Onderzoeker Iva Njunjić demonstreert hoe je een insectenvalletje met aas maakt.

PlusReportage

Op expeditie in de Slatuinen in plaats van het regenwoud

Onderzoeker Iva Njunjić demonstreert hoe je een insectenvalletje met aas maakt.Beeld Dingena Mol

Zij die de Slatuinen in West kennen, spreken van een ‘verborgen jungle’ in de stad. Buurtbewoners en biologen brengen er de allerkleinste beestjes in kaart.

De vergelijking van natuurtuin Slatuinen met een jungle is zeer op zijn plaats op een broeierige dinsdag in augustus. De lucht is zoetig van licht rottende vijgen, waar wespen overheen kruipen; de uitbundige begroeiing druipt na van een regenbui.

De vrijwilligers die zich er een weg doorheen banen, ­lijken met hun mondkapjes wel op een Colombiaans ­junglecommando, maar ze komen toch echt voor insecten en andere ongewervelden. De hele week wordt gewerkt om de biodiversiteitswaarde van de Slatuinen in kaart te brengen, onder professionele begeleiding van biologen Menno Schilthuizen en Iva Njunjić, oprichters en eigenaars van Taxon Expeditions.

Het tuinhuisje van de Slatuinen is omgebouwd tot laboratorium met een batterij microscopen en potjes met 70 procent ethanol. Voor vanavond staat de eerste lezing van de week op het programma (over bodemleven), maar eerst moeten er nog diertjes worden gevangen.

De deelnemers graven bodemvallen in en prepareren potjes waar zakjes met kip en kaas in bungelen. “Limburgse kaas werkt het beste, vanwege de geur,” zegt Njunjić, “maar die verkopen ze hier niet, hoorde ik in de winkels.”

Normaal zetten Taxon Expeditions en zijn vrijwilligers dergelijke vallen in de regenwouden van Borneo of Panama, waar ze zoeken naar nieuwe soorten insecten en ongewervelden, maar door de coronacrisis zijn die expedities voorlopig uitgesteld. “Op zulke plekken worden veel ­vallen leeggevreten door varanen of civetkatten,” zegt Schilthuizen. “Daar zullen we hier geen last van hebben.” Verwachte opbrengst van de kaasval in de Slatuinen: ­aaskevers, kortschildkevers en diverse vliegensoorten.

Bang voor een grasspriet

Marijke Kooijman is een voormalige biologielerares en al achttien jaar beheerder van de Slatuinen. Ze grijpt in als de insectenjagers in hun enthousiasme te hard door de vegetatie banjeren: “Pas op dat je niet op de goudveil staat.”

Spinnendeskundige Peter Koomen fotografeert gevonden insecten.Beeld Dingena Mol

De 3000 vierkante meter van de Slatuinen is een thuis voor diverse bijzondere plantensoorten en zeventien soorten broedvogels. “We hebben hier bosmuizen, salamanders, egels, padden en kikkers en planten als het ­lenteklokje en de giftige dodemansvingers.”

Kooijman ontvangt doorlopend schoolklassen uit de buurt om kinderen iets over de natuur te leren. Ze lepelt geen feiten op, maar vertelt verhalen. “Kirrewinne de kikker is een favoriet personage. Op straat kom ik soms langs pijlen getekend met stoepkrijt: ‘Hier woont Kirrewinne!’ Er komen jaarlijks tussen de zeshonderd en duizend kinderen en ik doe dit al tien jaar, dus ruim genomen heb ik misschien wel 10.000 kinderen over de natuur kunnen vertellen. Sommige kinderen durven als ze binnenkomen nog geen grasspriet aan te raken, maar na een tijdje zie je hun ogen opengaan voor libellen en vlinders.”

Dood door alcohol

Menno Schilthuizen demonstreert de meer spectaculaire vallen. Er is de Winklerextractor, een soort ‘keverzeef van parachutestof’. Je stopt er compost in en schudt – “alsof je aan het wokken bent.” Daarna gaat het restant aan aarde en blaadjes in een andere zak om te drogen. De beestjes ontvluchten de droogte en vallen via een trechter in een potje alcohol.

De malaiseval is een soort miniatuurtent, ook weer met een potje alcohol, geschikt om vliegende insecten te ­vangen. “Ik dacht altijd dat de naam malaise vanuit het perspectief van de insecten was gekozen, maar nu weet ik dat hij vernoemd is naar de uitvinder, René Malaise,” zegt Schilthuizen.

Rottend hout is een perfecte plek voor pissebedden. Beeld Dingena Mol

Evengoed staat Schilthuizen voor zijn vrijwilligers altijd even stil bij het in alcohol gedrenkte lot van de insecten, die sterven voor de wetenschap. “Sommige diertjes zijn zo klein dat je ze alleen dood onder de microscoop kunt ­bestuderen. Maar de aantallen die we hier vangen, brengen de populatie niet in gevaar.”

Zijn we tegenwoordig gevoelig voor het welzijn van ­insecten? “Ik denk het toch wel, ja. Ik zit in zo’n determinatiegroep op Facebook, waar laatst iemand een foto deelde van een hommel, opgeprikt op een speld. In de comments eronder ontplofte het meteen.”

Die betrokkenheid bij insecten zal stadsecoloog Geert Timmermans goed doen. Hij was de drijvende kracht bij de gemeente om Taxonexpedities te organiseren in de ­Slatuinen, eerder dit jaar de Wilmkebreek Polder in Noord en volgend jaar het Diemerpark. “De uitkomsten van de expeditie zullen uitwijzen of het ecologische beheer van het openbare groen vruchten afwerpt. We zijn selectief met maaien, laten dood hout liggen. Amsterdam wil een insectenvriendelijke stad zijn.”

Een belangrijke pre vindt Timmermans dat Taxon altijd samenwerkt met vrijwilligers, met citizen scientists. “Zo’n onderzoek levert daarmee meer op dan een artikel in een vakblad: Amsterdammers komen in contact met de kleine natuur, die direct achter je voordeur begint. Vaak nog ­associëren we insecten met overlast, maar we moeten er anders naar gaan kijken. Als het goed gaat met insecten, gaat het vaak ook goed met overige natuur, zoals vogels.”

Vrijwilligers plaatsen insecten­valletjes in buurttuin Slatuinen.Beeld Dingena Mol

Anusharen

Vrijwilliger Jocelyn de Kwant vindt een langgerekt, kronkelend beestje. Enthousiast meldt ze zich bij Anne Vilé, masterstudent biologie aan de UvA, die de slakken, pissebedden, duizendpoten en miljoenpoten in het Amsterdamse groen bestudeert. Hoe determineer je een miljoenpoot? Door de pootjes te tellen? “Nee. Je kijkt naar de haartjes in hun anus. Die zijn per soort een beetje verschillend. Inderdaad, ik heb altijd leuke verhalen op feestjes.”

Ze grabbelt in een plastic bak vol aarde en takjes om haar pissebedden te laten zien. “Deze is blauw uitgeslagen, dat komt door een virus. Het is een kelderpissebed, te herkennen aan de broedbuidel op zijn buik. Dit is de mospissebed, die heeft een staartje. In het Vondelpark vond ik ooit een roze pissebed.”

Met een app erbij wordt de vondst van De Kwant geïdentificeerd. “De tienduizendpoot. Daar hoef ik niet voor naar zijn anus te kijken.”

De malaise-val wordt neergezet. Onderzoeks-leider Menno Schilthuizen (bruin shirt) controleert of alles goed is opgebouwd.Beeld Dingena Mol

Coronamot

Na een week vallen leeghalen, aarde zeven en blaadjes stofzuigen, deelt Schilthuizen de voorlopige conclusies. “Slatuinen is veel kleiner dan andere parken en in die zin soortenarmer, maar als groen eiland tussen alle ­bebouwing zeker een hotspot van biodiversiteit. Hoogtepunten waren de satijnlichtmot, een zeldzame trekvlinder die maar één keer eerder in Amsterdam is waargenomen, en de groene krabspin, normaliter een bewoner van oude loofbossen. O, en we vonden de coronamot. Die heeft niets met corona te maken, maar toch wel grappig.”

Het eindrapport met de volledige soortenlijst van de ­onderzochte Amsterdamse parken verschijnt later dit jaar. “Belangrijker nog dan de eindstand is dat veel mensen in aanraking zijn gekomen met insecten en andere kleine dieren. Zo’n expeditie is ook meteen een cursus waarin mensen leren hoe je insecten kunt bestuderen en determineren. En hoe ontzettend leuk dat is.”

Taxon Expeditions neemt op 8 september deel aan een webinar over biodiversiteit in Amsterdam, in Pakhuis De Zwijger.

Van moestuin naar natuurtuin

Natuurtuin Slatuinen is toegankelijk via een onopvallend deurtje aan de Slatuinenweg 45 in de Chassébuurt in West. De naam is waarschijnlijk afkomstig van de moestuinen die er tot begin 1900 te vinden waren. Op het terrein waren later achtereenvolgens het ­Wilhelminaparkje en een kwekerij van bloemen en bomen gevestigd. In de jaren zeventig verwilderde het gebied steeds meer. “Tot de gemeente in 1986 zeker veertig bomen kwam kappen,” zegt Pieter Nieuwkamp. Hij

is nu in de 90, maar nog steeds verontwaardigd. “Zonder overleg, zonder vergunning. Toen dachten we: we moeten dit stukje groen zelf gaan beheren.” Nieuwkamp was in 1991 mede­oprichter van de Stichting Natuurtuin Slatuinen. De tuin kreeg een ‘sociale en educatieve functie’ en wordt sindsdien onderhouden door buurtbewoners en andere betrokkenen.

Volgend jaar bestaat Slatuinen dertig jaar, voorbereidingen voor het jubi­leumfeest zijn in volle gang. Nieuwkamp hoopt dat er nog veel jaren ­bijkomen. “Wist je dat de planten in de tuin wandelen? Ze staan elk jaar net even op een andere plek. En sinds 1992 hebben we een eendenpaartje in de vijver. Ik vraag me af of het telkens hetzelfde koppeltje is, maar dat lijkt me sterk.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden