuur, KNNV Uitgeverij, €22,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden