‘Bij ons moest alles journalistiek zijn als het persoonlijk werd.’

PlusInterview

Natascha van Weezel: ‘Ik weet niet wat goed rouwen is’

‘Bij ons moest alles journalistiek zijn als het persoonlijk werd.’Beeld Erik Smits

Schrijver en Parool-columnist Natascha van Weezel (33) schreef een boek over de ziekte en dood van haar vader, parlementair journalist Max van Weezel. En over het rouwen daarna. ‘Ik praat, dat is belangrijk.’

Max van Weezel zou van deze tijd genoten hebben. “Hoe cru dat ook klinkt,” zegt zijn dochter Natascha van Weezel. Een vrijwel uitgestorven Binnenhof en af en toe een persconferentie van de premier met nieuwe onheils­tijdingen voor het land. Een kolfje naar de hand van de nestor van de parlementaire journalistiek.

“Maar hij had het ook doodeng gevonden,” zegt ze. “Dat hij zelf ziek zou worden of mijn moeder of ik.” Hij zou in elk geval werken als nooit tevoren. Alles om de demonen op afstand te houden. “Nooit je zwaktes tonen,” zei hij vaak tegen zijn dochter. “Daar kunnen anderen je op pakken.”

Op 22 maart 2018 kreeg Max van Weezel, politiek commentator van Vrij Nederland en presentator van Met het oog op morgen op Radio 1, te horen dat hij alvleesklierkanker had. Ruim een jaar later, op 11 april 2019, stierf hij, vroeg in de ochtend, een pluchen knuffelbeer in de hand. Hij werd 67 jaar oud. Natascha van Weezel schreef er een boek over, een verslag van ziekte en dood, en van het moeizame en langdurige rouwproces daarna.

Hoe is het om je vader aan een slopende tumor ten onder te zien gaan? ‘Het is net alsof ik een ernstig ongeluk in slow motion zie gebeuren en niets kan doen om het tegen te houden,’ schrijft ze.

Uw vader wilde niet weten dat hij doodging.

“Hij was nog niet klaar met leven. Vlak voor zijn dood schreef hij in zijn dagboek: mijn lichaam is op, maar ik wil nog niet. Hij klampte zich vast aan alles. Daar ga je een hele tijd in mee, maar op een gegeven moment kijk je naar de feiten en zie je dat iemand ondanks de behandelingen alleen maar achteruitgaat.”

Als journalist was hij toch ook gewend naar de feiten te kijken.

“Hij heeft tot op het laatst gehoopt op een wonder. Ik heb aan zijn gezicht gezien wat er gebeurt als iemand tegen je zegt dat je doodgaat. Totale ontreddering.”

Kon u daarover met hem praten?

“Ik heb het geprobeerd.”

Maar het is niet gelukt.

“Dat was onmogelijk. Toen het nog relatief goed ging met hem hebben we een wandeling gemaakt en zei hij: ‘Ik was steeds bang dat ik mensen teleur zou stellen. Dat ik vergeten zou worden. Maar waarom eigenlijk? Nu is het te laat.’ Uit die woordjes ‘te laat’ kon ik opmaken dat hij het wist.”

Denkt u dat hij vrede heeft kunnen vinden?

“Nee.”

Dat lijkt me een moeilijke gedachte.

“Ik had gewild dat het anders was, maar hij heeft zich er nooit bij neergelegd. De manier waarop hij doodging, dat was verschrikkelijk. Hij heeft een doodsstrijd gevoerd. Hij wilde niet weg van het leven, niet weg van mijn moeder en mij, niet weg van zijn collega’s en zijn werk. Hij vond het leven te bijzonder.”

Was u eerlijk tegen hem?

“De dokter heeft tegen hem gezegd dat hij doodging. Ik heb het gezegd, mijn moeder heeft het gezegd.”

Hoe reageerde hij daarop?

“Ik wil slapen, zei hij dan. Of: kun je mijn iPhone opladen? En soms, op een kwetsbaar moment, zei hij: ik ben bang. Dan probeerde je verder te praten, maar dat ging niet. De huisarts zei tegen mijn moeder en mij: het is belangrijk dat jullie jezelf in de spiegel aan kunnen kijken op het moment dat dit voorbij is, dat je alles hebt gezegd wat je wilt en dat je nergens spijt van hebt.”

Vond u het vervelend dat hij zo hard is blijven werken?

“Tot een maand voor zijn dood is hij Met het oog op morgen blijven presenteren. Ik dacht: zou je niet beter leuke dingen kunnen gaan doen met mijn moeder en mij? Maar hij wás zijn werk, dat vond ik ook mooi. Het was dapper dat hij zo bleef doorzetten. Thuis zagen we dat hij soms kreunend van de pijn naar de studio in Hilversum vertrok om hem een paar uur later monter en opgewekt op de radio te horen. Heel verwarrend. Mensen zeiden: wat gaat het goed met hem.”

Op het laatst wilde iedereen een stukje Max van Weezel hebben.

“Een paar dagen na zijn dood werd ik op straat aangeklampt door een luisteraar. Hij begon te huilen: ik mis hem zo. Terwijl ik net mijn best deed om gewoon boodschappen te doen. Het maakte me soms boos. Dat ik dacht: het is mijn vader, blijf af.”

“Mijn moeder en ik zeiden af en toe tegen hem: je wordt nog de bekendste kankerpatiënt van Nederland. Is dat hoe je de boeken in wilt gaan? Kwam er weer een programma langs of een krant en hij zei nooit nee. Terwijl hij tegen mij altijd zei dat ik te veel over mezelf praatte en schreef. Aan de andere kant: mijn vader was echt heel bang om vergeten te worden. Dat hij nog steeds wordt genoemd, is een troostende gedachte.”

Heeft u goed kunnen rouwen?

“Wat is dat?”

Dat vraag ik aan u.

“Ik weet niet wat goed rouwen is. Ik heb het wel vaak gedacht: doe ik het wel goed? Is het normaal wat ik voel? Rouw ik genoeg? Dat zijn niet echt prettige en helpende gedachten. Ik praat, dat is belangrijk. Ik duw het niet weg.”

“Hoe voelt rouw? Als heimwee naar iets wat nooit meer terugkomt. Als ik op straat een man zie lopen, denk ik: ik heb geen vader meer. Als ik op een bruiloft de bruid zie dansen met haar vader word ik boos en denk: dat ga ik nooit meer meemaken. Het is een intens gemis.”

Heeft zijn verzet tegen de dood het rouwproces bemoeilijkt?

“Natuurlijk had ik liever gewild dat hij had gezegd: het is goed zo, ik heb een mooi leven gehad, ik hou van jullie en nu ga ik. Ik ben niet boos op hem, maar de woede over zijn lot heeft wel vrij lang geduurd. Waarom hij? Waarom zo jong? Hij was al zo bang om ziek te worden en nu is hij niet eens vredig ingeslapen. Daar heb ik het moeilijk mee gehad.”

Zijn we in Nederland slecht in rouwen?

“Dat vind ik wel. We hebben geen rituelen meer. Rouwen mag voor een tijdje, maar dan is het: hup, verder, presteren en leuke dingen doen. Maar zo werkt het niet bij rouw, dat kan ik nu wel met zekerheid vaststellen.”

Het is nu bijna een jaar geleden…

“…en dan moet het maar eens afgelopen zijn met dat gehuil. Mensen mogen het zeggen: ben je nu nog steeds met je dode vader bezig, maar ik zit helemaal niet op hun mening te wachten. Ik vind het pijnlijk. Wat staat er voor? Eén jaar, twee jaar? Over ziekte en dood wordt heel veel geschreven, maar als er gepraat moet worden is het opeens een heel onsexy onderwerp. Je voelt de ongemakkelijkheid.”

Wat hoopt u met dit boek te bereiken?

“Mensen die hetzelfde hebben meegemaakt een beetje troost en herkenning geven. Het is een ontzettend moeilijke en eenzame periode geweest.”

U wil nu een biografie over uw vader schrijven.

“Dat is het plan, ja.”

Heeft u daarvoor voldoende afstand?

“Nu niet, nee. Maar mijn vader heeft het me gevraagd. Tijdens zijn ziekte heb ik hem dertig keer geïnterviewd over zijn leven, over de tijd dat hij op school zat en studeerde, over zijn tijd bij de communistische partij en over Vrij Nederland. Alles natuurlijk onder het mom van een journalistiek project, want bij ons moest alles journalistiek zijn als het persoonlijk werd. Het was ook typisch mijn vader. Hij kon me wel vragen of hij me een rondleiding zou geven door zijn archief, omdat hij zelf, zoals hij zei, geen energie meer had om zijn memoires te schrijven. Maar zeggen dat hij doodging kon hij niet.”

Natascha van Weezel: Nooit meer Fanta, Uitgeverij Balans, €19,99

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden