Plus Interview

Marian Donner: ‘Laat je sukkeligheid meer toe’

Marian Donner (45), zelf een gelukkige roker, pleit met haar Zelfverwoestingsboek voor meer rommeligheid en minder carrièredrang. ‘We zijn elkaar volledig gek aan het maken met die succesverhalen en hang naar cleanheid.’ 

‘We ketenen onszelf omdat we allemaal gezond en succesvol willen zijn.’ Beeld Valentina Vos

Schrijfster Marian Donner ergert zich aan de vertrutting – van onszelf en van de stad. We ketenen onszelf omdat we allemaal gezond en succesvol willen zijn, vindt ze. In haar vorige week verschenen Zelfverwoestingsboek houdt ze een pleidooi voor meer rommeligheid en minder carrièredrang en neemt ze het op voor de loser: mensen die niet kunnen meekomen of afwijken van de norm, vertegenwoordigen óók een belangrijke waarde.

Marian Donner wil graag in Café Thuys in de Kinkerbuurt afspreken, vlak bij het huis waar ze met haar man Reimer en hun zoontje Ronin van drie woont. Niet te vroeg, een uurtje of elf. En dan graag op het terras zodat ze kan roken. Dat haar vader, schaakgrootmeester en schrijver Hein Donner, stevig doorrookte en als gevolg daarvan overleed toen zijn dochter nog maar 14 jaar was, maakt niet dat ze denkt aan stoppen.

“Nee, ik ben een gelukkige roker. Roken is voor mij letterlijk een soort rookgordijn, ik kan me dan even helemaal terugtrekken. Toen ik zwanger was, ben ik gestopt, maar na de bevalling weer even blijmoedig begonnen.”

Haar vader kreeg een hersenbloeding omdat hij niet alleen drie pakjes per dag rookte, maar ook nog eens veel dronk. “Daar heeft hij een tol voor betaald, hij was vijf jaar lang ziek en eindigde in het verzorgingstehuis. Aan zijn gerook zelf heb ik goede herinneringen: wanneer ik ’s nachts niet kon slapen, sloop ik naar mijn vaders werkkamer die blauw zag, en sliep daar verder op de bank.”

Een gitzwart luxe jacht glijdt intussen voorbij in de Kostverlorenvaart, en moet wachten tot de Wiegbrug opent. Donner: “Wow, wat een ding! Die pronkzucht! Het laten zien van je rijkdom hoort heel erg bij de huidige moraal. Hard werken en als je het eenmaal hebt gemaakt flaunt it: aan iedereen laten zien dat je de beste bent.”

De schrijfster heeft een missie en de succescultuur is haar vijand. Haar Zelfverwoestingsboek gaat over hoe de lat steeds hoger komt te liggen, en iedereen mooi en succesvol moet zijn.

“Mensen worden daar heel ongelukkig van, maar we moeten allemaal mee. Want wanneer je een mooi huis wil kopen in Amsterdam, of nee, een degelijk huis, een huis dat op een huis lijkt, dan móet je wel succesvol zijn.”

“Ooit was het mogelijk om van een modaal lerarensalaris een gezin te onderhouden, een huis te kopen en twee keer per jaar op vakantie te gaan,” zegt ze. “Tegenwoordig zijn daar minstens twee salarissen voor nodig, in vaste dienst, en heel veel schulden. Zelfs als het jou als individu lukt het spel mee te spelen, gefeliciteerd, maar daartegenover staan honderden mensen die niet kunnen meekomen.”

U maakt zich er nogal boos over.

“Het stoort me al mijn hele leven dat mensen verboden wordt van de norm af te wijken. We leven niet in nazi-Duitsland, dus op zich zijn we vrij om te doen wat we willen. Alleen al in de supermarkt kunnen we kiezen uit driehonderd soorten muesli. De onvrijheid die ik bedoel is onzichtbaarder. We ketenen onszelf, met al dat yogaën. We moeten positief zijn, onze woede en angsten beheersen, groene smoothies en avocado’s eten, want alleen als je lichaam optimaal presteert, zal je geest dat ook doen.”

‘Het stoort me al mijn hele leven dat mensen verboden wordt van de norm af te wijken.’ Beeld Valentina Vos

“Alles is erop gericht om nog efficiënter te zijn, nog optimaler mee te draaien in het rad. Ik ben zeker niet de enige die daar gek van wordt: als ik alleen al de titel van mijn nieuwe boek noem, zeggen mensen: ‘Jaaaaaa’. Ze herkennen wat ik bedoel: we zijn elkaar volledig aan het gek maken met die succesverhalen en hang naar cleanheid. Het mag van mij allemaal wel wat minder perfect.”

Wat is er mis met yoga of proberen een beetje gezond te blijven?

“Het gaat me om de levensstijl die ermee wordt uitgedragen. Het kan navelstaarderig worden. Sommige yogafanaten zitten moreel nogal op hun high horse. Zo van: ik leef heel erg in balans en zorg goed voor de wereld, want ik koop alleen biologisch. En die dan voor het gemak vergeten dat de quinoa die ze eten in Zuid-Amerika niet meer te betalen is.”

“Het idee dat een betere wereld bij jezelf begint, is echt zo’n leugen. Het maakt helemaal niet uit of je minder vliegt, want tegenover jouw ene vliegreis staan een miljard Chinezen die wél vliegen. Maar als je je er goed bij voelt, moet je het vooral doen. Het wordt vervelend als je daar prat op gaat en je vindt dat je een beter mens bent dan de ander.”

Die schoonheid en strengheid gelden ook voor de stad, schrijft u.

“Wat we met ons lichaam doen, doen we ook met Amsterdam: alles moet gestript zijn van het vuil. Ons lichaam en onze ziel moeten schoon zijn, we zitten allemaal in therapie zodat we alles kunnen oplossen en geen rare dingen meer hebben. Ook Amsterdam is een glad iets geworden, vooral bedoeld om geld te laten stromen.”

“De houten balken die de woningen vroeger stutten zijn weg, parken staan vol fitnessapparaten, op elke straathoek zit een koffiebar, en kunstenaars zien er niet meer morsig uit maar als carrièrejagers met een trustfonds. In de stad is nu te weinig ruimte voor mensen die anders zijn, die niet zo ‘schoon’ willen zijn.’

Heeft de burgemeester daar nog een rol in? Sinds het aantreden van Femke Halsema lijkt de vertrutting alleen maar toegenomen.

“Dat weet ik niet hoor, daarvoor volg ik haar beleid te weinig. Ik vind haar als persoon heel leuk. Vooral omdat ik haar twee keer heb ontmoet in een kroeg, rokend en drinkend. Wat voor soort dingen doet ze dan? Meer regels en minder vrijheden? Durf ik niets over te zeggen. Eberhard van der Laan vond ik ook fantastisch als persoon, maar hij was degene die droomde van een groot Amsterdam in competitie met andere wereldsteden, en van Zandvoort Amsterdam Beach maakte. Dat idee staat me zo tegen.”

U zet zich af tegen de succescultuur. Maar zelf lijkt u gemaakt voor succes: goede familie, jeugd in Amsterdam-Zuid, Barlaeus Gymnasium, om een paar dingen te noemen.

“Ja, dat is zeker waar, maar de Donners, ook de koningsgezinde uit Den Haag, zijn heel leuke en vrije mensen. Helemaal niet stijf of met bewijsdrang of pronkzucht, echt oude elite. Zij lopen niet mee in het rad, ze zijn bij wijze van spreken de mensen die het rad gemáákt hebben.”

“Mijn ouders weken ieder op hun eigen manier van de norm af: mijn vader was een bohemien die veel ’s nachts werkte, maar me ook naar school bracht. Ik mocht vaak met hem mee naar het café en kreeg dan vijftig cent voor de gokkast. Of we gingen naar de film Annie, en dan zette hij me na afloop op een stoel en vroeg me wat ik ervan vond en moest ik dat beargumenteren. Hij leerde me nadenken en debatteren.”

“Mijn moeder had een carrière als raadsheer bij een rechtbank. Ze deed ook nog eens alles thuis, want denk niet dat mijn vader het huishouden deed. Daarnaast waakte ze als een tijgermoeder over mijn opleiding. We verhuisden van de Jordaan naar Zuid op mijn achtste omdat ze vond dat ik te plat ging praten. En ik moest van haar naar het Barlaeus omdat ze bang was dat ik vanwege mijn luiheid op een scholengemeenschap zou afzakken naar de mavo.”

Was u zo lui dan?

“Ik vond een zesje vaak wel genoeg. Mijn moeder was een echte übermoeder: ze werkte hard en zeurde er nooit over. Ze is nu tachtig. Soms heb ik wel geklaagd over haar strengheid. Daar zei ze nooit wat over, tot ze een keer een wedervraag stelde: ‘Ben je tevreden met hoe je bent geworden? Nou dan!’ Ze was erg opgelucht toen ik geslaagd was. Haar taak zat erop, vond ze.”

‘Het idee dat een betere wereld bij jezelf begint, is echt zo’n leugen’ Beeld Krista van der Niet

Ze stuurden u geregeld op kamp, hoe was dat?

“Ja, elke winter, zomer en herfst als het even kon. Vormend voor mij, vonden ze, en dan hadden ze zelf ook even de handen vrij. Die kampen hadden een hoog Lord of the Flies-gehalte. Ik was rond de tien jaar toen ik in Nunspeet op kamp was en we ruzie kregen met de leiding. We stuurden toen een 9-jarige afgevaardigde naar de leiding, die ook maar uit drie 18-jarigen bestond, om te onderhandelen: we zullen beter luisteren, maar dan willen we wel meer snoep. Die ervaring maakte me duidelijk dat alles een sociale afspraak is, en dat je die kunt schenden. Je moet je er alleen wel bewust van zijn.”

Hoe was het om zo jong uw vader te verliezen?

“Het overlijden van mijn vader was natuurlijk een heftige ervaring, zeker ook omdat hij de laatste jaren in het verzorgingstehuis zat. Mijn moeder bezocht hem daar elke dag, ik ging minder. Zijn overlijden gaf natuurlijk een diep soort verdriet. Tegelijk is de dood iets wat bij het leven hoort. Als je een te rimpelloze en gelukkige jeugd hebt, is dat ook niet goed, denk ik. Je bent dan niet weerbaar. Daar maak ik me bij de opvoeding van ons zoontje van drie wel zorgen over. Of ik het hem niet te makkelijk maak, en daardoor oppervlakkigheid in de hand werk.”

“Mijn vader heeft mensen geraakt. Het is nu alweer 31 jaar geleden dat hij overleed, maar nog steeds komen mensen met verhalen over Hein Donner. Hij hield zelf enorm van verhalen vertellen, maar was daarin wel behoorlijk onbetrouwbaar. Van de columns en het boek waarin ik als klein meisje figureerde, klopte vaak weinig. Eén keer stond ik op het schoolplein met een vriendinnetje dat heel goed de Rubiks kubus kon oplossen. Toen duwde hij mij naar achteren en deed hij alsof het meisje zijn dochter was. Hij ging altijd voor het mooie verhaal.”

Bent u na zijn dood losgeslagen als puber?

“Eigenlijk niet, ik was niet zo opstandig. Wel heb ik dezelfde vrijheidsdrang als mijn vader en was ik als puber nauwelijks thuis. En ik spijbelde ontzettend veel. Het Barlaeus is ook meer een school voor kinderen die vioolspelen en van een goed toneelstuk houden. Ik was in die tijd een echte blower en bracht meer tijd door in coffeeshops dan op school. Mijn beste vriendin Nica woonde al op zichzelf. Daar stond de deur altijd open, iedereen was welkom. Er zat zelfs een keer een toerist op de bank, die dacht dat het een coffeeshop was.”

“Samen met Nica speelde ik in die tijd veel tafelvoetbal. Ze had een eigen tafel en we werden er steengoed in. Heerlijk als we dan in het café tegen jongens speelden die dachten dat ze ons de regels nog moesten uitleggen. Die lachten dan eerst hard als ze slechter bleken te zijn, vervolgens werden ze boos op elkaar omdat ze aan het verliezen waren. Soms kom ik een man uit die tijd in de stad tegen die zich zijn nederlaag nog kan herinneren.”

In uw boek roept u op tot ‘Pissen in de soep’, burgerlijke ongehoorzaamheid. Hoe heeft u zichzelf bevrijd van de rat race?

“Na mijn studie had ik wel even een soort carrière bij de PvdA, een partij waarop ik overigens nooit heb gestemd. Maar ik hield het niet vol, gedij erg slecht bij een baan van negen tot vijf, en ik wilde ook schrijven. Toen ik dertig was heb ik alles opgezegd. Dat was niet dapper zoals sommigen vonden, eerder noodzaak. Mijn vriendin Nica, die club Bitterzoet heeft opgericht, bezorgde me een baan achter de bar, en dat was voor mij de perfecte combinatie van nachtleven en vrijheid. Natuurlijk was het niet altijd makkelijk: in de bar kwamen oud-stagiairs van mij bij de PvdA en dan kreeg ik een meewarige blik. Ik zag dat ik in hun ogen mislukt was. Dat was soms best lastig.”

Uiteindelijk heeft u het achter de bar ook niet volgehouden.

“Klopt, het was wel heel erg nachtelijk met veel drank en gefeest, aan schrijven kwam ik helemaal niet toe. Toen sloeg ik Het Parool open en de eerste baan die ik zag, was telefoniste bij een escortbureau, The Courtesan Club in Bos en Lommer. Ik vond het echt fascinerend. Uit die tijd heb ik geleerd dat er een gewone wereld is waarin we allemaal meedraaien, maar dat er ook een escape is: een schaduwwereld waar je naartoe kunt vluchten.”

‘De loser die het spel niet meespeelt, vertegenwoordigt ook een waarde.’ Beeld Valentina Vos

Was u als telefoniste een buitenstaander of one of the girls?

“Ik was een buitenstaander, maar de escorts vertelden me veel, ook omdat ze er met niemand anders over konden praten. Het is echt een high-class escortclub, met tarieven vanaf 700 euro per twee uur en 2500 euro voor een nacht. De vrouwen studeerden of hadden een goede baan. Ik had het er destijds met mijn bazin over dat de meisjes die daar solliciteerden ongelooflijk waren: ze studeerden rechten of filosofie, spraken Chinees, hadden in een weeshuis in Afrika gewerkt en waren daarnaast ook nog eens heel mooi.”

Had u geen last van jaloezie met zo veel mooie, interessante vrouwen om u heen?

“Ik voelde me er niet slecht onder. Ik kom uit een andere tijd, voel me niet benadeeld als iemand anders het beter doet of leuker is. Mensen denken altijd dat als je vrouwen bij elkaar zet, je meteen een kippenhok krijgt, en ruzie. Dat was helemaal niet zo, er was juist ontzettend veel solidariteit. De escorts waren ook genereus naar elkaar toe, er was geen concurrentie.”

Wat zochten de klanten bij die escorts?

“Veel mannen zeiden aan de telefoon tegen me: ‘Ik wil het mooiste meisje dat je hebt.’ Maar juist de wat minder knappe meiden deden het goed. Het gaat om de ogen waarmee een vrouw naar een man kijkt, uiteindelijk wil iedereen gezien worden. We hadden ooit een klant die iets heel hoogs deed bij Gucci en die tijdens zijn afspraak met de escort alleen maar zat te huilen omdat hij ongelukkig was. Dat hadden die meisjes vaak, dat rijke mensen tegen ze gingen klagen over hoeveel tijd het kost om al die huizen te managen, en al dat geld. Dat geeft weer een andere blik op succes.”

Mannen hebben het ook moeilijk, bedoelt u dat?

“Net als voor vrouwen, is er ook voor mannen een schoonheidsideaal. Het moet allemaal gespierd en opgepompt, en haarloos ook. En ja, mannen hebben het zeker moeilijk: ze zijn vaker de baas, maar ook vaker slachtoffer van hartaanvallen, stress, burn-outs en ze plegen vaker zelfmoord. We zouden allemaal, man of vrouw, iets meer onze sukkeligheid moeten toelaten. De loser die het spel niet meespeelt, vertegenwoordigt ook een waarde.”

Uw boek kan hierbij helpen?

“Ik hoop dat mensen na het lezen doorhebben dat er iets verloren gaat bij de jacht naar succes. Ik wil hen een soort geestelijke rust bezorgen. In het huidige verhaal is het namelijk altijd het individu dat iets moet: meer relaxen, weerbaarder worden of dankbaarder zijn. Mensen gaan zich schuldig voelen en zich schamen. Dat is verschrikkelijk ondermijnend. Het ligt niet aan jullie maar aan het systeem, is de boodschap die ik lezers zou willen meegeven.” 

Marian Donner: Zelfverwoestingsboek, Das Mag, €19,00

Marian Donner

11 maart 1974, Amsterdam

1986-1992

Barlaeus Gymnasium

2000

Studeert af als psycholoog aan de UvA op de thema’s liefde en hartstocht

2001-2002

Lid campagneteam PvdA

2002-2004

Researchmanager bij Fairfood

2004-2006

Barvrouw club Bitterzoet

2006

Debuteert met roman 8:30 uur: opstand

2006- 2018

Telefoniste bij escortbureau The Courtesan Club

2011

Roman Lily over een hoer met overgewicht

2012-2013

Column in nrc.next

2019

Zelfverwoestingsboek

Dochter van Marian Coeterier en Hein Donner, nichtje van oud-minister Piet Hein Donner. Woont samen met editor Reimer, die ze 21 jaar geleden leerde kennen toen ze als studenten voor Kriterion werkten, en hun 3-jarige zoontje Ronin.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden