Plus Interview

Maarten Spanjer: ‘Ik hou helemaal niet van huilverhalen’

Maarten Spanjer: ‘Ik heb een wereld beschreven die niet meer bestaat.’ Beeld Jitske Schols

Acteur en schrijver Maarten Spanjer (66) beschrijft in zijn nieuwe verhalenbundel Geluk is een herinnering zijn jeugd in de jaren vijftig en zestig. ‘Een wereld die niet meer bestaat.’

Ik herinner mij Maarten Spanjer in de rollen van Miskend Talent en voetbalombudsman Drs. Vijfje in het sportprogramma Voetbal ’80.

Ik herinner mij Maarten Spanjer in de film Spetters van Paul Verhoeven.

Ik herinner mij Maarten Spanjer als chauffeur in de televisiehit Taxi.

En ik herinner mij Maarten Spanjer als de auteur van de smerigste zin ooit geschreven. Daarover later.

Maarten Spanjer – naast het schrijven treedt hij met ­muzikanten op in de nostalgische muziekvoorstelling de Beatshow – zit aan een tafeltje op het terras van Tennisclub Kattenlaan aan het Vondelpark. Glaasje prosecco voor zich. “Nee, ik heb wel getennist,” zegt hij, “maar dat doe ik niet meer.”

Wat hij nog steeds doet – behalve geregeld zijn hand ­opsteken als er weer een bekende voorbijloopt – is schrijven. Net is zijn nieuwe boek verschenen, de verhalenbundel Geluk is een herinnering. Elk verhaal (er staan 96 korte en zeer korte verhalen in het boek) begint met de woorden ‘Ik herinner mij’.

Een paar verhalen komen bekend voor, want in een ­andere vorm opgenomen in Ik herinner mij (privé-­domein, deel 151, verschenen in 1988). Hierin tekent een aantal Nederlandse schrijvers vroegste jeugdherinneringen op. “Dat was een variatie op het boek Je me souviens van George Perec. Een heel leuk uitgangspunt. Daar kan ik meer mee doen, heb ik altijd in mijn hoofd bewaard. En nu is het ervan gekomen. Ik heb de verhalen verbeterd en aangevuld. Perec beschreef al herinneringen uit zijn eerste jaar. Die heb ik niet, mijn eerste herinnering is toen ik vier was en met een houten speelgoedauto verkeers­geluiden nabootsend door het huis kroop.”

Nostalgisch testament

In Geluk is een herinnering beschrijft Maarten Spanjer zijn jeugd in de jaren vijftig en zestig. Het boek sluit af met de militaire dienstkeuring op zijn zeventiende.

“Ik heb een wereld beschreven die niet meer bestaat,” zegt hij. In dat opzicht kun je van een (nostalgisch) testament spreken. De schillenboer, Kick Wilstra, Klukkluk, gescheiden jongens- en meisjesscholen, Wally Tax. Een onbevangen, overzichtelijke tijd.

“Als je ouder bent dan vijftig dan zul je veel herkennen, maar of jongeren dat ook doen? Misschien herkennen ze de humor in het boek. Humor moet wel in je karakter zitten en is een prachtig instrument om te overleven. Humor is ook een beetje uit de literatuur verdwenen en als het er wel inzit, wordt het niet meer als literatuur gezien, heb ik weleens het idee.”

Humor zit er zeker in zijn verhalen, en herkenbaarheid dus. Ook de verslaggever schaamde zich dood toen hij met een rood hoofd in de Vivo maandverband voor zijn moeder moest halen.

“Ja! Dat doe je een jongen van tien jaar toch niet aan? Wat? O ja,schone onderbroeken. Daar kreeg je bij ons thuis maar een per week van. Haha, ja, zo ging dat vroeger.”

Geen bedompt boek

Maar ook schetst hij het milieu van de familie Spanjer. Zijn ouders, die het moeilijk hebben gehad en hoopten dat hun kinderen het na de oorlog beter zouden krijgen. “Nee joh, dit is geen bedompt boek. Ik hou ook helemaal niet van huilverhalen. Ik hoop dat ik met dit boek een mooi beeld van de jaren vijftig en zestig heb gegeven. Over een jongen die de oorlog niet heeft meegemaakt, maar er wel de ­naweeën van heeft meegekregen.”

Er vliegt een tennisbal hard tegen de achtervanger vlak voor het tafeltje. Spanjer: “Man, ik heb vannacht nog over mijn vader gedroomd. Dat ik enorm tegen hem tekeerga. Dat ik hem uitscheld. Jij klootzak! Denk maar niet dat ik bang voor je ben. Ik heb echt schijt aan je. Tot ik wakker schrok. Ik heb al een tijd niet aan mijn vader gedacht, maar kennelijk vallen er nog steeds rekeningen te vereffenen. In wezen was hij een lieve man. Mijn ouders waren bijvoorbeeld ware kunstenaars als het erom ging elk jaar de zak van Sinterklaas vol te krijgen voor hun kinderen. Hoe ­ouder ik word, hoe meer bewondering ik daarvoor heb ­gekregen. Goeie mensen die uiteindelijk ook slachtoffer van hun tijd waren.”

In Geluk is een herinnering staat een ontroerend portret van zijn moeder (‘Ik herinner mij de sterfdag van mijn moeder.’) Een moeder die hij eigenlijk niet goed heeft ­gekend. Maar Maarten Spanjer vent dat niet uit.

“Daar hou ik dus helemaal niet van, met je ellende te koop lopen. Dat bundel je dan in een boekwerkje en binnen de kortste keren zit je het verhaal bij een van de dagelijkse talkshows nog eens dunnetjes over te doen. Een ­zekere lichtvoetigheid in die verhalen is ver te zoeken.”

Komisch randje 

Een boek moet geen product zijn van je ellende, vindt Spanjer. “Een goed verhaal, hoe triest ook, moet altijd een komisch randje hebben. Wat? Mijn opa? Dat zijn kunst­gebit op mijn voet valt?”

Dan is het tijd om Maarten Spanjer een grote veer in zijn achterste te steken, want hij is voor de verslaggever de ­auteur die het smerigste einde van een verhaal heeft ­geschreven. Spanjer gaat rechtop zitten en prikt met zijn vinger in de lucht. “Wacht even, wacht even…. Het gebittenbakje van mijn opa.”

In één keer goed. In het eerder gepubliceerde verhaal Zuiderzeeballade komt opa op de kamer van Maarten te slapen. Opa strooit elke avond ‘een soort pokon’ in een bakje water om er vervolgens zijn kunstgebit in te doen. Na de dood van opa ziet de jonge Maarten dat bakje staan. ‘Het bruine water was drabbig geworden en het leek of er gelige visjes in rondzwommen.’ In de laatste regel drinkt de jonge Maarten dat bakje leeg. (De verslaggever moet bijna kokhalzen.)

Spanjer begint te lachen.

“Wat leuk dat je dat zegt. De inmiddels overleden journalist Henk Hofland heeft dat verhaal ook gelezen. ‘Maarten,’ zei hij, ‘schrijven is onthouden worden. En dat einde over jouw opa, dat zal ik nooit vergeten.’”

Tegenover Spanjer wordt instemmend geknikt. Echt smerig.

“Dat einde was wel verzonnen, moet ik erbij zeggen.

80 procent in het boek is waar, en 20 procent heb ik ­oprecht gelogen. Liegen is ook een vorm van creativiteit. Dat verhaal over Piet Keizer bij automatiek Gebr. Haen op het Galileïplantsoen. Als ik voor Louis van Gaal, mijn voetbalmaatje, gratis een kroket zou trekken, en betrapt word, net toen Piet Keizer binnenkwam. Louis heeft dat verhaal gelezen. Dat van hem had ik correct weergegeven. ‘Maar dat Piet Keizer daar ook was, herinner ik mij niet.’”

Mooischrijverij

Het schrijven heeft hem ook geleerd niet geforceerd een mooi einde te verzinnen. Hij haalt een verhaal aan (Freddy’s Bar) waarin hij in een hotel het bed deelt met de dochter van Johnny Cash. “Aan het einde sta ik dan buiten in de regen en hou ik een taxi aan. Ik las dat nog een keer en zette een streep door die laatste zin.”

Die laatste zin luidt nu: ‘Zacht, bijna teder, drukte ze de deur tegen mijn neus dicht.’

Spanjer: “Klaar!”

O ja, en hij houdt ook niet van moeilijke woorden, Maarten Spanjer. En ook niet van mooischrijverij. “Er komt geen enkel moeilijk of aanstellerig woord in dit boek voor, en dat is hard werken. Henk Hofland, daar heb je hem weer, had mijn eerste boek gelezen. Ik had het in een verhaal over iets nuttigen. Toen zei Henk: ‘Eten, Maarten! Niet nuttigen! Eten!’ Maak het niet mooier dan dat het is, daar heb ik me altijd aan gehouden. Als ik merk dat ik me aanstel, en dat kan zomaar gebeuren, gaat er een streep door.”

Maarten Spanjer: Geluk is een herinnering, uitgeverij Xander, €18,50.

Maarten Spanjer Beeld Jitske Schols
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden