PlusInterview

Marc van Warmerdam, de broer achter de schermen: ‘Ik zorg dat dingen gebeuren’

Marc van Warmerdam (67), die betrokken was bij ruim tweehonderd theatervoorstellingen en films in vijftig jaar, nam afscheid van wat begon met muziektheatergroep Hauser Orkater. ‘Een bijbaan wordt nu mijn hoofdbaan.’

Marc van Warmerdam: ‘Alles staat in dienst van het resultaat. Als je dat niet trekt moet je iets anders gaan doen.’
 Beeld Ivo van der Bent
Marc van Warmerdam: ‘Alles staat in dienst van het resultaat. Als je dat niet trekt moet je iets anders gaan doen.’Beeld Ivo van der Bent

“Hier zit Graniet Film. Alex zat hier vaak te schrijven, nu zit ik er.” Een grote kamer op de begane grond bij Orkater aan de Archangelkade. Boven zit Theater, daar komt Marc van Warmerdam alleen nog voor de koffiemachine. Wieke ten Cate heeft er sinds 1 september de leiding. “Ik wil haar niet voor de voeten lopen.” Hier beneden ademt het cinema: stapels filmblikken in een hoek, een Gouden Kalf, een stapel dvd’s van Borgman in een stellingkast. En een levensgroot affiche van Nr. 10 aan de muur.

Staat die titel voor meer dan dat het uw broers tiende film is?

“Weet je dat ik de exacte oorsprong niet meer weet? Het traject van deze film heeft bijna zes jaar geduurd. Volgens mij had het te maken met iets in het script, daar kan ik pas achteraf iets over zeggen, als hij draait. Maar mijn ver­klaring wordt tegengesproken door Alex (hij lacht). We weten het eigenlijk niet, het is de tiende film, dat klopt wel.”

Waarvan u er acht produceerde.

“De eerste twee, Abel en De Noorderlingen, deed First Floor Features. Vanaf De Jurk zijn we het zelf gaan doen. Tijdens het draaien van De Noorderlingen was Alex onaangenaam verrast vanwege het geld dat op was. Mijn broer kan zich héél goed aanpassen, maar dan moet hij wel in de gelegenheid gesteld worden.”

En dit was een voldongen feit.

“Precies. Toen vroeg hij mij om voortaan de productie te doen.”

Wat dacht u?

“Ach, er worden me wel gekkere dingen gevraagd. Dan heb ik altijd heel kort tijd nodig, en zonder heel diep na te denken zeg ik dan ja of nee. En hier zei ik ‘ja’. Maar het eerste wat ik tegen Alex zei was wel: ‘Ik neem jou als maker se­rieus. Dan moet jij mij als producent óók serieus nemen. Ik weet niet beter dan dat als in de filmwereld een producent zegt: daar is geen geld voor, niemand op de set hem gelooft. En dat wil ik niet horen.’ Dat vond hij goed. Hij moet wel, we hebben Graniet Film samen opgericht, Alex is net zo verantwoordelijk.”

U werkt al bijna vijftig jaar samen. Laatst vertoonde het Nederlands Theaterfestival een tv-registratie uit die begintijd van Zie de mannen vallen van Hauser Orkater. Hebt u gekeken?

“Die afgelopen vertoning niet, maar een paar jaar ­geleden kwam ie ineens op de televisie voorbij, ’s avonds laat. Wij vonden het destijds te netjes, in een nagebouwd studiodecor, zonder publiek. Tegelijkertijd hoor ik van jonge mensen van nu dat die zich niet konden voorstellen dat het al zo oud is. Ze vonden het tijdloos. Dat is leuk om te horen.”

Theater kwam thuis zo ongeveer uit de kraan: uw vader was toneelmeester in de Stadsschouwburg Velsen, jullie woonden erboven. Ooit een andere richting overwogen?

“Nou… wat me nog bijstaat is dat mijn broer Vincent wielrenner wilde worden, en ik landmeter. En Alex hééft een periode ­gehad dat hij missionaris wilde worden. Je zou denken: het theater is ons met de paplepel ingegoten, maar eigenlijk zijn we er ook een beetje met de haren bijgesleept. ­Onze vader bedacht theateravonden op de dagen dat de schouwburg leegstond, met groepen van ‘liefhebbers’, want het woord ‘amateur’ beviel hem niet. Hij vormde een mimegroep, een toneelgroep en een groep die aan straattheater deed. Die laatste, daar trok hij ons drieën in. Zo begon het allemaal.”

‘Ik zei tegen Alex: ik neem jou als maker serieus, dan moet je mij als producent óók serieus nemen.’ Beeld Ivo van der Bent
‘Ik zei tegen Alex: ik neem jou als maker serieus, dan moet je mij als producent óók serieus nemen.’Beeld Ivo van der Bent

Ik zag Hauser Orkater als scholier in Beverwijk en was verkocht. Dankzij jullie zit ik hier nu. Waarvoor dank.

“Dat is natuurlijk leuk om te horen. Ik hoor het vaker en ik begrijp het ook wel; je voelde bij ons niet die drempel die er bij theater vaak is voor ongeoefende kijkers. ‘O jee, weet ik wel genoeg?’ Wij namen het publiek mee in ons eigen enthousiasme. Dat is later ook aan veel Orkatervoorstellingen blijven kleven.”

U was al snel de regelaar. Beleefde u minder plezier aan het zelf spelen?

“Ik noemde mezelf nooit acteur, ik had een dienende rol als performer. De muziek was heel prominent, daar was ik geen ster in, zoals Vincent. Ik was ook geen frontman zoals Alex, en dat vond ik helemaal niet erg. Vanaf het prille begin ben ik eigenlijk alle energie gaan steken in zorgen dat dingen gebeurden. Alex zei een keer: ‘Ik zou zo graag in ­IJsland willen spelen’. ‘Nou dan gáán we toch in IJsland spelen?’ ‘Ja, maar hoe doe je dat dan?’ ‘Nou,’ zei ik, ‘naar IJsland bellen.’ Het begint letterlijk met dat je in het telefoonboek kijkt: is er een theater in IJsland en hoe heet dat en wie is de directeur? En dan bellen.”

En? Gelukt?

“Gelukt, ja. Er bestaat bijna geen dienender rol dan bij een theatergezelschap achter de schermen. Soms lijkt het vergezocht wat die begeesterde makers willen, maar alles staat in dienst van het resultaat. Als je dat niet trekt, moet je iets anders gaan doen. Mijn eigen dochter heeft een maand hier gewerkt en zei toen ‘No way dat ik in deze business wil werken. Die mensen denken allemaal alleen maar aan zichzelf, dat is gewoon niet te doen!’, en weg was ze. Die werkt in de verpleging in het VU-ziekenhuis.”

Bij uw afscheid kreeg u de Frans Banninck Cocq ere­penning van de stad. Wat betekent dat voor u?

“Het onderschrijft dat Orkater iets voor Amsterdam heeft betekend. En dat ik al die jaren bij Orkater zit, maakt dat ie bij mij terecht komt, maar ik voel het echt als een Orkateronderscheiding. Al sinds het prille begin zijn we ons heel erg bewust van de kracht van het collectief. ‘Mijn’ past niet in mijn vocabulaire. Bij ons is alles ‘wij’ en ‘ons’.”

U produceerde niet alleen theater en film, u was ook nog de bedenker van bioscoop Het Ketelhuis.

“Ja, dat begon op een terras in Cannes. Het gesprek ging over dat er zo weinig ruimte was voor de Nederlandse film. Wij zaten met Orkater inmiddels op het Westergas­fabriekterrein, een grote gifbelt toen nog. Ik vroeg de ­directeur: ‘Mogen wij voor een jaar het ketelhuis gebruiken?’ Dat was goed. We regelden stoelen, rausden ergens een projector vandaan. Soms houd ik mijn hart nog vast, ik heb daar dingen staan slopen zonder masker… Dat ik nog geen asbestkanker heb. Na dat jaar vroeg de directeur of we niet langer open konden blijven, dan gebeurde er tenminste wat op het terrein. De rest is geschiedenis.”

En nu?

“Ik ga me concentreren op Graniet Film. Wat een bijbaan was, wordt nu mijn hoofdbaan. Niet alleen meer de films van Alex, er liggen nu ook plannen van anderen. Ik hoop dat we die de komende jaren kunnen uitvoeren. En gisteren zei Alex tegen me dat hij heel snel met een idee voor een nieuwe film komt. Dus werk genoeg. Mijn zoon werkt ook bij Graniet Film, dat geeft mij ook nog wat ‘pensioenruimte’. Ik heb een lange lijst met klusjes: iets in de tuin, iets op het dak. Met hem hier hoef ik niet alles op mijn eigen schouders te nemen.”

Van generatie op generatie. De naam Van Warmerdam blijft.

“Ja, dat heb je bij boeren en slagers en óók bij ons.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden