Plus

‘Lelijk is geen argument’, dus redt Heemschut de betonnen kolos Leeuwenburg

Leeuwenburg. Beeld Sophie Saddington
Leeuwenburg.Beeld Sophie Saddington

Ook een jong gebouw kan monumentaal zijn, vinden de leden van Heemschut. De club beschermers van het Amsterdamse stadsgezicht wordt zelf ook steeds jonger. Nu maken twintigers zich hard voor wederopbouwiconen en het laatste stuk brutalisme. ‘Erfgoed is geen grijzemannenhobby.’

Dylan van Eijkeren

‘Erfgoedvereniging Bond Heemschut,’ zo’n naam riekt naar vermolmd hout, fermenterend mos en oude stenen. Niets daarvan, zegt Norman Vervat (37), voorzitter van de Amsterdamse commissie van erfgoedbeschermers: “Van onze acht leden zijn er vijf onder de 40 en drie onder de 30 jaar.”

Ook de objecten waarvoor de vrijwilligers het opnemen zijn jonger dan je zou verwachten. Wie denkt aan laatmiddeleeuwse kerken en muffe molens, wordt verrast door de recente objecten op de To Do-lijst van Heemschut: van de Sloterplas een beschermd stadsgezicht maken, de Tolhuistuin in Noord als gemeentelijk monument laten aanwijzen, niet opgeven in de strijd om het brutalistische complex Leeuwenburg naast het Amstelstation te redden. Vervat: “Erfgoed is geen grijzemannenhobby.”

“Onze commissie bestaat uit jonge mensen die met een open blik alles nog ontdekken,” zegt commissielid Bene Colenbrander (29). “Al is er ook veel dossierkennis.”

Bewust genegeerd

Heemschut Amsterdam wil graag het heem (de eigen omgeving) schutten (beschermen), en daarbij zijn begrippen als ‘mooi’ en ‘lelijk’ niet van toepassing. Waar het om gaat, is gebouwen en stadsgezichten te beschermen die dat zonder hulp niet voor elkaar krijgen – die door rijk, provincie of gemeente over het hoofd zijn gezien of bewust worden genegeerd om ze te kunnen slopen, maar waar passanten, bewoners of belangstellenden wel de architectonisch-culturele waarde van inzien.

Voorzitter Norman Vervat (links) en commissielid Bene Colenbrander van de Amsterdamse commissie van erfgoedbeschermers. Vervat: 'Erfgoed is geen grijzemannenhobby.' Beeld Sophie Saddington
Voorzitter Norman Vervat (links) en commissielid Bene Colenbrander van de Amsterdamse commissie van erfgoedbeschermers. Vervat: 'Erfgoed is geen grijzemannenhobby.'Beeld Sophie Saddington

Heemschut is een naam die in de krant vaker in een bijzin dan in een kop boven een artikel opduikt. Hoewel het voortbestaan van veel monumenten en markante gebouwen in de stad te danken is aan de Bond, is het zelden Heemschut zelf dat het initiatief tot redding ontplooit. Dat wordt vaak genomen door bezorgde buurtbewoners of huurders, die zelf zijn vastgelopen in de gemeentelijke bureaucratie of plots tot de ontdekking komen dat de buurman op een druilerige ochtend aan de sloop van het historische trapportaal is begonnen.

“In 1911 werd Heemschut opgericht omdat er nog geen enkele vorm van monumentenwetgeving bestond,” vertelt Vervat. “Nederland was een van de laatste landen om met een monumentenlijst te komen, pas na de Tweede Wereldoorlog. Maar ook in Nederland was eind negentiende eeuw de industrialisatie begonnen. Stadsmuren werden gesloopt, grachten gedempt, landhuizen waren sta-in-de-wegs. Begin twintigste eeuw ontstonden er particuliere initiatieven om de zichtbare historie te beschermen, daar was Heemschut er een van.” Het duurde tot 1988 voordat Amsterdam een eigen commissie kreeg.

Vervat en Colenbrander houden kantoor in het Korenmetershuisje aan de Nieuwezijds Kolk. Dat werd in 1620 gebouwd in opdracht van twee gilden; nadat die de stad hadden verlaten, viel het in 1967 handen van de Bond Heemschut (zie ‘Het 402-jarige Korenmetershuisje’).

“We komen hier eens in de maand samen,” zegt Vervat, naast zijn vrijwilligerswerk voor Heemschut kunsthistoricus en stadsgids. “Wij zijn een soort actievoerders, maar we ketenen ons niet vast aan monumenten, wij schrijven brieven en volgen gemeentelijke procedures. Maar eerst onderzoeken we de gebouwen waarvoor aandacht is gevraagd: is het monumentwaardig? En soms stappen we naar de rechter.”

Het Korenmetershuisje aan de Nieuwezijds Kolk, waar Vervat en Colenbrander kantoor houden.  Beeld Sophie Saddington
Het Korenmetershuisje aan de Nieuwezijds Kolk, waar Vervat en Colenbrander kantoor houden.Beeld Sophie Saddington

Colenbrander: “Wij willen niet de organisatie zijn die van alles maar een monument wil maken, dus we houden onze aanvragen heel beperkt. We zijn in zekere zin een verlengstuk van bouw- en woningtoezicht. Als monumenten illegaal worden verbouwd, vragen we om handhaving.”

Havenkranen

In de strijd om het behoud van alles wat kenmerkend, bijzonder en iconisch is in de stad, wordt Vervat bijgestaan door zeven andere vrijwilligers, onder wie Bene Colenbrander, in het dagelijks leven lobbyist. “We doen drie dingen. We vragen aandacht voor het belang van erfgoed. Twee: als we iets heel waardevol vinden, proberen we het te beschermen, bijvoorbeeld door een monumentenstatus aan te vragen. En het derde: als iets historische waarde heeft maar wordt bedreigd met afbraak of door nieuwbouw, dan gaan we aan de slag om te voorkomen dat het tegen de vlakte gaat.”

“Waar het om gaat, is dat de stad als een geschiedenisboek afleesbaar blijft, dat voorbeelden van bepaalde architectuurstijlen behouden blijven,” zegt Vervat.

Colenbrander: “Verschillende stijlen, verschillende tijden geven de stad een identiteit. We zijn niet bang voor vernieuwing.”

Als voorbeeld haalt Vervat het Oostelijk Havengebied aan. “Tussen alle nieuwbouw daar zie je nog steeds het maritieme karakter. Wij hebben ons ervoor ingespannen dat een aantal havenkranen monumenten zijn geworden. Dat soort gebieden komt juist tot ontwikkeling omdat er erfgoed staat, dan heeft zo’n plek meteen een smoel. Als je erfgoed goed inzet, helpt dat Amsterdam in de ontwikkeling tot een moderne stad. Heden kan niet zonder verleden.”

Colenbrander is nu een goed jaar lid van Heemschutcommissie. “Ik schreef een brief naar de krant over Leeuwenburg: mensen vonden dat gebouw maar lelijk en daarom mocht het wel worden afgebroken. Ik stelde dat Heemschut met cultuurhistorische argumenten bepleitte het complex te behouden, dat het niet gaat om subjectieve begrippen als mooi of lelijk. Daarna kreeg ik een berichtje van Norman, of ik eens wilde komen praten.”

Leeuwenburg – de oude Rijkspostspaarbank, nu Hogeschool van Amsterdam – werd in 1977 door architect Piet Zanstra opgetrokken uit rauw beton: het béton brut dat de bouwstijl z’n naam gaf. Het lijkt er nu op dat het beton deels zal moeten wijken voor een nieuwe flat. Vervat: “Terwijl het brutalisme aan een revival bezig is! En we hebben al nauwelijks brutalisme in Amsterdam. De gemeente wil de geplande woontoren niet eens een beetje opschuiven.”

Colenbrander: “Mensen reizen naar Oost-Europa om Sovjet-brutalisme te zien. In Londen heb je tours door Barbican Estate, alleen maar brutalisme. En dan jagen we het hier over de kling.”

Pension Homeland

Heemschut breekt een lans voor hele oude stenen evengoed als voor wederopbouwpanden. Hun strijdplan met de titel Post ‘65 wil 65 Amsterdamse huizen, scholen, kerken, bedrijfsgebouwen, bruggen, een watertoren en een gemaal, allemaal gebouwd tussen 1966 en 2000, voor de stad behouden.

Als voorbeeld noemen de heemschutters Pension Homeland, het voormalige officiersonderkomen op het Marine Etablissement, tussen Scheepvaartmuseum en het IJ. Colenbrander: “Op dat terrein komen honderden woningen, maar eerst heeft de gemeente gekeken wat daar waardevol is en wat moet worden behouden, heel goed. De woontorens zijn precies om het erfgoed heen gepland. We hebben een monumentenaanvraag voor Homeland ingediend omdat het bijzondere industriële systeembouw is, typisch voor de jaren zestig, en bijzonder vanwege de gekleurde vlakken en de vroegere functie. Zo houd je de maritieme geschiedenis ter plekke levend.”

Pension Homeland. Beeld Sophie Saddington
Pension Homeland.Beeld Sophie Saddington

Vervat: “Onze uitdagingen zitten nu ook in Nieuw-West en Zuidoost, waar veel groen is en dus veel zou kunnen worden gebouwd. Hoe kan je dat combineren met behoud?”

Neem het Abraham Staalmanplein in Slotervaart, uit de late jaren vijftig. “Dat is een haakvormig plein met drie schuin geplaatste kiosken,” zegt Vervat. “Heel kenmerkend, met de principes van de modernistische bouwstijl van die tijd: licht lucht en ruimte. Daar zou een flat komen, maar wij hebben ons ervoor beijverd om er een levendig rustpunt van te maken, een groene long met karakter tussen alle nieuwbouw.” De woningcorporatie wilde dat niet, maar na veel vijven en zessen wist Heemschut wel het stadsdeel te overtuigen en werd het plein een gemeentelijk monument. “Het leek hopeloos, maar langzaam maar zeker hebben we het toch op de agenda gekregen. Nu is het prachtig opgeknapt.”

Kitsch

Na de grote slooprel vorig jaar, toen drie huizen in de Van Eeghenstraat onder luid protest van buurtbewoners en Heemschut verdwenen, wil de Bond delen van Oud-Zuid tot beschermd stadsgezicht laten aanwijzen. Colenbrander: “Iedereen was mordicus tegen, het gebeurde toch. Wij willen voorkomen dat daar meer ondoordachte sloop plaatsvindt.”

“Als een gebied als dat beschermd stadsgezicht is, dan heb je een kader waarbinnen iedereen weet waar hij aan toe is,” stelt Vervat. Zijn eerste zaak bij Heemschut, in 2007, was de Pius X-kerk in Slotervaart. “Een iconische, spectaculaire kerk met een grote toren, Bossche-Schoolstijl. Er lag een plan klaar van architect André van Stigt om er een school in te vestigen. Er was geen enkel beleid in Slotervaart, de eigenaar wilde niet meewerken, bestuurlijke onwil. Binnen no-time was de kerk afgebroken. Erg pijnlijk als je de weinig inspirerende school ziet die er nu staat. Daarvan heb ik heel veel geleerd, soms heb je zo’n mislukking nodig.”

De Lairessestraat. De Bond wil delen van Oud-Zuid tot beschermd stadsgezicht laten aanwijzen. Beeld Sophie Saddington
De Lairessestraat. De Bond wil delen van Oud-Zuid tot beschermd stadsgezicht laten aanwijzen.Beeld Sophie Saddington

Waar Heemschut ook achter het net viste, was het koetshuis op de Swammerdamstraat 12, ontworpen door de architect van Theater Carré. “Er staat nu een soort replica met een verdieping extra erop. Het had erger gekund, maar het is gewoon kitsch. Dat koetshuis was zo herkenbaar, laag tussen al die hoge panden. Dat is nu gewoon weg. Ook daar, in 2012, liepen we aan tegen een onwillig stadsdeel. Een puntgaaf negentiende-eeuws koetshuis!”

Kan Heemschut zichzelf overbodig maken? “In een ideale wereld zou Heemschut niet nodig moeten zijn,” zegt Colenbrander. “Maar dat is een utopie. Heemschut vervult een rol, en heeft in Amsterdam heel veel stadsaanzicht behoed voor sloop. De realiteit is dat Heemschut altijd zal moeten bestaan.”

Het 402-jarige Korenmetershuisje

Zowel het nationale bestuur als de Amsterdamse afdeling van de Bond Heemschut huist in het Korenmetershuis, anno 1620, pal op de Nieuwezijds Kolk tussen bierkroeg In de Wildeman en het politiebureau van de Wallen.

Het huis is sinds een goed jaar in handen van Stadsherstel, dat het verhuurt aan een aantal erfgoedclubs; ook de redactie van het historisch tijdschrift Ons Amsterdam komt er bijeen.

In de zeventiende eeuw werd het Korenmetershuis, door de huidige gebruikers liefkozend ‘het huisje’ genoemd, opgetrokken voor de stadsgilden der korenmeters en korenzetters. Het moest bezoekers imponeren: een entree boven een hoog basement, een stoep als een bordes en daarboven het stadswapen getooid met een keizerskroon.

De graanhandel in Amsterdam stond al voor de Gouden Eeuw bekend als ‘de moedernegotie’: de belangrijkste handel. Vanuit voornamelijk Polen en Rusland werd via de Baltische hanzesteden per schip graan aangevoerd, opgeslagen in de Amsterdamse pakhuizen en vervolgens doorverkocht. De twee verenigde gilden beoefenden hun ambachten waar nu de Beurs van Berlage staat, de locatie van hun nieuwe onderkomen was daar op minuten gaans vandaan.

Nadat de gilden ter ziele gingen, bleef het Korenmetershuisje toch nog tot 1921 in handen van verenigde graancontroleurs. Daarna raakte het pand in verval en verviel het uiteindelijk aan de gemeente; vorig jaar werd Stadsherstel Amsterdam de eigenaar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden