PlusReportage

Op expeditie in Amsterdam-Noord: schildpadden en zeldzame vogels

Beeld Dingena Mol

Onder leiding van ontdekkingsreiziger Arita Baaijens trekken natuurliefhebbers door de binnenlanden van Noord. ‘Zo’n iep is geen decorstuk. Die zit vol leven.’

Langs de Schellingwouderbreek ligt een roodwangschildpad languit in het herfstzonnetje. Het is een wereld van verschil met de moerassen van Noord-Amerika, waar het beestje van nature voorkomt. In de jaren negentig van de vorige eeuw genoten de waterschildpadden enige populariteit als huisdier, weet stadsecoloog Geert Timmermans (64). “De Ninja Turtles-tijd. Maar ja, ze worden groot, ze gaan stinken en de familie wil ook weleens op vakantie.” Dus dan worden ze losgelaten in het park. “Elk stadspark heeft ze.”

In 1570 brak het IJ hier door wat toen nog een zeedijk was. Het water stroomde met grote kracht naar binnen en liet binnendijks bij Schellingwoude een meertje achter. “Daar kom je nou nooit,” zegt ­Timmermans verlekkerd. “Ja, als je gaat schaatsen, maar dan is alles kaal.” De stadsecoloog wijst naar een oud school­gebouw waar zeldzame meervleermuizen hun plek hebben gevonden. ’s Nachts trekken ze erop uit om insecten te vangen, helemaal tot in het Groene Hart. Over zeldzaam gesproken: vanuit het riet scheert opeens een ijsvogel over het water. “Een blauw juweeltje!”

Stad in een moeras

We zijn in het ‘Wilde Noorden’. Althans, zo noemt noorderling en en amateurbioloog Joost Janmaat (43) zijn stadsdeel graag. “Op 30 procent van het grondgebied van Amsterdam woont 10 procent van de inwoners. En we hebben 50 procent van het groen.” Om de aandacht te vestigen op het Noordse natuurschoon organiseert hij dit najaar vier expedities. “Naar de binnenlanden van Amsterdam.”

Expeditieleider Arita Baaijens vraagt alle deelnemers hun hoofd vast te pakken om tot rust te komen: ‘We denken te veel.’Beeld Dingena Mol

Achterliggende gedachte is dat het ons nog zal verbazen hoeveel leven er is in de stad. “Amsterdam is een natuurgebied waar ook mensen wonen,” volgens Janmaat. En dus varen we op een zaterdagmiddag in twaalf tweepersoonskano’s rond Tuindorp Nieuwendam. “Amsterdam is ecologisch gezien een soort moeras,” zegt hij als we aan het einde van de middag aankomen in de Schellingwouderbreek. Niet gek dus dat zo’n schildpad zich hier als een vis in het water voelt.

Vier uur eerder zijn we vertrokken vanuit het Zijkanaal K. Diep in de ondergrond ligt hier nog het Oer-IJ, vertelt Janmaat. In de laatste ijstijd heeft het kolkende smeltwater een geul uitgesleten die bouwers nog altijd voor problemen stelt. Het is minstens tienduizend jaar geleden en toch is het deze historische ontwikkeling die verklaart waarom de eilanden van IJburg liggen waar ze liggen. Net ietsje verder noordwaarts en de heipalen hadden geen houvast gekregen in de peilloze drap van de oergeul. In het groen van Noord zijn alle vroegere uitlopers van het IJ ook makkelijk te vinden. “Je hoeft de tegels maar even op te lichten en je ziet het terug in de oude vegetatie.”

Otter in Amsterdam

Expeditieleider is Arita Baaijens (64). Als ontdekkingsreiziger trok ze door Papoea Nieuw-Guinea, de Sahara en het Altaj­gebergte op de grens van Mongolië en Siberië. Maar wat ze daar leerde, blijkt evengoed toepasbaar in de natuur van Amsterdam-Noord. Om te beginnen maant ze ons indringend te kijken, zonder afleidende gedachten. “Pak je hoofd vast en zeg: ‘Ga maar even op pauze.’ We denken te veel. Zet die malerij voor even stil. Kinderen zijn de beste ontdekkings­reizigers. Je kunt maar één keer iets voor de eerste keer zien. Daarna krijg je een tweedehandsblik. Als ik me aansluit bij jagers of nomaden, wordt er nooit veel gesproken. Hun manier van kijken is anders. Er ontgaat ze niets en daardoor is het bijna alsof ze magische krachten hebben.”

Eenden bij de Schellingwouderbreek.Beeld Dingena Mol

Onze westerse blik is vluchtig en gericht op spektakel, zegt ze. “Je kijkt naar een vogel die overvliegt of een dode vis op de kant en dat is het dan. Het is een herinnering geworden. Je slaat het op als snapshots. Wij zien al dat soort dingen los van elkaar, maar jagers zoals de Inuit zien ook de verbanden ertussen. Die zien een afgebroken takje en weten dan dat hun prooi daar langs is gekomen. Ze zien een veertje en snappen dat het prooidier een vogeltje heeft gevangen. Opeens zie je dan dat de wereld niet bestaat uit losse schaakstukken: alles heeft met elkaar te maken.”

Timmermans somt even later op wat we zoal hadden kunnen zien. Tussen het ­Vliegenbos en het wild begroeide Rietland buiten de Nieuwendammerdijk zag hij een grote bonte specht, meerkoeten en krakeenden. Een Vlaamse gaai stak over. Boven het Viegenbos cirkelde een havik. Nederland telt zo’n 40.000 plant- en diersoorten en daarvan leven er zo’n tienduizend in Amsterdam. Ook hij wil maar zeggen: kijk nou eens om je heen, de natuur ligt voor het oprapen. Zelfs het water van het kanaal dat toch pal voor ­chemische fabriek Albemarle ligt, verdient onze aandacht. “Ruik er eens aan, lik er eens aan.”

Zout water

Een beetje ziltig is het. Het IJ is niet meer zo zout als in vroegere eeuwen, maar het is tot in Amsterdam te proeven dat de sluizen bij IJmuiden elke keer dat ze opengaan miljoenen liters zeewater binnen­laten. “Realiseer je dat als we straks terug­varen met de pont. De bovenste laag van het IJ bestaat uit zoet water. Daar vind je de snoek en de snoekbaars. De onderste laag is zout en daar zwemmen de schol, de tong, de horsmakreel. Daar tussenin is het water brak. Daar leeft bot.”

Per tweepersoonskano varen de deelnemers aan de expeditie rond Tuindorp Nieuwendam.Beeld Dingena Mol

“Dit soort oevers zijn ideaal voor de otter,” zegt Timmermans wijzend bij het Rietland. Binnen tien jaar verwacht hij het dier terug in de stad. “In Muiderberg zijn ze al gesignaleerd, de jonge mannetjes voorop. En de bever kan weleens de volgende zijn, zegt de stadsecoloog. “Die leeft nu al massaal in Flevoland. Het lijkt me een kwestie van tijd tot een Amsterdammer begint te klagen dat zijn appelboom is afgekloven.”

Weten waar je bent

Bij het sluisje van Nieuwendam moeten we de boot uit. De kano’s tillen we over de dijk om meters lager weer in te stappen. De sluis, ooit de doorgang van Waterland naar de Zuiderzee, sluit niet helemaal en dat is maar goed ook. Het water uit het IJ loopt door een pijpje naar de Die, de lager gelegen veenrivier aan de achterkant van de dijk. Timmermans gebruikt het als voorbeeld om het belang uit te leggen van ­vispassages, een soort kattenluikjes voor trekvissen. Vanuit de Sargassozee in de Atlantische Oceaan leggen minuscule glasaaltjes duizenden kilometers af om in het zoete Nederlandse water uit te groeien tot een volwassen paling. “Dan heb je zesduizend kilometer gezwommen en dan moet je hier door zo’n pijpje.”

De roeitocht wordt verstoord door een plons. Bij het instappen voorbij het sluisje schommelen de kano’s vervaarlijk heen en weer en een van de deelnemers aan de expeditie haalt een nat pak. Baaijens is er stiekem wel mee in haar nopjes. “Je wenst het niemand toe, maar het is heel gezond. Dat is toch boeiend? Van op het water eindigt iemand ín het water. Opeens verschuift het besef van waar we zijn.”

In Nieuwendam moeten de kano’s over de dijk worden getild.Beeld Dingena Mol

Dat is als je het haar vraagt precies waar deze expeditie in eigen stad om gaat. “Het gaat erom dat je onderdeel bent van je omgeving,”zegt Baaijens. Ze wijst: “Zo’n iep is geen decorstuk. Die zit vol leven. Er wonen insecten en vogels. En dan is er ook nog een poëtische werkelijkheid die niet meetbaar is. De schittering in het water, de golfjes, het uitzicht.”

Behalve een zoektocht naar de volkeren die Baaijens bezocht waren de expedities, waar zij dikke boeken over heeft vol­geschreven, ook spirituele ontdekkingsreizen. In het Altajgebergte zocht ze naar Shambhala, een mythische plek binnen het Tibetaanse boeddhisme. Als je een landschap in je opneemt, is er volgens Baaijens meer dan de wereld van het weten of zelfs het zintuiglijk waarneembare. Vergelijk het met muziek. “Je kunt notenschrift lezen, maar als je naar muziek luistert is het toch anders.” En: “Ook een landschap kun je lezen. Je ziet hoe de lijnen lopen. Een laan met bomen en hier en daar een kerkspits. Dat zegt iets, namelijk dat je in Nederland bent. Dat is ook gevoelsmatig van betekenis. Dat je weet waar je eigenlijk bent. Daardoor ga je niet als een zombie door het leven, iets waardoor je per ongeluk een stoplicht kunt missen.”

Eenmaal in de Die komen we in een groene oase. Achter de dijk volgt het water gewoon de loop die het al eeuwen heeft, ver voor de stad in de twintigste eeuw besloot hieromheen hele woonwijken te bouwen. Is dit Amsterdam nog wel? Vanaf de kant wordt de expeditie met verbazing bekeken. In de Ringsloot rond de Buikslotermeer komen kennelijk niet veel kano’s.

Stadsecoloog Geert Timmermans: ‘De oevers bij het Rietland zijn ideaal voor de otter.’Beeld Dingena Mol

“Het natuurgebied dat loopt van het Vliegenbos naar het Rietland, de Schellingwouderbreek en dan helemaal door tot in Waterland. Dat is eigenlijk de noordoever van het Oer-IJ,” zegt Janmaat. Spectaculair, vindt hij. “Voortaan weet je: we wonen niet in Amsterdam, we wonen aan het Oer-IJ.” Hij heeft nog andere expedities gepland door Noord. De voorbije weken gingen Noorderlingen op zoek naar nieuwe insectensoorten, en vanaf het dak van de A’DAM Toren werden begin deze maand de trekvogels uitgezwaaid. Zaterdagavond vertrekt een nieuwe, laatste expeditie van Tolhuistuin naar het Rietland, het donkerste plekje van Noord. Daar onderzoekt Janmaat met schrijver Marjolijn van Heemstra en stadsecoloog Fred Haaijen de impact van te veel licht op mens en dier.

In de Ringsloot om het in 1627 droog­gelegde Buikslotermeer toont Baaijens zich onder de indruk van de majestueuze treurwilgen. “Met takken tot net boven het water. Alsof ze weten: lager moeten we niet gaan, want dan verzuipen we.” Vanuit de kano’s heeft iedereen monsters genomen: het water in het veen van de Die en de Ringsloot is beduidend troebeler dan in het Zijkanaal K vlakbij het Oer-IJ.

Verliefd

Het is natuurlijk onvergelijkbaar, zo’n expeditie in eigen stad als je Siberië gewend bent. Of de Sahara. Maar Baaijens is dagen later nog altijd wildenthousiast. “Ik vond het te gek. Ik werd er zo gelukkig van. Dat zo’n groep vanuit het niets bij elkaar komt – in voor avontuur, lekker ­buiten, zonder dat je weet hoe het afloopt. Ik ben gewoon weer verliefd geworden op de stad. Het is in Nederland al zo erg gesteld dat de biodiversiteit in de stad groter is dan in het akkerland daaromheen.”

Baaijens moedigt de groep aan met een frisse blik naar de natuur te kijken.Beeld Dingena Mol

Het geeft Baaijens kracht en hoop, zegt ze. “De wereld stemt soms somber. We zijn hard op weg onze omgeving te gronde te richten. Maar dan zie je de schoonheid om ons heen. Die geeft houvast, rust in je hoofd. We nemen onszelf zo serieus. We zijn zo druk met overleven en geld verdienen om de huur te betalen. Dan helpt het om met andere ogen naar de stad te kijken. Ik heb al een paar keer gedacht: hoe zou het vandaag met die schildpad zijn?”

Alle tochten die dit jaar zijn gehouden vanuit Tolhuistuin krijgen een plek in een natuurgids voor ‘Het Wilde Noorden’. Deze gids, waarmee Amsterdammers op eigen houtje op expeditie kunnen gaan, moet in 2021 verschijnen.

Vogelspotters op de A’DAM Toren.Beeld Dingena Mol
Beeld Dingena Mol
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden