PlusInterview

Nieuwe president KNAW: ‘In een crisis kijkt iedereen naar de wetenschap’

Ineke SluiterBeeld Annaleen Louwes

Ineke Sluiter (60), hoogleraar Griekse taal en literatuur, wordt maandag president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. ‘In moeilijke tijden heb ik veel aan de klassieken gehad.’

Voor een gigantische boekenkast zit een kleine vrouw. Vanaf maandag is Ineke Sluiter de nieuwe president van de eerbiedwaardige Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) aan de Kloveniersburgwal. Daarmee volgt ze grootheden als Frits van Oostrom en Robbert Dijkgraaf op.

Een classica, gepromoveerd op de vraag hoe de oude Grieken eigenlijk dachten over hun grammatica. Een van de weinige alfawetenschappers die de Spinozapremie van tweeënhalf miljoen euro in de wacht sleepten, de Nederlandse Nobelprijs – ze won ’m in 2010. Sluiter weet: als je grote verhalen wilt vertellen, zijn er altijd specialisten die er meer van weten. Zo kan ze zich er nog altijd kapot aan ergeren als iemand denkt snel even iets banaals te moeten zeggen over opvattingen over taal in de oudheid. “Dan denk ik: je weet helemaal niet hoe het zit. Je weet dat gewoon niet en je vraagt het ook niet!”

Als je mensen vraagt een wetenschapper te tekenen, tekenen ze een man met een witte baard.

“Ik heb een keer, toen ik vicepresident was van de KNAW, een onderzoeksinstituut bezocht. Daar gingen we het laboratorium bekijken. Ik moest een jas aan, handschoenen aan, een veiligheidsbril op. Toen ik dat allemaal aanhad, zei de directeur: ‘Nu zie je eruit als een echte wetenschapper!’ Waarop ik zonnig zei: ‘Ik zie er altijd uit als een echte wetenschapper, want ik bén een echte wetenschapper.’”

In 2015 richtte Sluiter met collega-hoog­leraren Eveline Crone, Judi Mesman en Naomi Ellemers de actiegroep Athena’s Angels op, voor gelijke kansen voor vrouwen in de wetenschap. Onder het motto: wij zijn al hoogleraar, wij kunnen makkelijk onbeschaamd activistisch zijn. Dat die kansen ongelijk zijn, ligt er volgens Sluiter niet alleen aan dat vrouwen nu eenmaal de kinderen krijgen. De carrières van vrouwen lijden ook onder implicit bias: vooroordelen onder mannen én vrouwen, waardoor vrouwen minder aan bod komen. Daardoor wordt hun aandeel, na een veelbelovende start in de collegebanken, in de academische wereld gaandeweg steeds kleiner.

Athena’s Angels heeft zich onder meer sterk gemaakt voor de benoeming van honderd vrouwelijke hoogleraren in 2017, en kaart misstanden aan: #MeToo-praktijken, de zwangere vrouw die door haar vrouwelijke promotor werd gevraagd om abortus te overwegen, of, iets onschuldiger, hoogleraren die voor de secretaresse worden aangezien, of aan wie tijdens etentjes wordt gevraagd van wie zij de echt­genote zijn.

Beeld Annaleen Louwes

Heeft u hier vaak mee te maken gehad?

“Pas relatief laat in mijn loopbaan. Ik was een keer uitgenodigd om te spreken bij een geheel uit mannen opgetrokken academisch bolwerkje. Niet opgericht als herenclub, maar toevalligerwijs zaten er alleen maar mannen. Ik stond met een van die heren die ik kende te praten. Toen kwam een collega binnen. Hij schudde de hand van degene met wie ik aan het praten was. Ik stak mijn hand naar hem uit, hij draaide zich naar me om en brulde: ‘Koffie!’”

Hij bestelde koffie bij u.

“Ja. De man met wie ik stond te praten, was geschokt. Hij zei: ‘Professor Sluiter is onze spreker!’ Daarop stiefelde die ander weg, zonder iets te zeggen. Dat is implicit bias: je neemt zonder meer aan dat de genodigde hoogleraar een man is. Overigens vind ik het nog veel schokkender dat zo iemand tegen mensen die de koffie schenken kennelijk altijd zo doet.”

“Maar vrouwen hebben het ook, hoor. Ik kwam een keer op een andere universiteit voor een promotie. Ik had mijn toga bij me, zwarte kleding, wit shirt, alles volgens de voorschriften. Ik vroeg iemand bij de receptie waar de togakamer was, ik moest me immers verkleden. Die zei: ‘Ik loop even mee.’ Toen we de trap op liepen, vroeg ze: ‘Ben jij van de muziek?’”

“Hier kun je nog om lachen, omdat het mijn positie op dat moment niet kon schaden. Maar dit zijn vooroordelen die bij mannen en bij vrouwen kunnen bestaan en waar je last van kunt hebben, bij benoemingen bijvoorbeeld. Als je ergens binnenkomt en ze zien er geen hoogleraar in, sta je echt al op achterstand.”

Sluiter zit achter een computerscherm. Fysiek afspreken ging niet. Haar moeder is 93 jaar, woont nog op zichzelf en heeft mantelzorg nodig. Sluiter gaat zo vaak mogelijk naar haar toe en gedraagt zich netjes, zoals ze het formuleert: ze ziet haar vrouw natuurlijk, en verder haar nichtjes – op een keurige anderhalve meter afstand in de tuin. Daarbuiten ­ontmoet ze eigenlijk niemand. Maar ze is zo veel aan het beeldbellen dat het helemaal niet voelt alsof ze geen mensen ­ontmoet.

Wat kunnen de klassieken ons leren over de coronacrisis?

“Wat je kunt zien, is dat zo’n extreme omstandigheid mensen laat nadenken over het functioneren van hun samen­leving. Dat gebeurde ook in de vijfde eeuw voor Christus. De geschiedschrijver ­Thucydides beschrijft in zijn Historiën de uitbraak van tyfus – die meestal de pest wordt genoemd, maar als je de symptomen bekijkt moet het gaan om vlektyfus – in die eeuw. De stad Athene is op dat moment heel vol. Door de Peloponnesische Oorlog zijn veel mensen van het platteland naar de stad gekomen, en aan het eind van het eerste oorlogsjaar breekt de epidemie uit.”

“Thucydides bestudeert het gedrag dat mensen aan de dag leggen. Er overlijden zo veel mensen dat je ze niet allemaal kunt begraven of cremeren. Mensen lopen rond te sjouwen met de lichamen van hun dierbaren, en als ze ergens een brandstapel zien die een andere familie heeft opgericht, gooien ze gauw dat lichaam erop. Zo stelen ze als het ware die brandstapel. Betekent dat nou dat je nu eindelijk ziet hoe zelfzuchtig mensen zijn? Is dat waarom wij nu wc-rollen hamsterden, om even een onschuldige parallel te zoeken? Of is het zo dat de mens best tot samenwerking geneigd is, maar dat ze zich onder zulke extreme omstandigheden op een voorspelbare manier slecht gaan gedragen? Dat soort denken over het menselijk leven zie je al in de oudheid.”

Beeld Annaleen Louwes

Dan maak je wel een enorme sprong in de tijd.

“Je moet je goed afvragen wat voor soort onderwerpen zich daarvoor leent. Vragen over de condition humaine werken over het algemeen goed. Ook in de oudheid moesten mensen omgaan met vragen over leven en dood, naar wat je leven zin en betekenis geeft, hoe literatuur werkt en wat je daaraan hebt. Cognitief verschillen we niet wezenlijk van de Grieken uit de vijfde eeuw voor Christus. Door te vergelijken, krijg je ook scherper wat er op dit moment gebeurt, en leer je te zien dat het niet per se zo moet zijn zoals het tegenwoordig is. Mensen denken graag in analogieën. De kunst is om de vergelijking niet plat te slaan, want dan ga je de mist in, maar om te zien wat je uit de verschillen en overeenkomsten kunt afleiden.”

En, kan dat?

“Thucydides werd zelf ook ziek en is genezen. Hij beschrijft niet alleen de symptomen, maar ook de wanhoop, hoe mensen reageerden als iemand ziek werd. De moed van de mensen die toch anderen verpleegden. Ze wisten niet hoe de ziekte zich verspreidde, maar ze wisten wel: als je iemand verpleegde die het had, kon je ook ziek worden. En hoe erg het was dat juist die moedige mensen vaak ook omkwamen. Een schitterend stukje proza.”

Het is een angstaanjagende parallel.

“Denk even in algemene termen. Als je zomaar iets uit je duim moest zuigen over een pandemie, dan was het toch dit soort dingen? Sommige mensen gaan dood, sommige overleven. Sommige mensen verzorgen anderen en komen er niet doorheen, sommige worden egoïstisch, andere niet. Dit is hoe mensen op elkaar reageren onder extreme druk. Op die punten is het superinteressant om met historische parallellen te werken.”

Wat gaat u doen als president van de KNAW?

“Het is net wat er op je afkomt. Nu blijkt dat mijn presidentschap vol in het teken komt te staan van corona. Dat is onvermijdelijk, dat heb ik niet gepland. Nu het zover is, denk ik wel: wat een bijzonder moment om aan te treden.”

Wat wilt u veranderen?

“Er was een periode dat er geschamperd werd over de wetenschap als ‘ook maar een mening’, als een van de vele dingen die zich in de maatschappij voordoen. Maar we leven in een kennismaatschappij en nu, in een moment van crisis, blijkt iedereen dat te weten. We keerden ons massaal naar het RIVM en de virologen. De politiek zei: wij volgen de wetenschap.”

Waarom praat u nou in de verleden tijd?

“Omdat we nu in de volgende fase zitten. Nu zijn we op het punt, dat we scherp moeten kijken naar wat wetenschappelijke kennis is en wat de twistpunten zijn. Er is zo veel onzekerheid over het coronavirus. Hoe zit het met besmettelijkheid zonder symptomen? Welke afstand moet je nou houden, hoe zit het met druppeltjes in de lucht? In een snelkookpan wordt daar op dit moment kennis over ontwikkeld, maar we moeten de besluiten wel nu nemen. Ik vind dat het tijd is om daar transparanter over te zijn. Wat is de wetenschappelijke basis van besluiten, en waar neemt de politiek de verantwoordelijkheid?”

Wat vindt u van Mark Rutte, die zegt: we moeten met vijftig procent van de kennis honderd procent van de besluiten nemen?

“Ik denk dat dat een optimistische schatting was van het aandeel kennis.”

En nu?

“We hebben ons de eerste weken van de crisis gericht op de medische aspecten. Maar er zitten ook heel andere kanten aan de crisis. Culturele, sociale, psychologische. De juridische kant: hoe zit het met de privacy, de status van de noodverordening, wordt het geen tijd dat die een wet wordt? Heeft een rechter daar wel naar gekeken? Of economische: we zeilen een recessie in. Over al deze gebieden is wetenschappelijke kennis. Ik hoop dat we in de komende periode die zo weten te kanaliseren dat onze regering daar weer beleid op kan maken.”

Een van uw zussen is ook hoogleraar geworden. Heeft u die ambitie van huis uit meegekregen?

“Nee. Mijn vader was vertegenwoordiger, mijn moeder was directeur van een verzorgingshuis. Ik ging wel graag naar school. Van elk schooltype waar ik op zat, dacht ik: als je hier toch later les zou ­kunnen geven! Dat heeft zich ontwikkeld van kleuterjuf naar universitair docent of hoogleraar, dat maakte me niet zoveel uit. Ik was tien toen ik naar de middelbare school ging. Jong, en piepklein. Dat viel wel op, dat moet gezegd. Ik geloof dat ik pas in de vierde een brugklasser heb ­mo­gen verwelkomen die kleiner was dan ik.”

Hoe lang bent u eigenlijk?

“Ik ga nog altijd uit van de laatste meting, die namelijk curieus precies was: 1 meter 54 en een half.”

Ik kan me voorstellen dat het in het wetenschappelijke wereldje handiger is om als vrouw in elk geval fysiek ruimte in te nemen.

“Ik heb daar nooit veel last van gehad. Ik ben wel aanwezig, al ben ik niet zo groot.”

Toen Ineke Sluiter 17 jaar was, overleed haar vader. Heel plotseling, aan een hartinfarct. Haar jongste zusje was al jaren ­eerder overleden, als baby van zeven maanden. Een meisje met het syndroom van Down en hartproblemen. Daar hadden ze, zegt Sluiter, tegenwoordig veel meer aan kunnen doen. Ook haar andere twee zussen leven niet meer. Eén overleed op 31-jarige leeftijd bij een auto-ongeluk, de andere, Judith Sluiter, UvA-hoogleraar medische selectie en begeleiding van werknemers, stierf in 2018 aan kanker.

Dat lijkt me niet zoals u het zich had voorgesteld, om op 58-jarige leeftijd als enige zus over te zijn gebleven.

“Nee. Zusjes zijn iets heel bijzonders, die horen niet zo vroeg weg te vallen. Dat zijn hele grote amputaties. Maar het is beter om wel zusjes gehad te hebben dan om ze niet gehad te hebben. Ik kon met niemand zo lachen, er is niemand zo het archief van je leven als je zusjes. Zij hebben alle hoogte- en dieptepunten meegemaakt. En dat mis ik nu wel. Maar ik ben altijd heel trots op en heel blij met ze geweest. Ik denk met veel warmte, plezier en vrolijkheid aan ze terug.”

Een zusje dat zo jong overlijdt, dat werpt toch een grauwsluier over je hele jeugd?

“Ik was zes. Ik weet nog heel goed dat ze stierf, en mijn moeder vertelt dat het me ook erg heeft beziggehouden, maar ik kan me dat gevoel niet meer goed herinneren. De dood van de andere twee kwam harder aan, want met hen had ik mijn hele leven doorgebracht. Mijn zusje Marijke kreeg een eenzijdig auto-ongeluk. Ze was de macht over het stuur verloren. Ze was net naar de kapper geweest, die ochtend. Ik wist dus zeker dat het echt een ongeluk was geweest. Dat vind ik wel fijn om te weten.”

Heb je bij de dood iets aan de klassieken?

“Ik heb altijd iets aan mijn vak, omdat het me troost en plezier geeft op momenten dat iets anders minder goed gaat. Mijn familie specialiseert zich in sudden death: mijn vader stierf plotseling, Marijke heel plotseling. Bij Judith hadden we zes weken. Dat houdt niet over, maar dat bood wel tijd om met elkaar te praten. Toen heb ik veel gehad aan de klassieken, over dit soort vragen hebben we vaak nagedacht. Daar heb ik het ook met haar over gehad. Niet zo van: wacht even, ik los dit op, want ik heb de klassieken gelezen. Zo werkt het niet. Maar de oudheid is altijd dichtbij, als een kader om andere dingen in te overdenken.”

“Op het moment dat Socrates de gif­beker moet drinken, sporen zijn vrienden hem aan het uit te stellen. Je kunt eerst nog dit doen, zeggen ze, en dat doen. Dan zegt Socrates: ‘Hoezo? Ik hoef niet meer te sparen als er niks meer is.’ Die houding zag ik ook bij mijn zusje, die haar lot geaccepteerd had en vond dat het leven netjes moest worden afgerond. Niet hangen aan het leven om het leven, als het eigenlijk niets meer toevoegt. Ze wist dat het niet meer leefbaar was. De soevereiniteit waarmee ze met die wetenschap is omgegaan, dat is absoluut een troost.” 

Ineke Sluiter als kind

Webinars

De KNAW organiseert wekelijks vrij toe­gankelijke bijeenkomsten. De komende weken zijn die niet in het Trippenhuis op de Kloveniersburgwal, maar online, als webinar. In juni is onder meer een vier­delige serie te volgen van de Akademie van Kunsten over het basisinkomen en is er een webinar over wat de wetenschap te zeggen heeft over mondkapjes.

Het basisinkomen (met Ingrid Robeyns, Arnoud Boot, Arjo Klamer en Ramsey Nasr): 2, 4, 8 en 11 juni, 16.30 uur
Wat de wetenschap weet over mondkapjes: 4 juni, 19.00 uur
www.knaw.nl/agenda

Ineke Sluiter

Amsterdam, 13 november 1959

1976-1984

Studie klassieke talen, VU Amsterdam

1985-1990

Promotietraject antieke ­grammatica

1998-nu

Hoogleraar Griekse taal en ­literatuur, Universiteit Leiden

2000-2011

Wetenschappelijk directeur Oikos, landelijke onderzoeksschool van classici

2001

Wint de onderwijsprijs van de Leidse Studentenraad

2010

Wint Spinozapremie (2,5 miljoen euro)

2017

Krijgt Zwaartekrachtsubsidie voor een onderzoeksprogramma naar het ­verankeren van innovatie in de oudheid

2018

Vicepresident KNAW

2020

President KNAW (1 juni). ­

Is daarnaast lid van de Paleiscommissie van het Paleis op de Dam, van de adviescommissie Beurzen van het Prins Bernard Cultuurfonds en van de raad van toezicht van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden

Ineke Sluiter is getrouwd met Margriet Rienks. Ze wonen in Aalsmeer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden