PlusAchtergrond

Menselijke maat op pootjes: de Tolhuistuin, ooit de Shellkantine, is uitgeroepen tot monument

Cultureel centrum de Tolhuistuin. In 1976 werd dit gebouwd als hypermoderne kantine voor werknemers van Shell. Beeld Jean-Pierre Jans
Cultureel centrum de Tolhuistuin. In 1976 werd dit gebouwd als hypermoderne kantine voor werknemers van Shell.Beeld Jean-Pierre Jans

Elke Amsterdammer kent de Tolhuistuin: pontificaal aan het IJ gelegen, pal naast de A’DAM Toren. Maar wie weet dat de twee gebouwen in feite tweelingen zijn? Sinds deze maand is de voormalige Shellkantine een gemeentelijk monument.

Dylan van Eijkeren

Het is niet elke dag dat een bouwhistoricus met zoveel elan praat over een gebouw als de middag waarop Agnes Hemmes (45) van Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam praat over paviljoen Tolhuistuin. Al ken je de voormalige Shellkantine nog zo goed, de schoonheid ervan is toch een kwestie van het pas zien als je het doorhebt. Hemmes: “Zie je de poten, en hoe die zich verhouden tot de poten van de toren? Hier naar binnen, daar naar buiten.”

“Grindbeton, staal en glas: allemaal heel massief, en toch lijkt het paviljoen heel licht te zijn, bijna te zweven.”

“Die wybervormige ramen, die zijn toch heel markant.”

En: “Het piramidedak bestaat helemaal uit verspringende modules, in allerlei verschillende formaten. Die komen in het interieur als een tentenlandschap terug, bekleed met schrootjes, heel tekenend voor de tijd, en zo mooi in ere hersteld.”

Die tijd, dat was de jaren zeventig. Oliefirma Shell wilde in 1963 aan Amsterdam en de wereld tonen hoe modern en vooruitstrevend het bedrijf wel niet was. Eerst verscheen aan de noordkant van het IJ, tegenover het Centraal Station, de Toren Overhoeks, in de volksmond later beter bekend als de Shelltoren, en tegenwoordig populair als toeristentrekker onder de naam A’DAM Toren.

Voor de onderzoekers, wetenschappers en laboranten van Shell moest worden gezorgd, als goede werkgever – destijds was het heel normaal om een leven lang voor dezelfde baas te werken. Voor deze functionarissen verscheen in 1976 een gloednieuwe en hypermoderne kantine, het Bedrijfsrestaurant KSLA (Koninklijke Shell Laboratorium Amsterdam), te bereiken vanuit de Toren Overhoeks via een zogeheten droogloper – een pad met een dak – en een bruggetje over het Buiksloterkanaal. De droogloper is verdwenen, al valt nog te zien waar hij liep; het bruggetje is nu ook als monument erkend, maar momenteel absent omdat het elders wordt gerestaureerd.

Mystieke waas

Bouwhistoricus Hemmes: “Wat het paviljoen zo bijzonder maakt, is dat het loeizwaar is, maar dat het tegelijkertijd door die poten als het ware wordt opgetild. Het is met 4500 vierkante meter enorm groot, maar door de opzet met modules van verschillende formaten is het toch kleinschalig, speels zelfs. Ook vanbinnen kent het de menselijke maat, het heeft een intieme sfeer, een zekere knusheid. Ik vind het echt heel knap ontworpen.”

Die eer komt toe aan architect Arthur Staal (Amsterdam, 1907-1993), de man die ook de Toren Overhoeks tekende. Overigens was Staal ook ontwerper van onder meer de Brakke Grond, vele Amro-bankfilialen, en het gebouw van roeivereniging De Amstel. Hoewel Staal zich niet committeerde aan een enkele stijl, past het paviljoen Tolhuistuin in de stroming van het structuralisme. Dit valt goed te zien bij dit gebouw: het zijn piramidevormige modules op pootjes – gebaseerd op de menselijke maat.

Met de Shellkantine vormde de Toren een symbiotisch geheel aan de IJ-oever, maar wel een symbiotisch geheel waarvan Amsterdammers louter van op een afstandje konden genieten. Hoewel iedereen die ooit de pont naar Noord nam het kende, was het Shellterrein destijds alleen toegankelijk voor werknemers van ‘Koninklijke Olie’. De huidige populariteit van de toren en het paviljoen zou voor een deel te verklaren kunnen zijn door de mystieke waas die voorheen rond de laboratoriumgebouwen hing.

Verder terug, overigens, stond op de plek van de Tolhuistuin al een theehuis, waar gegoede Amsterdammers schijnen te hebben genoten van het uitzicht op het nabije Volewijcker galgenveld; in later eeuwen was het een lusthof waar welvarende stedelingen samenkwamen om te genieten van concerten – even weg uit die benauwde, onwelriekende binnenstad.

De brug over het Buiksloterkanaal is nu ook erkend als monument. Vroeger was dit een pad met een dak, dat de Shelltoren verbond met de bedrijfskantine.  Beeld Het Nieuwe Instituut Rotterdam
De brug over het Buiksloterkanaal is nu ook erkend als monument. Vroeger was dit een pad met een dak, dat de Shelltoren verbond met de bedrijfskantine.Beeld Het Nieuwe Instituut Rotterdam

Chique gastenlunchroom

De latere jaren zestig en begin jaren zeventig was de tijd van de maanlandingen, van een groot vooruitgangsoptimisme, en voor de gewillige beschouwer valt dat terug te zien in de constructie van het paviljoen, dat ergens wel wat wegheeft van de maanlanders.

Shell vroeg Staal haar eigen producten te gebruiken – het gebouw moest immers een uithangbord zijn voor de oliemaatschappij. Hemmes: “De oorspronkelijke dakbedekking was bijvoorbeeld een eigen Shelluitvinding, maar die is inmiddels vervangen door leiendekking.”

Productontwikkelaar Willem van der Horst (65) at destijds zijn boterhammetjes in de Shellkantine. De door Shell geprezen, hypermoderne automatische biertap die voor 50 cent een glas pils schonk, herinnert hij zich niet; dat roken in de eetzalen verboden was, wel. Roken deed je aan de koffiebar, beneden: “Daar stonden altijd wel een man of vijftig, zestig of meer gezellig te praten.”

Van der Horst weet ook nog dat er een chiquere gastenlunchroom was, met een bar, waar aan tafel ‘vrij luxe maaltijden’ werden geserveerd. “Met wijn. Daar moest je reserveren, en je mocht er alleen met gasten komen. Maar aan de bar werd oogluikend toegestaan dat je er zonder gast een glaasje dronk, dus daar stond altijd een handjevol collega’s.”

Van der Horst werkte vanaf 1974 als researcher in het laboratorium van Shell, en lunchte zodoende vanaf 1976 in de nieuwe laboratoriumkantine. Die bood zitplaatsen aan 680 mensen, wat al best een fiks aantal is, al werkten er in de jaren tachtig, op het hoogtepunt, 2300 mensen bij de Amsterdamse Shellvestiging, aldus Van der Horst.

Het indertijd hypermoderne bedrijfsrestaurant voor Shellmedewerkers. Beeld Het Nieuwe Instituut Rotterdam
Het indertijd hypermoderne bedrijfsrestaurant voor Shellmedewerkers.Beeld Het Nieuwe Instituut Rotterdam

Woensdag Indisch, vrijdag vis

Een mooi geïllustreerde folder uit 1976, geschreven als een gebruiksaanwijzing voor de nieuwe kantine, maant de Shellemployees daarom niet te dralen, aarzelen of treuzelen tijdens het buffetsgewijs samenstellen van hun middageten – in twee uur tijd moesten er drie lunchsessies worden gedraaid. ‘Het gehele systeem is erop voorzien dat u zo snel mogelijk alles kunt vinden wat u nodig hebt.’ Keert niet terug op uw schreden, zo verordonneert het schrijven, er staat ‘op vier plaatsen soep’, en ‘even verderop vindt u immers weer wat u zoekt’.

Oud-Shellman Van der Horst: “We hadden op woensdag altijd Indisch eten, en op vrijdag schafte de pot steevast patat en vis. Veel mensen aten er warm tussen de middag, dan konden ze ’s avonds toe met een snee brood.”

Het kassasysteem was modern, zo meldt de folder: ‘Gewapend met die kaart kunt u uw gang door het bedrijfsrestaurant beginnen.’ Van der Horst: “Ja, betalen deden we met vooraf gekochte kaarten van een rijksdaalder, vijf en tien gulden, die per vijf cent werden afgekruist door de dames bij de afgiftebalie. Het optellen deed je zelf.”

Van der Horst at nooit met zijn directe collega’s, die zag hij immers al de hele dag. “Ik zocht altijd een ander ploegje op.” Dat is het mooie ook aan het complex: zalen en ruimtes om te zitten waren er te over. En alles is een kwestie van smaak, maar de Tuinzaal is nog steeds een lust voor het oog.

Agnes Hemmes van de gemeente: “Shell wilde het IJ-waterfront een gezicht geven, en als je het mij vraagt, is dat goed gelukt. Het is een heel bijzonder gebouw, en ik zit er graag op het terras. Dat terras is er overigens later aangebouwd.”

Iedereen blij

Niet altijd is iedereen blij met een zogeheten aanwijzing tot (gemeentelijk) monument, maar in het geval van Paviljoen Tolhuistuin is dat wel zo: zowel de eigenaar (de gemeente), de initiator van de monumentenstatus (Bond Heemschut), de gebruikers van het gebouw (culturele instellingen en het café-restaurant) en Tolhuistuin-directeur Matthea de Jong (40) zijn enthousiast.

De Jong: “De historische waarde voelen onze gebruikers heel erg, want er werden al concerten georganiseerd voordat Shell hier verscheen. Voor mij is het elke dag weer een feest om hier rond te mogen lopen. Omdat het paviljoen niet als theater is gebouwd, gaan de kunstenaars hier echt aan de slag met de ruimtes, die multifunctioneel zijn, en met het publiek.”

Er vinden uiteenlopende activiteiten plaats in de Tolhuistuin: Paradiso programmeert er optredens in de hoofdzaal (à 550 plaatsen) en circa dertig andere culturele organisaties gebruiken de zalen van het gebouw en de achterliggende tuin.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden