Lidewey van Noord: ‘Er ontbreekt iets aan ons leven omdat we zo opgaan in het leven in binnenruimtes en op onze schermen.’

Plus Interview

Lidewey van Noord over leren jagen en puur voedsel

Lidewey van Noord: ‘Er ontbreekt iets aan ons leven omdat we zo opgaan in het leven in binnenruimtes en op onze schermen.’ Beeld Lotte Bronsgeest

Lidewey van Noord (34) verruilde Amsterdam voor het Italiaanse platteland. Daar schreef ze Terug naar de natuur. ‘Ik zie niet in waarom het zelf doden van wild zieliger is dan in de supermarkt een biefstuk in je mandje gooien.’

Als Lidewey van Noord in Nederland is, verblijft ze het liefst in een stacaravan op het Overijsselse platteland. “Niet heel praktisch voor afspraken in de Randstad, na vijf uur ’s middags rijden er hier geen bussen meer.”

In zekere zin verschilt het niet veel van het gehucht in Italië, in het zuiden van Piemonte, waar ze de helft van het jaar is. Ze wandelt er in de bossen en helpt een dag per week mee op een boerderij bij het aanleggen van een permacultuur moestuin. En ze schreef er haar vierde boek: Terug naar de ­natuur. “Ik ging op mijn achttiende Nederlands studeren aan de UvA. Amsterdam was een sprookjeswereld waar ik de schrijvers die ik zo bewonderde in het wild tegenkwam, wandelend over de grachten of in de kroeg.”

Na haar studie werkte Van Noord bij verschillende literaire uitgeverijen. Ze stopte in 2012 met haar baan om schrijver te worden en publiceerde drie boeken over wielrennen: Pellegrina, Une belle histoire en Peter Sagan. “Ik hou enorm van wielrennen, om naar te kijken vooral. Het is een sport waarin landschappen een grote rol spelen, in mijn eerste wielerboek, Pellegrina, staan heel veel natuurbeschrijvingen.”

Een Italiaanse boer

Omdat haar werk als wielerjournalist in de winter stil kwam te liggen, besloot Van Noord in die periode op boerderijen in Italië te gaan werken, tegen kost en inwoning. “Ik werd verliefd op een Italiaanse boer. Die liefde strandde, maar het idee ontstond om buiten te gaan wonen. Ik ontdekte dat ik er erg gelukkig van werd om, naast het schrijven, ook fysiek werk te doen.”

Ze vertrok naar Nieuw-Zeeland en werkte er negen maanden op verschillende boerderijen. “Eenmaal terug in Nederland wist ik dat ik niet anders meer wilde. Als ik in Amsterdam mensen groette op straat of bij het uitstappen de buschauffeur bedankte, keken ze mij aan alsof ik niet spoorde. Ik vond het allemaal zo kil en ik kreeg ook last van het drukke verkeer en al het steen om mij heen. Ik was klaar om de stad te verlaten, Nieuw-Zeeland was te ver weg van mijn dierbaren, het werd Italië. Bij toeval kwam ik terecht in het dorpje waar ik nog steeds een deel van het jaar verblijf. Het ligt pal naast een groot natuurpark, met rivieren, roofvogels, wolven en klein wild. Ik wandel er elke dag in het bos, op tien minuten afstand van mijn appartement. ’s Avonds zit ik op mijn balkon naar de sterren te staren, omringd door de geluiden van de dieren.”

Omgaan met verdriet en verlies

In Italië schreef ze met Terug naar de Natuur een boeiend en toegankelijk boek over de wisselwerking tussen mens en natuur. “Het boek heeft zichzelf geschreven. Er kwamen vanzelf mensen en verhalen op mijn pad. Nog niet eerder heb ik met zo veel plezier aan iets gewerkt.”

Terug naar de Natuur is niet bedoeld om mensen de les te lezen, zegt ze. “Ik wilde vooral mijn eigen inzichten ­delen. Mijn generatie is op zoek naar zingeving en spiritualiteit. Er ontbreekt iets aan ons leven omdat we zo opgaan in het leven in binnenruimtes en op onze schermen. Daardoor raken we de connectie met de planten, de dieren en de mensen om ons heen steeds meer kwijt.”

“In andere culturen is de dood ook veel meer een onderdeel van het leven dan in het Westen. De begrafenisondernemer die ik voor mijn boek sprak, vertelde me dat zij denkt dat dit komt doordat de generaties na de Tweede ­Wereldoorlog dood en verderf achter zich wilden laten, ze wilden vooruitkijken en stortten zich op de wederopbouw. Hun focus lag op hard werken en doorgaan en daardoor hebben wij niet van hen geleerd hoe om te gaan met verdriet en verlies. Er is er een enorm ongemak ontstaan ten aanzien van de dood, onze eigen sterfelijkheid en die van het leven om ons heen.”

De dood en hoe we daar vooral níet mee omgaan, verklaart ook deels de manier waarop we naar ons voedsel kijken, stelt Van Noord in haar boek. “Toen ik in Italië een abrikoos at die gerijpt had in de zon aan de boom voor mijn huis, was ik verbaasd: dus zo smaakt het écht! Puur voedsel heeft zo’n totaal andere smaak dan het eten dat we in de supermarkt kopen. Net als vlees in de supermarkt in helemaal niets lijkt op het dier dat het ooit was.”

Beeld Lotte Bronsgeest

Ze vertelt hoe ze bij een dierenopvang was waar kippen werden gevoerd aan de roofdieren. En hoe de ouders hun kinderen geshockeerd bij de dode kippen weghielden. “Ik vind het verdrietig dat we de oorsprong van ons voedsel en het gevoel voor smaak, kwaliteit ervan verloren zijn.”

Op een van de boerderijen in Nieuw-Zeeland ervoer Van Noord voor het eerst zelf hoe nauw leven en dood met ­elkaar verbonden kunnen zijn. “Ik zag er elke dag dode dieren, schapen of koeien die ziek waren en stierven, plaagdieren die werden gevangen met een val, wild dat werd geschoten, gevild en gegeten. Het omgaan met dode dieren werd vanzelf normaler, het ongemak verdween.”

Ze vond dat ze moest leren jagen, maar het doden van een dier gaat niet vanzelf. “Op mijn tweede dag werd ik al geconfronteerd met een gewonde egel die uit zijn lijden verlost moest worden. We hadden alleen een schroevendraaier op zak; ik kon het niet, maar een ander meisje deed het zonder te aarzelen, in één snelle beweging.”

Na een tijdje was ze toch klaar voor de jacht. “We hadden vlees nodig voor een groot diner en ik ging mee met een herder. Ik was vooral bezig met het in één keer doden van de geit, een clean shot, zodat het niet zou lijden. Met het doden zelf had ik weinig moeite, ook omdat de wilde geiten in dat gebied exoten zijn die zich zo snel vermeerderen dat ze een bedreiging vormen voor het ecosysteem. Ik schoot bewust op een redelijk jonge geit, want ik wist dat het vlees ervan malser is.”

Zonder stress en pijn

Wel of niet schieten blijft altijd een keuze, zegt Van Noord. “Soms betekent jagen dat je urenlang een kudde observeert en besluit dat er niet één dier tussenuit kan. Je komt vaker met lege handen terug dan met vlees. Ik zou nooit een zogende moedergeit schieten, een drama aanrichten in een geitengezin is onnodig.”

Dat ze zelf een dier heeft gedood, heeft ze met weinig mensen in Nederland besproken. “Voor mij was het ­inmiddels redelijk normaal. In Nieuw-Zeeland heeft vrijwel iedereen weleens gejaagd, maar in Nederland staat het zo ver van ons af. Mensen vinden het hier zielig, maar ik zie niet in waarom het zelf doden van wild zieliger is dan in de supermarkt een biefstuk in je mandje gooien. Wild heeft in de natuur geleefd en sterft zonder stress en pijn, in tegenstelling tot de biefstuk afkomstig van een koe.”

Als je niet zelf kunt jagen, maar toch vlees wilt eten, kies dan in elk geval voor biologisch vlees, vindt Van Noord. Ze vreest dat de aarde niet meer te redden valt, maar niets doen is geen optie. “Het kan me enorm raken hoe we met de natuur omgaan. We zouden moeten streven naar ­genoeg, niet naar méér. Helemaal zelfvoorzienend leven is mijn droom, maar de ironie is dat dat veel geld kost. En mijn streven naar genoeg levert vooral geluk en vrijheid op, geen volle bankrekening.”

Lidewey van Noord: Terug naar de natuur. Volt, €20,99

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden