De ooievaar

Mijn mondkapje kan de tranen in mijn ogen niet bedekken

Mickelle Haest tekent de ervaringen op van een Amsterdamse verloskundige.

null Beeld Van Santen & Bolleurs
Beeld Van Santen & Bolleurs

De zon komt op boven de stad. Er is vannacht een gezond meisje geboren. Het is koud. Ik sla mijn jas iets steviger om me heen, doe het mondkapje af en neem een flinke hap lucht. Om het kraambed moet iedereen zo goed mogelijk anderhalve meter afstand houden en iedereen – behalve de barende vrouw – moet een mondmasker op. Ik ook. Dat is niet prettig. Om goed te helpen, moet je dichtbij komen, iemand soms intens aankijken en weer bij de les halen. “Neem een hap lucht, kom op.”

Even douchen, snel een boterham, en dan verder. Ook tijdens het spreekuur zien anderen alleen nog maar mijn ogen. Het ene koppel na het andere komt de spreekkamer in. Telkens ontsmet ik alles. Een stel van eind dertig meldt zich voor een twintigwekenecho. “Het is zo vervelend,” zegt de vrouw. “Telkens als mensen zien of horen dat ik zwanger ben, zeggen ze: ‘Het is vast een coronababy,’ terwijl we al heel lang aan het proberen waren.” “En we zijn er heel blij mee,” zegt haar man. Hij legt zijn hand geruststellend op die van haar.

Bij een twintigwekenecho kijken we naar de gezondheid en ontwikkeling van de baby. De toner gaat op haar buik. De baby ligt met zijn hoofd tegen de navel en met zijn billen tegen de rug van de moeder. Ik krijg hem niet goed in beeld. De vrouw kijkt me ongerust aan. “Dit is er eentje die graag in een hoekje van de bank met een dekentje over zich heen Netflix kijkt,” zeg ik om de sfeer wat lichter te maken. “Wil je even opstaan en een beetje op en neer springen?” De vrouw staat op. “Als jij wat beweegt, verplaatst de baby zich meestal ook.” Ze staat te huppelen in de spreekkamer. Haar man lacht.

Ik zie even later dat de baby nog steeds op dezelfde plek ligt. “Misschien moet je even naar de wc gaan. Dan heb je weer een extra loopje. Vaak helpt dat.” Ze loopt de kamer uit en zegt: “Ik hoop maar dat alles goed is.” Ik zie op de klok dat mijn volgende consult vijf minuten geleden al had moeten beginnen. De vrouw komt terug en gaat liggen. Ik plaats de toner opnieuw op haar buik. “En ja hoor, hier is hij,” zeg ik. “Gelukkig,” zegt de man zachtjes. “En?” vraagt de vrouw. “Wat ik qua structuren kan zien, ziet er goed uit,” zeg ik. Opgelucht valt het stel elkaar in de armen. Hij doet zijn kapje af en kust zijn vrouw op de mond. “Sorry,” zegt hij, dit moest even.

Als we gedag hebben gezegd, loop ik de wachtkamer in. Ik roep de volgende. De man van het koppel dat aan de beurt is, staat al. “Ik vind dit schandalig,” roept hij. Vlak voor me, binnen de anderhalve meter. Ik ben een kwartier uitgelopen, hij ‘pikt dit niet’. Die woorden spuugt hij mijn kant op. Gelukkig met mondkapje op. Mijn mondkapje kan de tranen die in mijn ogen schieten niet bedekken. We doen ons best om alles in coronatijden zo goed mogelijk te laten verlopen. De wereld is in de war. Ik herpak me. “Ik kan me voorstellen dat het je frustreert. De mensen voor jullie hadden extra tijd nodig. Als jullie die voor jullie kindje nodig hebben, zou je die ook willen krijgen.” De vrouw staat op. Sust haar man. “Ze heeft gelijk.” Mokkend gaat hij mee de behandelkamer in.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden