PlusInterview

Nicole van Vessum: ‘Straks is er geen Parade meer, het lijkt alsof niemand zich dat realiseert’

Het had een feestelijke jubileumeditie moeten worden, maar Nicole van Vessum (55), dertien jaar directeur van theaterfestival de Parade, vreest het ergste. ‘Straks is er geen Parade meer. Echt hoor, het lijkt wel alsof niemand zich dat realiseert.’

We kunnen echt niet meer aankomen met een zak patat of een plofkip.Beeld Erik Smits

Dertig jaar bestaat het rondreizend theaterfestival de Parade. Maar het feestelijke jubileum ontaardde in een grote deceptie, met dank aan corona. Geen tenten in het Martin Luther Kingpark dit jaar, geen Ellen ten Damme of Alex Klaasen, geen rosé, geen kinderparade, geen zweef-molen, geen snoepmeisjes, silent disco of Levende Jukebox.

Vorig jaar dacht Nicole van Vessum, directeur sinds 2007, voor het eerst: ik ben er. Alles is perfect. Het festival staat zoals het moet staan. Een programmering met balans, traditie en experiment, een organisatie op rolletjes. Eindelijk uit de schaduw van haar (ook letterlijk) grote voorganger, oprichter Terts Brinkhoff. En nu?

“Ik zou voor het eerst in de zomer drie weken met vakantie gaan,” zegt ze. “En in april wilde ik naar mijn dochter, die voor haar studie zeven maanden in Zuid-Korea is. Het is allemaal in het honderd gelopen, maar misschien gaan we nog met de auto naar Zuid-Tirol.”

Deze keer lekker kamperen?

“Kamperen? Nee, zeg. Met de caravan op de Parade, oké, maar in mijn vrije tijd ga ik echt niet kamperen. Het gekke is: ik mis hem wel. Ik had alles verwacht, maar niet dat ik slapen in de caravan zou missen. Of ’s ochtends met zijn allen onder de douche te staan. Dat je denkt: het moet niet gekker worden.”

Wat deed u toen u hoorde dat de Parade niet door kon gaan?

“Ik ben een hele ingewikkelde taart van Holtkamp gaan bakken.”

In Bar Kantoor in het Westerpark zit ze achter een cappuccino en een glaasje spa. Buiten piept een voorzichtig zonnetje ­achter de wolken vandaan. “Ik ben echt zo’n mannetje van The Muppet Show. Zo van: zul je net zien dat het de hele zomer mooi weer wordt. Snap je? Als het begint te stormen en te regenen, denk ik: mooi.”

U heeft tegenwoordig toch een potje voor slecht weer?

“Dat gaat nu dus allemaal op aan het staande houden van de organisatie. Er blijft niet genoeg over om volgend jaar een Parade van te organiseren.”

En dan?

“Dan vrees ik het ergste.”

De kermissen mogen weer open.

“De theaters ook.”

Wat let u?

“Wij krijgen geen subsidie, wij zijn afhankelijk van de massa en kunnen niet draaien op dertig procent van de bezetting. Dan kost het festival meer dan het opbrengt. Dat is voor ons niet haalbaar. Ik kan op het moment alleen maar stilzitten.”

Ze kijkt om zich heen. “De mensen zijn aardiger geworden. Tenminste: in de horeca, want op straat lopen ze gewoon weer recht tegen je op. Maar in de horeca moeten ze natuurlijk wel, nu ze weer een paar klanten toe mogen laten. Ik ben daar extra gevoelig voor, omdat ik vind dat we op de Parade ook aardig moeten zijn.”

Wat doet u nu de hele dag?

“Ik heb nog nooit zo hard gewerkt, lijkt het wel. We zijn bezig om onszelf staande te houden en geld te verzamelen om volgend jaar een doorstart te maken.”

“Een soort luchtfietserij. Kijken wat we nog kunnen doen. Laten zien dat we er nog zijn. In alle parken waar we normaal gesproken staan, hebben we de omtrekken van de tenten wit gespoten. Een footprint met een bordje erbij: ‘We komen terug, help ons en doneer’. In de Tolhuistuin organiseren we De Wereld van de Parade, met twee voorstellingen voor een publiek van honderd mensen. En op 29 augustus komt er in het Martin Luther Kingpark in onze grootste tent een benefietgala: 250 kaartjes van 250 euro. Dat levert bij elkaar toch weer 62.500 euro op, waarvan ongeveer de helft overblijft.”

Wat een treurigheid.

“Dat je denkt: bestaan we hier nou ­dertig jaar voor?”

Bent u boos?

“Op wie zou ik boos moeten zijn?”

Nou: we mogen wel met zijn allen in een vliegtuig, maar niet in uw tent.

“Die discussie heb ik vaak in mijn hoofd gevoerd, ja. Zoals zoveel theaterdirecteuren dat hebben gedaan. Waarom mag je in de trein wel met een maskertje op achter elkaar zitten en bij ons niet? Mijn dochter gaat in Zuid-Korea naar een grote musical. Daar mag het wel. Ik weet het niet: dat is misschien ook de goden verzoeken.”

Dat je denkt: bestaan we hier nou dertig jaar voor?Beeld Erik Smits

Er zijn mensen die demonstreren tegen alle maatregelen.

“Dat vind ik dus echt belachelijk. De straat op gaan en roepen: het is mijn vrijheid. Kom op zeg, neem je verantwoordelijkheid. Het is een dooddoener, maar uiteindelijk is iedereen bij ons nog gezond. Laten we dat zo houden.”

Boven de Parade hangt inmiddels de doem van het faillissement. Omdat het festival geen subsidie krijgt, kan het ook niet aankloppen voor overheidssteun. Datgene waarom de Parade altijd is geprezen, hun onafhankelijkheid en vermogen de eigen broek op te houden, dreigt de organisatie nu de kop de kosten.

“Gekmakend,” zegt Van Vessum. “We ­hebben een noodbrief gestuurd naar de gemeenten waar we zouden staan: Eindhoven, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Amsterdam. We hebben ongeveer vier ton nodig om te overleven. Utrecht was de eerste die reageerde: we kunnen misschien iets voor jullie doen, maar alleen als de andere gemeenten dat ook doen. In Amsterdam heb ik een gesprek gehad met ambtenaren van wethouder Touria Meliani. Maar geld is er nog niet.”

“Mijn grootste zorg is: hoe houd ik de boel bij elkaar? De Parade bestaat voor het overgrote deel uit zzp’ers, die voor hun inkomen niet onder de NOW-regeling vallen. Wij hebben de helft van ons loon in moeten leveren. Er zitten ook gezinnen met twee kinderen bij. Als die straks een andere baan kunnen krijgen, zijn ze weg. Dan is er geen Parade meer. Echt hoor. Het lijkt wel of niemand zich dat realiseert.”

Dan, verzuchtend: “Je kunt ook niet verwachten dat mensen de hele dag denken: help, de Parade valt om. Iedereen is nog bezig neer te dalen in zijn eigen ellende.”

Er is 300 miljoen euro beschikbaar gesteld voor cultuur.

“In het gekke Engeland met zijn brexit wordt 1,7 miljard euro uitgetrokken voor kunst.”

Wat denkt u dan?

“Niets. Overal vindt iedereen iets van. En allemaal zijn we boos. Op het kabinet, op de minister. Ik kan daar niet zoveel mee. Driehonderd miljoen is beter dan niets, al krijg ik er niks van. Mijn man is voorzitter van de taskforce van Kunsten ’92, die de overheid adviseert over wat er moet gebeuren om de cultuur overeind te houden. Nu we thuis moeten werken, hoor ik al die gesprekken over hoe moeilijk het is.”

Eigenlijk gaat uw man dus over uw geld?

“Ehm, ja, misschien.”

Dat lijkt me lastig.

“Nou ja, hij gaat er niet over, hij probeert een advies tot stand te brengen. Hij zegt wel: we moeten de hele sector bedienen, ook de vrije producenten, kleine theaters en festivals als de Parade. Wat mij opvalt: iedereen denkt dat we gesubsi­dieerd zijn.”

Of: die anarchistische bende krabbelt in januari wel weer op.

“Jaja, we zetten gewoon een paar tenten neer en hangen wat lampjes op. Tijdens de Parade werken hier 2800 mensen en er komen jaarlijks 250.000 bezoekers! Zal ik je de regels eens laten zien die we moeten handhaven? De Parade lijkt op een militaire operatie. Alleen al de water- en stroomvoorziening. Dat moeten we ­allemaal zelf regelen.”

Waarom is de Parade zo populair?

“Het is de mix. Alles door elkaar. In die zin misbruiken we het anarchistische plaatje. Naast de Levende Jukebox laten wij ook dingen zien waarvan mensen denken: wat is dat? Of: wat eng. Omdat het bij ons maar een half uurtje duurt, ga je toch naar binnen en ontdek je: moderne dans is helemaal niet eng. En daarna kun je lekker wat eten en drinken.”

Soms, zegt ze, vechten trots en frustratie om voorrang. “In de jaren negentig waren we een van zes festivals. Nu zijn er vierhonderd. We zijn een stiekem voorbeeld geweest. Als ik op het terras zit en ik zie oude houten tafeltjes en stoeltjes, denk ik: waar doet me dat aan denken? Theatergezelschappen die meerdere keren op een dag optreden? Rosé? Twintig jaar geleden vond iedereen dat belachelijk en nu staat het in de koelkast bij Albert Heijn.”

Vorig jaar was uw voorganger Terts Brinkhoff er voor het eerst niet meer bij.

“Hij mocht al langer niet meer meedoen, zeg maar. Daar hield hij zich goed aan, al heeft dat ook wrijving gegeven. De eerste jaren was het echt knokken. Hij is natuurlijk…

Een dominante man?

“Welk interessante persoon is niet dominant?”

Heeft u zijn creatieve chaos gestroomlijnd?

“Ik moet me vooral aan veel meer regels houden. Af en toe begon hij nog: ‘Twintig jaar geleden…’ Dan zei ik: ‘Terts, ga je ons nu weer tips geven hoe we om de gemeente heen kunnen werken? Dat kan niet meer. De organisatie is te groot geworden om anarchistisch te zijn.’”

“We kunnen ook echt niet meer aan komen zetten met een zak patat of een plofkip. Wij verkopen geen spa rood, maar kraanwater waar we zelf het koolzuur doorheen mixen. Dat is het interessante aan de Parade: je laat niet alleen theater zien, je probeert ook het goede voorbeeld te geven aan de wereld.”

Hoe zou u úw stijl van leidinggeven willen omschrijven?

“Van het harmonieuze model, maar ik ben wel gewoon de baas. Ik wil mijn zin hebben. Als het moet, ben ik streng en normatief. Ik weet wat mijn minpunten zijn.”

Wat zijn die dan?

“Dat ik soms zeg: dit is hoe we het gaan doen.”

Grappig dat u dat een minpunt noemt.

“Hoezo?”

Dat is toch wat bazen moeten doen.

“Ik vrees dat niet iedereen dat met je eens is in deze club. Niet iedereen vindt me aardig, maar daar ben ik inmiddels wel voorbij. Ik wil wel graag aardig gevonden worden, maar dat lukt gewoon niet altijd. Je kunt dat ook moeilijk verwachten als je elk jaar mensen afwijst. Deze keer hadden we 150 kunstenaars, stuk voor stuk met goede ideeën. Tegen de helft moest ik zeggen: kom volgend jaar maar terug, want voor jou heb ik geen plaats.”

Krijgt u dan een hekel aan uzelf?

“Nee, want ik kan het mezelf goed uitleggen.”

Hebt u altijd leiding willen geven?

“Je rolt erin, maar ik geloof niet dat ik nu nog onder een ander kan werken. Als ik ooit een andere baan krijg, wil ik wel de directeur zijn. Of klinkt dat arrogant?”

Denkt u nog weleens aan uw tijd als tentenbouwer?

“Grootmoeder vertelt. Ik ben heel blij dat ik dat niet meer hoef te doen.”

Het was een onbezorgde tijd.

“Ik zat op de modeacademie en werd voor de grap door Bram Vermeulen gevraagd of ik roadie wilde worden. Zo ben ik het theater in gerold. Ik werkte bij het Werktheater en bij Orkater, ik was op de Boulevard of Broken Dreams, de voorganger van de Parade, de eerste vrouwelijke tentenbouwer en was vijf jaar ouvreuse in De Kleine Komedie. Daar is de bodem gelegd.”

Mijn grootste zorg is: hoe houd ik de boel bij elkaar?Beeld Erik Smits

Had u zelf het theater niet in gewild?

“Ik heb heel even de theaterschool geprobeerd, maar dat was niet zo’n goed idee.”

Moest u een komkommer nadoen?

“Een zonnebloem, echt letterlijk. Voor de auditie deed ik een stukje uit De getemde feeks van Shakespeare. Ik was zenuwachtig. Toen ik opkwam kregen ze al de slappe lach. Ik wilde alleen maar weg.”

U zult nu toch ook af en toe het podium op moeten.

“Ik vind het afgrijselijk. Maar ik doe het toch, al maakt iedereen er grappen over.”

Heeft u daarom ook bewondering voor acteurs?

“Ach nee, sommige acteurs staan na veertig jaar spelen nog steeds te kotsen als ze op moeten. Ik heb bewondering voor hun ambacht, niet voor het feit dat ze op het podium staan. Het zijn ego’s. Dat moet ook wel, want dat heb je hard nodig als je daar met heel je ziel en zaligheid staat.”

Is er weleens eentje weggelopen?

“Bij mij? Omdat ik iets stoms had gezegd? Nee. Al zullen ze het in hoofd soms wel hebben gedaan.”

De Parade, zegt ze, is nog altijd ‘een soort Italiaanse familie’. Een vakantiekamp voor de tientallen jonge mensen die er jaarlijks komen werken. “Dat gaat dus ook niet door. Terwijl ze zich er na dit rare schooljaar zo op hadden verheugd. Ik ben in de loop van de jaren beter gaan zien wat voor mooi sociaal netwerk de Parade is. Een soort vrijstaatje, waar de mensen zich veilig voelen.”

“Er wordt nooit gevochten bij ons. Er is een soort aardigheid voor elkaar. Leven en laten leven en alles loopt door elkaar heen. Op de Parade zijn veel relaties begonnen. Dan kom ik ergens iemand tegen en die zegt dan: wist je dat ik mijn man op de Parade heb ontmoet? Van bezoekers krijg ik ook zulke lieve berichten. Dan voel je dat je er toch wel toe doet.”

Uw kinderen zijn groot geworden op de Parade.

“Mijn dochter heeft bij de poffertjes gewerkt. Ze mocht snoepmeisje worden, maar dat wilde ze niet. Terwijl ik dacht: snoepmeisje! Mijn zoon wilde er niets van weten. Hij vond het te veel gedoe. Hij houdt van voetballen, niet van drukte. Vroeger moest hij mee in de caravan, maar nu hij wat groter is wil hij niet meer.”

Ik kan me ook voorstellen dat je een grondige hekel krijgt aan de Parade als je elke zomer mee moet van je moeder.

“Dat zou zomaar kunnen.”

Uw eerste huwelijk heeft de Parade niet overleefd.

“Nee. Het vraagt nogal wat van je partner om elke zomer in zo’n caravan te moeten zitten. Als ik het opnieuw moest doen, zou ik het anders aanpakken. Maar weet je: toen ik net directeur was, moest ik bij elk interview uitleggen hoe ik dat deed met kleine kinderen. Dat werd aan Terts nooit gevraagd. Ik wilde mezelf bewijzen. Ik zou het allemaal even laten zien, ik was immers ook de eerste vrouwelijke tentenbouwer geweest. Misschien is de prijs te hoog geweest. Zo voelt dat soms.”

“Om me heen zie ik andere relaties stukgaan. Ik waarschuw: denk niet dat het makkelijk is met twee kleine kinderen. Neem ze niet zomaar een hele zomer mee naar de Parade om ze in een caravan te laten slapen en verwacht niet automatisch van je partner dat hij dat ook wil.”

Staat er al iemand te trappelen om u van de troon te duwen?

“Vast wel. Ik denk natuurlijk dat ik niet oud ben. Als je al zo lang meedraait in zo’n vrije omgeving, denk je dat je altijd jong blijft. Maar uiteindelijk ben je dat niet. Dan is er iemand uit 2000 die bij ons werkt en denk ik: jezus, dat kind is al 20! Soms moet ik erom lachen, maar vaker moet ik eraan wennen.”

“Er wordt me af en toe wel gevraagd: wanneer ga je weg? Natuurlijk denk ik soms: ik moet wat anders, maar niet in dit jaar. Ik ben een oude rot, die de waardes van de Parade kent en kan kijken hoe het verder moet. Ik moet er niet aan denken dat iemand anders onder deze omstandigheden had moeten beginnen. Dan was het met de Parade meteen klaar geweest.”

Nicole van Vessum

10 december 1964, Portland, Oregon (Verenigde Staten)

1977-1982

Coornhert Lyceum (havo), ­Heemstede

1982-1983

Modeacademie Charles ­Montaigne, Amsterdam

1986-1990

Beeldende vorming, Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

1990-1993

Culturele bedrijfsvoering, ­Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

1982

Roadie van Bram Vermeulen

1983-1985

Tentenbouwer op de Boulevard of Broken Dreams

1993-1999

Medeorganisator Uitmarkt

2000-2007

Programmeur bij de Parade

2007-heden

Directeur van de Parade

Nicole van Vessum woont met haar man in de Houthaven. Ze heeft een dochter (21) en een zoon (19).

Nicole van VessumBeeld privé archief

Wat nog wel doorgaat:

- De Wereld van de Parade, Tolhuistuin, 29 en 30 juli en 1 aug. en 27 en 28 aug.
- De Parade gaat door, Paradiso, 10 t/m 16 aug., met Alex Klaasen, Henry van Loon, Ko van den Bosch, Stan Vreeken en Anne-Fay Kops
- Benefietgala, Martin Luther Kingpark, 29 augustus
- Ter ere van het jubileum is het magazine 30 jaar Parade gemaakt

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden