null

PlusReportage

Ook met een jubelton op zak kun je het vergeten op de Amsterdamse woningmarkt

Beeld Agnes Loonstra

Verwend, bevoorrecht, een jubelton van haar ouders: journalist Doortje Smithuijsen (29) weet dat ze zich aan de gunstige kant van de verziekte woningmarkt bevindt. Tot ze haar eerste bod doet.

“Je bent een sociale daler, accepteer het gewoon.” Ik zat met een vriend in de kroeg en had net voor de zoveelste keer mijn ­persoonlijke huizenlijdensweg opgevoerd. Een lijdensweg die, uiteraard, enorm veel lijkt op die van alle anderen, maar toch aanvoelt als heel uniek. Na een eindeloze monoloog over de oneerlijkheid van het hypotheeksysteem en meerdere variaties op het ‘huizen zijn om in te wonen’-­mantra had ik niets meer te zeggen.

Ik staarde voor me uit, naar de uitsmijter op tafel, die in rap tempo verdween in mijn vriend, terwijl ik een steeds grotere hekel aan hem kreeg. “Dat is je enige ­probleem,” ging hij door met volle mond, omdat ik toch niets zei. “Als je dat accepteert, is je hele huizenprobleem meteen opgelost.”

De haat die ik op dat moment voelde, was die van de hardnekkigste soort. De soort die ontstaat als iemand iets tegen je zegt dat heel vervelend is en tegelijk heel erg waar. Sociale daler. De term bleef me achtervolgen, lang nadat ik het café had verlaten. Toen ik ’s avonds lusteloos door Funda struinde, mijn gegevens nog maar eens achterliet bij een nieuwbouwproject waar ik de dag daarvoor vermoedelijk ook al mijn gegevens had achtergelaten, zoemde het nog steeds door mijn hoofd.

Een paar maanden eerder was ik met een mengeling van optimisme en schuldgevoel de woningmarkt op gestapt. Natuurlijk: ook ik had alle nieuwsberichten over de gestoorde vraagprijzen en onmogelijke overbiedingscapriolen gelezen en gehoord. Ook ik had me kwaad gemaakt over beleggers en investeerders, over de discrepantie tussen hypotheeklasten en de Amsterdamse huurprijzen en alle frustraties daartussenin.

Het punt was alleen dat ik in de veronderstelling leefde dat ik me aan de gunstige kant van die verziekte woningmarkt bevond, de kant van die verwende, bevoorrechte kinderen waar iedereen het steeds over had. Mijn ouders bezitten een huis in het centrum van de stad en waren bereid mij financieel flink te helpen met de aankoop van een eerste woning. Ik ben weliswaar zelfstandige, maar weet toch elk jaar een inkomen bij elkaar te sprokkelen dat boven modaal uitkomt. Die twee factoren samen leverden bij de hypotheekadviseur een bedrag op dat me enorm verraste – in positieve zin. Oké, de huizenmarkt was door en door verrot, maar met deze zak geld in mijn hand zou ik me er wel een weg door weten te banen.

Zo begon ik aan mijn zoektocht, vervuld van een combinatie van zelfhaat en overlevingsdrift. Ja, ik was absoluut de belichaming van het probleem, van white privilege en oud geld, de mensgeworden ongelijkheid. Maar moest ik dan níet ­proberen het goed voor mezelf te regelen, uit frustratie over de algehele situatie? “Ik vind het heel erg dat de Titanic aan het zinken is,” zei ik soms tegen vrienden, als ik me weer eens zelfbewust voelde over mijn jubelton. “Maar als je voor je neus een reddingsboei ziet, moet je die dan níet ­grijpen?”

null Beeld Agnes Loonstra
Beeld Agnes Loonstra

Geweldig plan

Ik had zelf het gesprek over een huis kopen op gang gebracht met mijn ouders. Rond de jaarwisseling werd ik bevangen door het idee dat het absoluut een geweldig plan was om nú de overstap te maken van huur naar koop. Vrijwel dagelijks las ik nieuws- en achtergrondverhalen over het verschil tussen kopers en huurders; ik bekeek statistieken die allemaal uitwezen dat huizenbezitters op lange termijn veel rijker waren. Ik las Fantoomgroei, keek naar Scheefgroei in de polder. De kloof werd steeds dieper, steeds breder – je voelde het onder je voeten gebeuren.

Het was tijd, dacht ik, om vanuit mijn huurwoning de sprong te maken naar de overkant, voor het te laat zou zijn. Ik was nu nog jong, had nog geen gezin, niet veel ruimte nodig. “Volgens mij is dit iets waar ik over tien jaar heel blij mee ga zijn,” was de slagzin die ik herhaalde toen ik het plan aankondigde bij mijn ouders.

Een paar weken later stond ik bij mijn eerste bezichtiging: zestig vierkante meter in het Oostelijk Havengebied. Ik was ‘zeker geïnteresseerd’, zei ik tegen de makelaar, die me vervolgens uitlegde hoe de biedingen zouden verlopen. Het was de duivelse procedure van blind inschrijven waar veel huizenzoekers vermoedelijk wel bekend mee zijn: op goed geluk bieden en dan maar hopen dat jouw bod het hoogste is.

“Het wordt wel overbieden,” waarschuwde de makelaar. Dat had ik natuurlijk al ingecalculeerd: tien tot zelfs twintig procent boven de vraagprijs kon ik me nog net permitteren. Bovendien had ik een troef in handen. “Ik bied zonder financieel voorbehoud,” kondigde ik zelfverzekerd aan. “Ik neem aan dat dat een voordeel is?” Zeker, antwoordde de makelaar. “Alleen, meer dan de helft van de biedingen in Amsterdam is momenteel zonder financieel ­voorbehoud.”

Met andere woorden: iedereen komt aan met een zak eigen geld, al dan niet van ouders. Ik bevond me niet in een uitzonderingspositie; jubeltonnen waren de norm. Bieden zonder financieel voor­behoud zorgt niet voor een plusje bij je naam, maar voor een vinkje, zodat je überhaupt mee mag doen aan die belachelijke race naar het hoogste bod. Die race met een oneindig opschuivende finish.

null Beeld Agnes Loonstra
Beeld Agnes Loonstra

Desperado’s

Natuurlijk werd mijn bod niet geaccepteerd. Wat volgde was een pelgrimstocht langs in eerste instantie soortgelijke ­huizen om vervolgens – zoals elke huizenzoeker in Amsterdam – steeds verder weg te drijven van mijn initiële wensen. ­‘Minstens zestig vierkante meter, binnen de ring, met extra slaapkamer’ veranderde al gauw in ‘Zolang het maar niet klein vóélt’, ‘Zou hier een gipswandje tussen passen?’ en ‘Met een e-bike is het maar twintig minuten naar het centrum’.

Een constante waren mijn mede-bezichtigers en de mate waarin wij op elkaar leken. Bij het naar binnen gaan en verlaten van de woningen die ik bezocht, liep ik steevast tegen varianten van mezelf aan. Zichtbaar geprivilegieerde kinderen – dure kleren, bizar rechte tanden, overwegend wit – meestal in gezelschap van één van hun ouders.

“Er zitten steeds meer desperado’s ­tussen,” vertelde een makelaar me tijdens een bezichtiging in Oud-West. “Mensen die gewoon een ton overbieden om er maar vanaf te zijn.” Ik kon het me op dat moment niet voorstellen, maar ik zat toen nog maar op bezichtiging vier of vijf.

“Wat is er mís met al deze mensen?” vroeg ik me een maand later hardop af bij mijn ouders, na wéér een afgewezen bod. “Waarom vinden al die boomers het zó vreselijk belangrijk dat hun kind een huis in de stad heeft dat ze een ton overbieden op een klerenkast in Oost?”

Dat wij net evengoed een belachelijk bedrag hadden overboden, op diezelfde klerenkast in Oost, liet ik maar even buiten beschouwing.

Het probleem van hardnekkig rotte ­systemen zoals de woningmarkt is dat niemand zich er echt verantwoordelijk voor voelt. Zoals Maaike Schoon een aantal maanden geleden schreef in Vrij Nederland, is het veel te makkelijk om de huizencrisis af te schuiven op Russische beleggers of de pandjesprins. De grootste veroorzakers van de ongelijkheid op de woningmarkt zijn niet dit soort megakapitalisten, maar de veel grotere groep kleine particuliere beleggers – mensen met één extra huis. ‘Prins Bernhard, dat zijn wij zelf,’ concludeerde Schoon. Als het om de woningmarkt gaat, ziet iedereen het probleem, maar niemand zijn eigen aandeel. Niemand wíl dat zien.

Beter had ik natuurlijk kunnen vragen: wat is er mis met óns, dat we zulke belachelijke bedragen bieden op woningen die het absoluut niet waard zijn?

En nog beter: wat is er mis met míj?

Waarom wil ik dit? Een koophuis in Amsterdam in een tijd dat koophuizen schaarser zijn dan ooit? Een enorme investering doen in een periode waarin de crises je om de oren vliegen – de coronacrisis en de klimaatcrisis bijvoorbeeld, ook nog zeepbellen aan de horizon die vroeg of laat ongetwijfeld zullen knappen. Waar komt die stellige overtuiging vandaan dat een huis kopen, ondanks rode vlaggen vanuit werkelijk elke kant, de betere optie is?

Sociale daler. Na mijn zoveelste vruchteloze rondje langs Funda en de websites van makelaars googelde ik de term en vond een onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Generaties lang kwamen kinderen hoger op de maatschappelijke ladder uit dan hun ouders,’ was de samenvatting. Maar deze vorm van sociale ­mobiliteit is ‘inmiddels niet meer vanzelfsprekend’.

Door het steeds hogere percentage ­studerende Nederlanders is er zoiets opgetreden als ‘diploma-inflatie’: diploma’s zijn op de arbeidsmarkt minder waard geworden – letterlijk. ‘Het resultaat is dat kinderen uit de hogere klassen in toenemende mate sociaal dalen ten opzichte van hun ouders.’

Dit idee is natuurlijk niet nieuw. Al jaren gaat het in de media en wetenschap over die eerste generatie die het slechter gaat krijgen dan hun ouders. De millennials, grofweg geboren tussen 1980 en 2000, ­kinderen van de babyboomers en de daaropvolgende generatie X, zouden voor het eerst de maatschappelijke positie van hun ouders – bepaald door inkomen, status en macht – niet kunnen spiegelen.

In september 2018 werd een onderzoek van de Universiteit Tilburg, dat aankondigde dat dertigers voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog minder verdienen dan hun ouders, door zo’n beetje elk nieuwsmedium geciteerd.

In 2015 had 49 procent van de 35-jarigen meer te besteden dan hun ouders op die leeftijd, becijferde de universiteit ­destijds, terwijl dat percentage in 2005 nog 54 was. Oorzaken waren volgens de onderzoekers vooral de oprukkende ­flexibilisering van de arbeidsmarkt en de toename in aantallen zzp’ers. En, waarschuwden ze, het eindpunt van de trend van sociaal dalen zou de komende tijd niet in zicht raken.

Visgraatparket

Mijn puberkamer had een visgraatparket en een plafond van bijna drie meter hoog. Het was de erfenis van een idee van mijn moeder om op de bovenste verdieping een extra woonkamer te creëren – een open, lichte ruimte met een gaskachel en designmeubels, waar we in de weekenden zouden lezen en tv kijken. In de praktijk zaten we altijd op de verdieping eronder, in de keuken of de eetkamer, waar ook gewoon een bank stond. En een tv.

“Jij gaat nooit meer zo’n mooie slaapkamer krijgen,” zei mijn moeder toen ik er op mijn twaalfde introk. De laatste tijd denk ik geregeld aan die opmerking – destijds natuurlijk meer bedoeld om het voorrecht van slapen in een enorme woonkamer te onderstrepen dan om een huizencrisis aan te kondigen.

Ik herinner me ook dat mijn ouders het er weleens over hadden, dat idee dat mijn zusje en ik het slechter zouden krijgen dan zij. Af en toe ving ik er iets over op vanaf de achterbank van onze Volvo – maar dan begon mijn iPod alweer met het volgende nummer.

Ja, veel kinderen gaan het financieel slechter krijgen dan hun ouders, zeker als het gaat om woningen. Maar hoe erg is dat eigenlijk? Ik ga inderdaad nooit meer ­slapen in een kamer met visgraatparket, maar je kunt je ook afvragen of dat überhaupt normaal is. Misschien is het probleem eerder dat onze ouders het gewoon bizar goed hadden, dertig jaar geleden. De mijne – uit ’49 en ’59 – kochten op mijn leeftijd een huis van drie verdiepingen in Amsterdam-Zuid, voor het bedrag waarmee je nu een appartement van veertig vierkante meter in Diemen aanschaft. Toen ik uit huis ging, verkochten ze het voor een veelvoud van de aankoopsom.

Een paar weken geleden ging ik uit eten met mijn zusje. Zij heeft wél een verstandige beroepskeuze gemaakt. Waar ik zonder een moment na te denken over baanzekerheid of inkomen filosofie ging studeren, koos zij voor rechten. En vervolgens voor een serieuze baan, inclusief salarisschalen en vakantiegeld, waar ik me overleverde aan de grillen van de creatieve zelfstandigheid.

Toen mijn zusje en haar vriend – allebei advocaat – op zoek gingen naar een huis, verwachtte ik dat ze linea recta door een makelaar hun droomhuis in begeleid zouden worden, waar de ballonnen en de taart al zouden klaarstaan. Nog even tekenen bij het kruisje en hier zijn de sleutels. Dat bleek niet hun ervaring: binnen hun prijscategorie was het evengoed verdringen, overbieden en teleurstellingen incasseren. Inmiddels hadden ze besloten nog maar even in hun huurhuis te blijven zitten.

Enerzijds was de chaos in mijn hoofd compleet na dit etentje; als zij al geen huis konden vinden, hoe zou het mij dan ooit lukken? Anderzijds voelde ik ook iets van opluchting: ik was niet de enige die teleurstelling te verwerken had. In deze woningmarkt krijgt simpelweg niemand wat hij echt wil.

Verwachtingscrisis

De wooncrisis vormt een enorm probleem voor belachelijk veel mensen. Kapitalistische scheefgroei zorgt ervoor dat hardwerkende Nederlanders een buitenproportioneel deel van hun inkomen kwijt zijn aan wonen. Dat de levensruimte van de een wordt ingeperkt door het financiële gewin van de ander. Maar onder verwende Amsterdamse kinderen zoals ik lijkt nog een onderliggende crisis te woeden: de verwachtingscrisis.

Waarom wilde ik zo nodig een huis kopen? Hoofdzakelijk om te kunnen doen wat ik van mijn ouders had afgekeken: kapitaal opbouwen door op tijd een eigen woning te kopen en zo hopelijk ooit een thuis te creëren waarin mijn eigen kinderen net zo vrij konden rondhollen als ik had gedaan. Ik wilde ooit mijn eigen dochter een slaapkamer kunnen geven met de mededeling dat ze nooit meer in zo’n mooie kamer zou slapen.

Niemand wil een daler zijn in een maatschappij waarin stijgen de norm is. Maar vermoedelijk vormt juist die instelling een groot deel van het huidige huizenprobleem. Bevoorrechte kinderen als ik doen er alles aan om binnen de kaders te blijven die hun ouders hebben geschapen – binnen de kaders waarin je ‘vroeg instapt’ op de huizenmarkt, zodat je steeds groter kunt gaan wonen en later op de waarde van je huis kunt rentenieren. En hun ouders blijken al even, zo niet nog meer, gemotiveerd hun kinderen binnen boord te houden in hun veilige bubbel van eigen stenen.

Journalist Hans de Geus, auteur van het boek Hoe ik toch huisjesmelker werd, omschreef het laatst mooi in een interview met De Volkskrant. Hij besloot in 2008 dat zijn zoons geen ‘eeuwige huurslaaf van huisbazen’ mochten worden en kocht daarom drie appartementen in de Bijlmer, om die met flinke winst te gaan verhuren. De Geus is hartstikke kritisch op het huidige woonbeleid, maar kon het desondanks niet laten zichzelf – en daarmee zijn kinderen – naar de voordelige kant van de situatie te katapulteren.

Natuurlijk zijn de ouders en kinderen die ik tegenkwam op de huizenbezichtigingen zich net zo bewust van het feit dat zij met hun focus op het behouden van die belachelijk hoge levensstandaard enorme problemen veroorzaken voor minderbedeelden – althans, ik hoop dat ze dat zijn. Dat ze vervolgens toch stug doorgaan met overbieden en over-overbieden heeft te maken met iets wat ik Amsterdams exceptionalisme zou willen noemen; het idee dat de regels voor iedereen gelden, behalve voor jou. Het gevoel dat jij je gedrag niet hoeft aan te passen, ondanks de overduidelijke schadelijke effecten ervan. Omdat jij boven de maatschappelijke systemen staat. Het idee dat, om maar mijn eigen metafoor te gebruiken, het feit dat jíj een reddingsboei in handen hebt, je niet verantwoordelijk maakt voor het verdrinken van de andere Titanic-­passagiers. De rekensom is simpel: wie zich vastklampt aan zo’n boei, zorgt ervoor dat anderen misgrijpen.

Nieuwe angsten

Afgelopen week bezichtigden mijn vriend en ik samen een huurhuis. Als ik geen huis kon kopen in mijn eentje, dan maar huren met z’n tweeën, was het idee. Meteen drongen zich allerlei nieuwe angsten en frustraties aan me op. Verdienden we samen niet te weinig of juist te veel? Hoeveel zouden die andere bezichtigers verdienen? Ik begon direct een charme-offensief bij de dienstdoende makelaar: vragen over de buurt, over de staat van het pand, over de meterkast, kom je zelf ook uit Amsterdam, nee, waarvandaan dan, goh dat ken ik niet. “Dan herinnert hij zich ons als we ons aanmelden,” legde ik aan mijn vriend uit, toen we de voordeur weer uit liepen.

We werden niet uitgekozen. En dat is maar goed ook.

Meer lezen over het Woonprotest?

♦ Het lijkt de grootste demonstratie tegen de verziekte woningmarkt te worden van deze tijd, zondag in het Westerpark. Een interview met de organisatoren: ‘Het moet een beweging worden.’

♦ Amsterdamse makelaars geven advies bij woningkrapte: overbieden hoort erbij, maar hoeveel? ‘Mensen gaan scheiden of verliezen hun baan. Dan heb je een groot, gróót, probleem.’

♦ De excessen op de huizenmarkt zijn niet vanzelf ontstaan: zo werd een woning in Amsterdam onbetaalbaar.

♦ Het woonprotest van zondag past in een historische golfbeweging, ziet historicus Dennis Bos. ‘De huidige generatie moet de geest van de krakers oproepen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden