Plus Interview

Leo Blokhuis schreef een roman: ‘Ik ben erg bang voor de recensies’

Popkenner en presentator Leo Blokhuis (57) debuteert morgen als romanschrijver met het semiautobiografische Blauwe zomerThema’s: indorock en religie. ‘Mijn ouders zetten mijn muziek uit als ze die hoorden.’

‘Dit ligt veel dichter bij me dan een non-fictieboek. Dit bevat mijn persoonlijke gedachten.’ Beeld Ernst Coppejans

In een van de boekscènes die Leo Blokhuis direct ontleende aan zijn eigen leven sluipt tiener Johan de trap van zijn ouderlijk huis op. Onder zijn arm een in een oude krant verborgen elpee. Johan beluistert hem met zijn oor aan de grammofoon. Opdat het volume van de rock-’n-roll­muziek zijn ouders niet alsnog naar boven zal lokken.

De heimelijke luistersessie in zijn romandebuut Blauwe zomer had ook kunnen plaatsvinden in de dominees­woning van de familie Blokhuis in Schiedam. Vader Blokhuis was daar hoeder van een, zo duidt zijn zoon, ‘midden-orthodoxe’ christelijke gemeente.

Blokhuis: “In de jaren vijftig, waarin mijn hoofdpersoon Johan opgroeit, kon in dat milieu rock-’n-roll alleen maar rechtstreeks van de duivel komen. Johan wordt uiteindelijk door zijn vader het huis uitgezet. Dat was bij mij absoluut niet aan de orde. Ik was tiener in de jaren zeventig. Mijn ouders zetten mijn muziek uit als ze die hoorden, maar dwongen me niet mijn platen weg te gooien.”

In Blauwe zomer kruisen de levens van twee volwassen wordende jongens. Uiteraard is ook de tweede hoofdpersoon van Blokhuis – in tijden van Top 2000 door presentator Matthijs van Nieuwkerk steevast als popprofessor op een voetstuk gezet – bezeten van rock-’n-roll. De in ­Nederlands-Indië geboren Chris vormt met Johan een bandje dat lijkt op de indorockgroepen die in ons land gelden als de grondleggers van het genre.

U schreef zeven jaar aan Blauwe zomer. Waarom zo lang?

“Het is een moeizaam proces geweest. Daarbij wel gezegd: ik ben geen echte schrijver zoals Peter Buwalda die zich helemaal kan wijden aan een boek. Ik moet af en toe ook gewoon werken. Ik had al acht boeken over popmuziek geschreven, maar dit is heel anders.”

Waarom voelt u zich geen echte schrijver?

“Ik ben nu Otmars zonen van Buwalda aan het lezen. Allemachtig, dat is echt van een andere orde. Ik pretendeer ook geen literatuur te hebben geschreven: het is gewoon een verhaal dat ik graag wilde vertellen.”

Vond u het schrijven zo leuk dat het voor herhaling vatbaar is?

“Nee.” Stilte. “Nee, het is echt heel hard werken geweest. Ik ben normaal een snelle schrijver. Toen ik eraan begon, wist ik duidelijk niet wáár ik aan begon. Misschien groei ik hierna nog enorm als schrijver of ik krijg een paar ontzettend goede ideeën, maar anders denk ik geen oeuvre aan romans te gaan opbouwen.”

Bent u bang voor de recensies?

“Heel erg. De eerste is al binnen. Een goede vriend zei: ‘Dit is allemaal al eens gedaan. En beter.’ Hoewel ik het niet met hem eens was, heb ik er wakker van gelegen. Ik vind het altijd lastig om kritiek van me te laten afglijden. En daarbij: dit ligt veel dichter bij me dan een non-fictieboek. Dit bevat mijn persoonlijke gedachten. Maar goed, ik hoop dat mensen het fijn vinden dat dit verhaal wordt verteld.”

Welk verhaal ligt u zo na aan het hart?

“Ik ben er altijd in geïnteresseerd waar muziek vandaan komt. Aanvankelijk dacht ik aan een informatief boek over het begin van de rock-’n-roll in Nederland. En dus over de rol van de indo’s daarbij. Ik deed interviews met artiesten van toen die nog leven en ging twee keer op ­researchreis naar Indonesië.”

“Gaandeweg kwam ik erachter dat een puur geschiedenisboek niet het gewenste ­gevoel zou bevatten. Ik moest de verhalen van muzikanten als de Tielman Brothers, Eddy Chatelin en Woody Brunings samenballen in een fictief personage.”

“Die jongen beleeft wat veel mensen met een Nederlandse nationaliteit, maar met Indische moeder in de tweede helft van de jaren vijftig meemaakten. Ze werden in Indonesië gepest, belaagd, opgejaagd als ongewenste vreemdelingen. Hoewel velen nooit in Nederland waren geweest, was teruggaan naar het land van hun vader hun enige optie.”

“Ze namen hun gitaar mee. Die werd in Nederland nog amper bespeeld. Toen de rock-’n-roll overwaaide uit de VS waren zij de logische eerste spelers. Dankzij de ­muziek konden sommigen zich aan een moeilijk bestaan ontworstelen.”

Herkent u daar iets in? Was u zonder muziek gekomen waar u nu bent?

“Misschien niet per se muziek, maar ik denk zeker dat er een vorm van kunst nodig was. Theater, literatuur of film geven je een ander venster op een werkelijkheid die je al dacht te kennen. Ze openen een poortje naar je hart, waardoor je hoofd zich moet aanpassen.”

U laat Johan de kerk rondkijken en zeggen: ‘Mooi. Al die mensen die hier helemaal zonder twijfel zitten.’

“Dat zou ik ook gezegd kunnen hebben. In die observatie zit een ondertoon van ongeloof, natuurlijk. Ik zag bij ons in de kerk de verbetenheid in die gezichten: wij gaan ­tegen de klippen op geloven dat het zo zit en luisteren naar niets of niemand die ons op andere gedachten wil brengen. Bij die instelling voelde ik me steeds minder thuis. Uiteindelijk heb ik van de acht kinderen het elastiek van onze opvoeding het verst opgerekt.”

Leidde uw gedrag tot frictie thuis?

“Het is twee of drie keer gebeurd dat mijn ouders naar mijn slaapkamer kwamen voor een goed gesprek. Dan uitten ze hun zorgen over de manier waarop ik met mijn ­geloof omging. Maar als je een jaar of zeventien bent, stokt zo’n gesprek toch ergens. Je kunt als ouders prima vertellen hoe laat je zoon moet thuiskomen, maar zeggen: ‘Jij moet dit geloven’, lukt op die leeftijd niet meer.”

Maar popmuziek werd wel verboden?

“Zo strikt was het niet. Als ik met mijn vader meereed naar een preekbeurt en er kwam een popliedje op de autoradio, zette hij dat niet uit. Maar zelf vond hij Bach al ­redelijk ver gaan. In zijn laatste levensjaar hebben we hem nog meegenomen naar Het Zwanenmeer in de schouwburg. Daar ging hij helemaal in op. Toen dacht ik: wat jammer dat je dit jezelf je hele leven hebt ontzegd.”

Wat had uw vader van uw boek gevonden, denkt u?

“Ik zou niet bang zijn het hem te laten lezen. Het politiek-maatschappelijke deel over Indonesië had hij fantastisch gevonden. Ik heb mijn geschiedenisliefde van hem geërfd. En ik verbeeld me dat ik nu beter met hem zou kunnen praten over het geloof dan toen hij nog leefde.”

Toen lukte dat niet?

“Ik heb met te veel ontzag geaccepteerd dat mijn vader er nu eenmaal anders over dacht. Het pittigste gesprek kwam halverwege de jaren negentig toen ik vertelde te gaan scheiden. Verder bleven mijn vader en ik misschien te veel aan de oppervlakte.”

U zei eerder dat hij uw popmuziekboeken niet las, hoewel u ze hem allemaal cadeau deed.

“Die boeken stonden met ongeknakte ruggen netjes naast elkaar op de plank, ja. Hij vond het heel knap dat ik zoiets kon schrijven, maar kon helemaal niets met het onderwerp. Daar zit geen teleurstelling, hoor. Het eerst waarvan ik dacht: dat hadden ze moeten zien, was de tv-serie ­Achter de dijken, over de wortels van het Nederlandse ­calvinisme. Dat hadden ze vast fijn gevonden.”

Wat is er veertig jaar nadat u de popmuziek heeft ontdekte over van uw geloof?

“Ik verander daar nog steeds in. Dat zou mijn vader moeilijk hebben gevonden. Die was van de standvastigheid: niet meedeinen op je gevoel. Ik ga inmiddels vrijwel niet meer naar de kerk. Ik mis er de ruimte voor twijfel, hoewel ik wel van de rituelen houd.”

“Ik geloof zeker in een god, hoewel ik niet precies onder woorden kan brengen hoe ik die zie. Ik ben nuchterder geworden. Maar als ik in Italië een kerkje binnenloop, voel ik me toch anders. Stiller, spiritueler, lichter.” Een kleine stilte. “Pfoee, dit soort teksten zou mijn vader echt vreselijk hebben gevonden.”

Leo Blokhuis: Blauwe zomer, AmboAnthos, €21,95.

Wekelijks een overzicht van de nieuwste hotspots, uitgaanstips, films en restaurants in je mailbox? Schrijf je dan nu in voor de Uit-nieuwsbrief van Het Parool.

Ook leuk: volg @hetparool op Instagram.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden