PlusEssay

Mooier dan Parijs? Deze correspondent ontdekt Amsterdam opnieuw

Nu Frankrijk in strenge lockdown is, zit RTL Nieuwscorrespondent Stefan de Vries (49) al weken vast in Amsterdam, de stad die hij twintig jaar geleden geërgerd verliet. Slaagt corona erin hem weer van de stad te laten houden?

Beeld Ted Struwer

Heerlijk, corona. Toen ik half maart voor mijn werk twee dagen in Amsterdam moest zijn, had ik geen idee dat ik er nu nog zou zitten. Ik woon immers al meer dan twintig jaar in Parijs. Van het idee ooit nog een keer voor langere tijd in Nederland te blijven, kreeg ik het altijd Spaans benauwd. Al in 1999, toen ik vertrok, wist ik zeker dat ik nooit meer terug zou komen. Ik was ruim tien jaar Amsterdammer geweest, en dat was wel genoeg. Wat kon die stad me nu nog bieden? Ik wilde nu wel eens in een échte wereldstad wonen. Waar mensen ­fatsoenlijk lunchen, waar restaurants en boekhandels tot diep in de nacht open zijn en waar je elke week honderden films kon zien in evenzoveel bioscopen. Ook al hoefde ik al die voorzieningen niet te gebruiken, het idee dat het er allemaal was, was voor mij al genoeg.

In Amsterdam ergerde ik me aan het gebrek aan ­elegantie en welgemanierdheid. Die beroemde lokale humor en dat gejij en gejou bleek vaak niet meer dan een dunne verpakking van onbeschoftheden. Nee, dan Parijs. Daar zeiden ze tenminste nog u tegen vous. En kreeg ik geen ‘dat kan ik zelf ook wel’ in mijn gezicht als ik de deur openhield voor een vrouw. Het was mooi geweest. In het laatste fin de siècle pakte ik een oude bruine koffer, met net genoeg kleren voor een week. Ik verliet Nederland en installeerde me in een goedkoop hotel, in de Rue des Mauvais Garçons, de Stoute Jongensstraat. Een betere straat had ik niet kunnen kiezen. Het kamertje was niet veel groter dan het afgeleefde bed. De douche was zo klein dat ik me alleen kon wassen als ik een been in de kamer hield en mijn kin tegen het plafond drukte. Erg lang hoefde ik niet te zoeken naar een baan. Ik had in die tijd in Amsterdam al websites gemaakt en in Frankrijk, waar iedereen nog druk van Minitel gebruikmaakte, vonden ze dat internet wel interessant. Met een blufverhaal over de toekomst van het web sleepte ik een tijdelijk contract bij een reclamebureau binnen.

Het maakte me niet veel uit. Ik was eindelijk weg uit Amsterdam, had onderdak in mijn droomstad en ook nog werk. Het cultureel en culinair asiel kon beginnen! Vanaf dat moment keek ik niet meer achterom en kwam ik zelden terug. De vriendschappen die in de bruine kroegen aan de grachten voor altijd en eeuwig leken, verwaterden snel. Na veel amoureuze omzwervingen en avonturen werd ik samen met een leuke Parisienne ouder van een vrolijke tweeling. Als ik al kwam, had het meestal iets met werk te maken. Ik sliep in anonieme hotels, het liefst zo dicht mogelijk bij het Centraal Station. Dan kon ik snel weer op de Thalys naar huis ­springen.

Dat was ook wat ik vorige maand van plan was. Tot het coronavirus de Lichtstad verlamde en president Macron besloot het land af te sluiten tegen de opmars van het gevreesde virus. Teruggaan naar Parijs was logisch geweest. Maar het vooruitzicht in een spookstad te moeten wonen waar ik alleen met formulieren de straat op zou mogen, stond me tegen. Mijn kinderen waren een paar dagen voor de lockdown vertrokken naar Bretagne, naar hun grootvader – een kwieke zeventiger die tot de risicogroep behoort, waardoor het voor mij onmogelijk was om daar naartoe te reizen. Dan bleef ik, nu ik er toch was, liever in Amsterdam. Mijn ­kinderen kon ik toch dagelijks zien en spreken via videobellen, en zo lang zou het allemaal niet duren, dacht ik. Dat pakte iets anders uit. Terwijl de pandemie voortwoekert, ontdek ik opnieuw mijn oude stad.

Groezelig en rauw

Mokum ligt er dit voorjaar mooi bij. De blauwgefilterde lucht, de statige panden aan weerszijden van de rivier, de soms wat rioolachtige geur, de fietsers op de Amstelbrug: alles lijkt nog precies op toen, aan het einde van de twintigste eeuw. Hoewel, de stad is aan beide oevers in veel opzichten onherkenbaar veranderd.

Eind jaren tachtig – op mijn achttiende – was ik Amsterdammer geworden. De stad was in die tijd groezelig, rauw, rommelig en behoorlijk crimineel. Je moest dan ook een beetje gek zijn om er te gaan wonen. Er waren regelmatig veldslagen tussen de ME en krakers. En je fietste met trillende knieën langs het hoofdkwartier van de Hell’s Angels, aan de rafelrand van de stad. Aan die leegloop kwam halverwege de jaren negentig een eind, net voordat ik wegging naar Parijs. Op de plek van dat motorbendebastion staat vandaag een verzameling zelfontworpen woningen, voor een paar van de vele start-upmiljonairs die er het afgelopen decennium bij kwamen. Het rijtje stadsvilla’s is een architectonische metafoor voor de verandering die de stad sinds mijn vertrek doormaakte. Zelfs de roeiclub ligt niet meer tussen de bosjes, zoals toen, maar tegenover ‘George Marina’. In het hedendaagse Amsterdams is ‘jac­hthaven’ nu kennelijk te gewoontjes.

Wandelend langs de Amstel valt het me op hoe verschillend de lockdown wordt aangepakt: in Mokum ‘intelligent’, in Paname repressief. Het Nederlandse coronabeleid krijg ik aan mijn Parijse vrienden niet uitgelegd. Het is soms ook niet echt te begrijpen. In de rij voor de supermarkten houdt iedereen netjes de 1,5 meter aan, maar eenmaal binnen botsen sommigen tegen elkaar op. Het is niet eenvoudig om je gewoontes af te leren. Verderop zie ik groepjes gezellig met elkaar kletsen op de kades, zonder enige afstand. Even verder zitten studenten te picknicken, vlak naast een elektronisch bord met de waarschuwing ‘Houd Afstand – €390 boete’.

Is hier dan niemand bang voor corona? Is het bravou­re, of toch naïviteit om niet de 1,5 meter in acht te nemen? Of heeft het te maken met een aversie van centraal gezag, die alle Amsterdammers eigen is? Waarschijnlijk een mengeling.

Vijfhonderd kilometer zuidelijker zitten de Parijzenaars al bijna zes weken opgesloten in een autoritair ­confinement. Ik krijg boze appjes als: ‘Waarom ­blijven jullie niet ­binnen, zoals wij!’ Bijna een miljoen ­boetes zijn er al in Frankrijk uitgedeeld. Hardleerse overtreders zitten al gevangenisstraffen uit tot een half jaar. Dan komen ze vaak terecht in overvolle gevangenissen. Met alle risico’s voor besmetting van dien. Ook al is het nog veel te vroeg conclusies te trekken, mijn Fransen vrienden weten het wel, appen ze: ‘Nederlanders denken dat ze onaantastbaar zijn. Schandalig!’ Ook al heb ik geen idee welke ­aanpak de beste is, ik ben blij dat ik in Amsterdam zit.

Beeld Ted Struwer

Nutellawinkels

Terwijl de muren op de Parijzenaars af­komen, gebruiken de mensen hier het water op allerlei manieren: erop, erlangs en op deze zonnige voorjaarsdagen zelfs erin. Dat leven met water mis ik weleens in Parijs. Natuurlijk is er de majestueuze Seine, een fysieke en geestelijke scheiding tussen de zakelijke rive droite en de meer intellectuele rive gauche. Wie aan de ene kant woont, wil voor geen geld sterven aan de andere kant. Pas de laatste jaren is de rivier een beetje teruggewonnen door de bewoners. Na een lange strijd met de autolobby veranderde de gemeente de drukke autowegen langs het water in groene flaneer­kades en populaire joggingroutes.

In tegenstelling tot het Venise du Nord wonen Parijzenaars aan straten van asfalt. Dat is vooral handig: zo zijn er zo min mogelijk stoeptegels en kasseien naar ordetroepen om te gooien. In de wintermaanden gaat die grijze vloerbedekking naadloos over in de al even grijze façades van de statige Haussmanngebouwen. Die vormen op hun beurt weer één geheel met de grijze najaarslucht, een sombere deken die weken kan blijven hangen.

Hier in Amsterdam is de weerspiegeling van de huizen in het water door het steeds wisselende weer geen moment hetzelfde. De fietspaden en bakstenen kleuren de stad donkerrood. Wie hier woont, ziet dat palet al lang niet meer. Die klaagt waarschijnlijk terecht over de toeristen die voor je fiets lopen. Of over de Nutellawinkels die je ook in Parijs op elke straathoek aantreft. Alleen krijg je er daar nog een crêpe bij, zowel lekker als goûter – het tussendoortje rond vier uur ’s middags – als na een nacht doorhalen. Die klagende ­binnenstadbewoners begrijp ik wel, ik was vroeger tenslotte een van hen. Ik woonde op de Oudezijds Voorburgwal, helemaal aan het begin, daar waar de Wal een sierlijk bochtje maakt en overgaat in de Kolk.

Aan de zinc

Geen enkele stad in Europa kan zich meten met de culinaire cultuur van Parijs. Al is het sinds eeuwwisseling snel vooruit gegaan met de Amsterdamse horeca, het blijft soms nog behelpen. Het bedienend personeel is hier vaak vriendelijker dan zijn Parijse collega’s. De afblaffende ­garçon hoort nu eenmaal bij het Franse nationaal erfgoed. In Parijs ontbijt ik elke ochtend in dezelfde, typisch Parijse brasserie, zo een waar ‘service continu’ op de rode luifel staat. Elke ochtend om precies tien over half negen stap ik daar binnen. Fabrice, de ober die nors is tegen iedereen die hij niet kent, zet dan ongevraagd mijn petit crême en tartine klaar.

Aan de zinc, de karakteristieke zinken bar in elk Franse café waar de gasten ’s ochtends staand hun espresso achteroverslaan voor ze gaan werken, wachten dag in dag uit dezelfde gezichten op me. Jean-Baptiste, de wat neurotische oorlogs­correspondent, Daniel, de fysiotherapeut van ver boven de zeventig, die nog steeds geen afstand kan nemen van zijn patiënten. Of Christine, de wat treurige juwelenmaakster die nooit veel zegt. De brasserie is al twee maanden dicht. Hoe zou het nu met ze gaan? De aanslagen, de Gele Hesjes, de maandenlange stakingen: op hun gezichten vallen de zware jaren af te lezen. Ook zij vinden het niet langer een plezier om in Parijs te wonen, daar hebben we het vaak over, op de vroege ochtend.

Ik loop langs een Amsterdamse school die versierd is met de tekst ‘We missen jullie!’ Zou dat nu ook op de gesloten kleuterschool van mijn kinderen hangen in Parijs? Ik denk het niet, zo’n vrolijke boel is het daar niet. Mijn vrolijke Frans-Nederlandse tweeling komt thuis met tekeningen van brandende prullenbakken, en politieagenten en demonstranten die elkaar te lijf gaan. In de pauze spelen ze op het schoolplein ‘Nous sommes les Gilets Jaunes’. Het heeft iets weg van tikkertje, maar zonder de zorgeloosheid.

Er is hier ook geen luizenmoeder, dat moet iedere ouder zelf maar in de gaten houden. Ouders zijn überhaupt niet erg welkom op Franse scholen. Stel je voor dat je ze met je vrije gedachten uit het strenge Republikeinse gareel zou brengen! In hun klas hangt een poster waarop ze kunnen aangeven welke emoties ze hebben. Driekwart ervan is negatief, alleen op de laatste regel staat er ‘heureux’. Zo leren de Franse ­kinderen al vroeg dat de wereld niet veel goeds met hen voor heeft.

Tijdens mijn Amsterdams corona-exil vraag me ik af waarom ik ooit voor Parijs gekozen heb. In mijn hoofd is het een pingpongwedstrijd van voors en tegens tussen Amsterdam en Parijs. Ik ben in middels aangekomen bij het Centraal ­Station, nóg zo’n plek die in niets meer lijkt op de tochtplek eind jaren negentig. Dat hebben Amsterdammers wel gemeen met Parijzenaars: klagen over het openbaar vervoer. Ik vraag me af waarom. In de stations van de Noord/Zuidlijn kun je bijna van de vloer eten, zo schoon is het er, denk ik.

Het is tijd om terug te keren. Nog niet naar Parijs, maar naar mijn tijdelijke onderkomen in De Pijp. Wandelend over de half verlate Albert Cuyp hoor ik ergens uit een draadloze geluidsdoos Geef mij maar Amsterdam schallen. ‘Mooier dan Parijs, wat een onzin,’ zou ik tot twee maanden geleden over die smartlap geroepen hebben. Nu, onder de coronazon, ben ik tot inkeer gekomen: na de lockdown komen we terug. Amsterdam is zo gek nog niet.

Stefan de Vries woont en werkt sinds 1999 in Parijs en is correspondent voor RTL Nieuws en Euronews. In ballingschap maakt hij met journalist Ronit Palache de podcast Het Leesvirus, over lezen en boeken. Vanaf 11 mei wordt de lockdown in Frankrijk versoepeld.

Beeld Ted Struwer
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden