PlusReportage

New Yorkse toestanden: parken zijn niet meer alleen ‘de longen van de stad’

Vondelpark. Beeld Sem Langendijk
Vondelpark.Beeld Sem Langendijk

In de stadsparken lijkt groen tegenwoordig bijzaak. Het gaat er meer dan ooit om socializen, eventueel met een espressootje of een hippe hotdog in de hand. New Yorkse toestanden in Amsterdam. Maar welk park is bedoeld voor wat?

Het krioelt in het Sarphatipark. Met honderden tegelijk zijn ze neergestreken rond het beeld van de naamgever van het park. Tieners zijn het, vrijwel zonder uitzondering, de meesten zullen niet ouder zijn dan een jaar of zestien. Ze zitten op hun jassen of op een plastic tas waarin ze een illegale sixpack bier hebben aangevoerd. Op oude lakens, picknickkleden of, ook een aanzienlijk deel, gewoon met hun coolste witte spijkerbroeken in grazig gras. Vlekken zijn van later zorg.

Als twintiger val je op deze plek min of meer al uit de toon. Dertigers kunnen zich rond het standbeeld met goed fatsoen nauwelijks vertonen. Nog ouderen kunnen sowieso beter hun heil elders zoeken.

Zoek het Sarphatipark maar eens met Google Maps. Omschrijving: ‘Rustig park met beeld en vijvers.’ In theorie klopt dat, maar het overgrote deel van de dag is de kwalificatie vooral gedateerd. Het park, en dan dus vooral het grasveld rond het beeld, is overgenomen. Door jongeren. Die hier niet komen voor het beeld en de klassieke vijvers en al helemaal niet voor hun rust. Voor hen heeft het park maar één functie: elkaar ontmoeten.

Ongeveer 6 kilometer naar het zuidoosten is het op dit moment ook het einde van de middag. Perfect parkweer: een graad of 22 en geen wolkje aan de lucht. Een beetje wind zorgt voor net niet te veel afkoeling. In dit park, de Bijlmerweide, is nergens iets van drukte te bekennen. Twee mannen van middelbare leeftijd zitten op een bankje. De stilte indachtig spreken zij zo ongeveer op fluistertoon met elkaar, hoewel geen hond last zou kunnen hebben van hun conversatie .

Bijlmerweide. Beeld Sem Langendijk
Bijlmerweide.Beeld Sem Langendijk

Op een hindernisbaan spelen kinderen uit de naastgelegen laagbouwwijken. Zij springen van boomstam naar boomstam. Blij dat ze dit park naast hun buurtje hebben, zegt een ouder die, kom daar nog maar eens om, met groot vertoon van ontspanning de krant van voor naar achter leest. “Rust, ruimte, groen: dit park heeft alles wat je van een park mag verwachten.”

Even verderop, onder aan de ook niet overdreven intensief gebruikte Provincialeweg naar Driemond en Weesp, is een groepje mannen, variërend in leeftijd van halverwege de dertig tot een heel eind in de vijftig, op hun dooie gemak een balletje aan het trappen op het voetbalveld. Ieder doelpunt wordt met luid gejuich gevierd. Ze komen hier vaker, zegt een van hen. “Echt gras, met van die pollen waardoor de bal alle kanten op schiet. Veel beter dan dat kunstgras bij die vereniging waar we vroeger wel eens heengingen. Even eruit, heerlijk.”

Aan de kant zitten er twee die al uitgeteld zijn, een groot blik bier in de hand. “Even bijkomen, hoor, hier doe ik het uiteindelijk voor.”

Terras

Twee parken, allebei in Amsterdam. Veel verschillender kan het niet. Bezoekers van beide parken krijgen precies waar ze op uit zijn: rust en weidsheid op de Bijlmerweide, rumoer en gezelligheid in het Sarphatipark. Maar ook dus: ontmoeting. Wat ooit het terras was, is tijdens corona het park geworden. Zitten, kijken naar de mensen. Met als verschil dat je in het park meestal zelf voor je drankje moet zorgen.

Wat alle parken in deze tijd gemeen hebben: mooier dan nu worden ze niet. Door het natte voorjaar en het toch nog plots schitterende weer van de laatste weken is de natuur ontploft. Waar vorig jaar rond deze tijd alles geel kleurde, is het groen nu nog heldergroen. Alles wat een andere kleur heeft, is zo fel dat het bijna onnatuurlijk oogt. Bosschages groeien tot ver buiten de hen toebedachte zones, wie zich over een van de vele slingerende paden van bijvoorbeeld het Beatrixpark of het Flevopark beweegt, waant zich even in daadwerkelijke natuur. Het is weelderig in het kwadraat.

Rembrandtpark. Beeld Sem Langendijk
Rembrandtpark.Beeld Sem Langendijk

En dat heeft effect op ons welzijn, zegt Imke van Moorselaar, adviseur Milieu en Gezondheid van de Leefomgeving van de GGD Amsterdam. Hij deed onder meer onderzoek naar het gebruik van het Noorderpark. Na een aantal investeringen steeg het aantal mensen dat van het park gebruikmaakte. Belangrijk, zegt Van Moorselaar. “Parken in de stad kunnen op verschillende manieren bijdragen aan positieve gezondheidseffecten. Het is een natuurlijke omgeving die uitnodigend kan werken om fysiek actief te zijn.”

Van Moorselaar ziet met genoegen dat parken steeds vaker worden gebruikt om in te sporten. “Parken zijn een aantrekkelijk plek om actief te zijn. Ook op andere vlakken van gezondheid kunnen parken een positieve bijdrage leveren. In het groen zijn zorgt voor rust en ontspanning en vermindert de stress. Daarnaast worden mensen in een groene omgeving minder blootgesteld aan schadelijke omgevingsfactoren zoals uitlaatgassen, geluid en hitte.”

Recreatieveld

De stad telt ongeveer vijftig parken. Dat ‘ongeveer’ is veelzeggend, want wat is een park? Volgens de gemeente is bijvoorbeeld het groen rond de Schellingwouderbreek in Noord een park, hoewel weinig mensen dat zo zullen ervaren. Ook het Theo van Goghpark op IJburg geldt als park, terwijl dat wellicht wel de afmetingen heeft van een parkje, maar vooral aanvoelt als een uit de kluiten gewassen recreatieveld. En wat te vinden van recreatiegebieden als Spaarnwoude en De Bretten of het Amsterdamse Bos? Groen, dat zeker, maar voor een stadspark wat weinig stads.

Volgens wethouder Laurens Ivens van Wonen, Openbare Ruimte en Groen – lievelingspark: het bescheiden Baanakkers­park in Noord – is het het belangrijkste dat parken voor iedereen leuk blijven. “Parken kunnen eilandjes van rust zijn, plekken waar mensen zonder achtertuin even de stedelijke druk kunnen ontvluchten. Dat moet je ook hebben, naast plekken die vooral worden gebruikt om elkaar te ontmoeten. Mijn zorg is dat alle parken pretparken worden. We hebben al een Vondelpark en een Sarphatipark, het hoeft niet allemaal zo te worden. Er moet iets te kiezen zijn.”

Parken zijn misschien wel populairder dan ooit. Was het stadspark vroeger de plek waar je je hond uitliet en moeders vanaf de rand van de zandbak of het pierenbadje hun kinderen in de gaten hielden, tegenwoordig zijn het hippe plekken, ook voor niet zo hippe mensen. De stad vertoeft er. Door elkaar heen en van elkaar gescheiden.

En bij zitten alleen blijft het allang niet meer. Neem bijvoorbeeld het Oosterpark op zo ongeveer elke willekeurige vooravond dat het niet regent. Bij de muziekkapel borrelt en bruist het. Er wordt geskatet, van alle kanten klinkt muziek. Verkopers met kleine karretjes met kwaliteitskoffie of de betere, en inderdaad ook duurdere hotdogs hebben zich aan de randen van het geasfalteerde deel van het park opgesteld en doen goede zaken. New Yorkse toestanden, Central Park in het klein.

Oosterpark. Beeld Sem Langendijk
Oosterpark.Beeld Sem Langendijk

Dat klinkt afschuwelijk voor wie na een lange thuiswerkdag op zoek is naar een beetje rust aan zijn hoofd, die geen gedoe wil. Maar ook voor de rustzoeker biedt het Oosterpark uitkomst: her en der zijn er veldjes te vinden waar je, mocht je daar per se behoefte aan hebben, de mensenmassa’s vanaf een afstandje kan bezien. Liggend op een kleedje of, dat zie je steeds vaker, gezeten in een luie campingstoel. De bedrijvigheid in het park wordt een ruis op de achtergrond, hooguit af en toe gelardeerd met het belletje van een optrekkende tram, daar achter de bomen, waar de stad zijn aanwezigheid prijsgeeft. Dichtbij, maar tegelijk op afstand.

Longen

Het is zoals het park is bedoeld, zeggen Philomene van der Vliet en Jan Maas, landschapsarchitecten en oprichters van Boom Landscape op het KNSM-eiland. Maas: “Parken vormen van oudsher de longen van de stad. Maar ze zijn ook plekken waar je even de illusie kan hebben dat je de stad uit bent. Het was een reis voor mensen die niet konden reizen.”

Oosterpark. Beeld Sem Langendijk
Oosterpark.Beeld Sem Langendijk

Het Oosterpark is daar een mooi klassiek voorbeeld van, zegt Maas. Hij wijst op de bosschages aan de rand van het park, die de stenige stedelijke ruimte scheidt van het zachte parklandschap. “Je hebt een sierhek met een aantal toegangspoorten. Als je daar doorheen loopt, bevind je je even in iets dat je met een bos zou kunnen vergelijken. Vervolgens openbaart zich het park in haar volle glorie: weids, ruimtelijk en groen. Heel anders dan de stad, de plek die je zojuist achter je hebt gelaten.”

Het is ook niet voor niets dat parken vaak fonteinen hebben, aldus Van der Vliet. De fontein is een ode aan zuiverheid en brengt verkoeling, zegt ze. De fontein in het Sarphatipark is een monument ter ere van Sarphati, die als arts hygiëne in de stad bracht. “Tegelijk brengt het geruis van het water je naar de natuur, maar het overstemt ook de geluiden van de stad. Daar is over nagedacht.”

Zuidas

Maas en Van der Vliet bemoeien zich al jarenlang met parken in binnen- en buitenland. Nog niet zo lang geleden maakten ze, geheel op eigen initiatief, een ontwerp voor een park dat vreemd genoeg nog niet bestaat: het Zuiderpark. Er zijn natuurlijk allerlei parken in Zuid, maar nog niet een die is vernoemd naar het stadsdeel. De plaats waar Maas en Van der Vliet het hadden ingetekend: op de Zuidas, daar waar, mochten de benodigde miljarden ooit worden gevonden door gemeente en Rijk, de Ring A10 ondertunneld moet worden aangelegd en er ruimte vrijkomt.

Of het park er daadwerkelijk zo komt is de vraag, dat was ook niet in de eerste plaats de bedoeling van hun ontwerp. Het dient vooral om een aanzet te geven tot discussie, zegt Van der Vliet. “We hebben hier het park centraal in het hart van de Zuidas gelegd. Net als destijds het Sarphatipark, dat centraal ligt in De Pijp.”

Dat biedt de mogelijkheid nieuw publiek domein toe te voegen aan de stad, zeggen de ontwerpers: openbare ruimte waar volgens hen mensen, culturen en groepen elkaar onvermijdelijk gaan ontmoeten. En hoewel hier in hoofdzaak kantoren zijn gevestigd, dringt de vergelijking met Central Park zich op: een groene rechthoek met hoogbouw langs zo ongeveer alle zijden. Niet vlak, maar geplooid, met diagonale en bijna meanderende paden die moeten contrasteren met de zakelijke rechte lijnen van de omgeving. “Op het tunneldak mogen geen gebouwen komen, dus dat biedt mogelijkheden voor iets als een park.”

Er is behoefte aan, denken Maas en Van der Vliet. Het stadspark als concept mag dan ten minste een eeuw aan verleden hebben, het is tegelijk een springlevend idee. Van der Vliet: “Juist op zo’n Zuidas snakken mensen naar contact buiten die zakelijke omgeving. Een plek waar je mensen tegenkomt met wie je juist niet hebt afgesproken.”

Parken bieden de mogelijkheid te ontsnappen aan de viezigheid van de stad, in een representatie van natuur: niet daadwerkelijke natuur dus. Het is een schijnbare tegenstelling, zegt Maas. “Bijna niets is zo stedelijk als het park. Dat zie je ook terug in de groeiende populariteit van stadsparken. Iedereen komt daar: jong, oud, mensen van alle culturen. Hondenbezitters zien elkaar op het hondenveld, sporters doen hun klasjes in een ander hoekje. En dat allemaal in een groene, onstadse omgeving.”

Leefbaarheid

De populariteit heeft een keerzijde, het kan niet anders. Want waar ruimte schaars is, staat leefbaarheid onder druk. Neem het Vondelpark, het archetypische Amsterdamse stadspark, waar vooral de oostelijke zijde al wekenlang het grootste gedeelte van de dag uit zijn voegen barst van de bezoekers. Alles klit hier samen. En dan is er nog het soort vermaak: er wordt gedronken en geblowd, omwonenden van het park horen hoe gascilinders worden ingezet om ballonnetjes te vullen met lachgas.

Vondelpark. Beeld Sem Langendijk
Vondelpark.Beeld Sem Langendijk

Maar zelfs het Vondelpark krioelt lang niet overal. Toegeven: het is er nergens echt uitgestorven, maar loop vijf minuten richting Amstelveenseweg en je voelt de van lachgas verzadigde lucht weer zuurstofrijker worden. De ontspanning daalt weer neer.

Het tekent het probleem van de gemeente: parkruimte mag dan schaars worden genoemd, welbeschouwd is er ruimte zat. De vraag is vooral hoe je die ruimte gebruikt. Er wordt stevig over nagedacht. Hoewel het nog niet concreet is, werkt de gemeente aan nieuwe parken en de vraag welke ‘karakters’ die parken moeten krijgen, zegt wethouder Ivens. “Verschillende parken moeten verschillende karakters krijgen. Dat hebben ze natuurlijk al, maar door de manier waarop je ze inricht, kun je dat nog duidelijker doen. Kijk naar het Noorderpark: daar is een zonneweide, maar er is ook een plek die echt heel geschikt is voor wandelaars, voor rustzoekers.”

Welk park doet wat? Nog deze collegeperiode wil Ivens het onderzoek naar deze ‘karakters’ officieel in gang hebben gezet, het streven is dat Amsterdamse stadsparken over dertig jaar een goede balans kennen tussen drukke en rustige delen, zegt hij. Er moet ruimte zijn om in de zon of in de schaduw te zitten, elkaar te ontmoeten op een grasveld of terras, te sporten, te spelen en te werken. Er moeten nieuwe parken worden aangelegd in bestaande gebieden waar weinig parken zijn of in gebieden waar nieuwe woningen worden gebouwd.

Een voorbeeld van zo’n ‘nieuw’ park is de samenvoeging van plantsoenen, zoals bij het Eerste en Tweede Weteringplantsoen. Nu rijdt de tram er nog omheen, maar er zijn, al jaren overigens, plannen om de rails recht te trekken van de Vijzelgracht naar de Ferdinand Bolstraat. Wat nu nog een circuit is, wordt daarmee een plantsoen 2.0. Dat kan dan tussen aanhalingstekens een park heten.

Noorderpark. Beeld Sem Langendijk
Noorderpark.Beeld Sem Langendijk

Maar ook het nieuwe Haven-Stad en het Buiteneiland op IJburg moeten hun eigen parken krijgen. Landschapsarchitecten Maas en Van der Vliet zien daarin een voortzetting van een Amsterdamse traditie. Maas: “De klassieke stadsparken als Oosterpark, Sarphatipark en Vondelpark werden ook aangelegd omdat de stad het destijds belangrijk vonden dat nieuwe buurten een eigen park kregen, zodat bewoners de stad even konden ontvluchten.”

Zal het een adequaat antwoord zijn op die toenemende drukte? Zal er voldoende ruimte zijn voor mensen die vooral voor hun rust komen? GGD-adviseur Imke van Moorselaar: “Het is vooral van belang dat het park een plek blijft waar alle mensen uit de stad een plekje kunnen vinden. Uit onderzoeken blijkt dat veel parken vooral worden gebruikt door hoogopgeleide stedelingen. Terwijl je ook groepen met een lage sociaal-economische status van de voordelen van parken gebruik zou willen laten maken, die kunnen er relatief het meest van profiteren. In het algemeen kun je zeggen dat er in parken ruimte genoeg is.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden