PlusInterview

Kunstenaar Ivan Cremer: ‘Ik werd heel ongelukkig van die creatieve armoede’

Kunstenaar Ivan Cremer: ‘Achteraf gezien was de architectuur een omweg.’ Beeld Maarten Kools
Kunstenaar Ivan Cremer: ‘Achteraf gezien was de architectuur een omweg.’Beeld Maarten Kools

Als kind vond kunstenaar Ivan Cremer (37) de Thomaskerk in Zuid al een magische ruimte. Nu exposeert hij op deze plek. Een ode aan zijn grootvader, die de kerk bouwde. ‘Als je niet wilt dat iemand je vertelt wat je wel of niet mag maken, vrees ik dat je kunstenaar moet worden.’

Zijn vader is een voorbeeld, zegt hij aan de telefoon. Maar voordat Ivan Cremer instemt met een gesprek, wil hij zeker weten dat we over meer zullen praten dan ‘Jan Cremers zoon zijn’. Die ervaring heeft hij namelijk met interviews. “Ik wil je liever aan de hand van mijn kunst laten zien wie ik ben.”

Die kunst staat midden in de Thomaskerk. De zeven meter hoge sculptuur ­Origins die Cremer er neerzette, bouwde hij als eerbetoon aan zijn grootvader. Op drie grove, grijze betonbekistingen staan figuren van oud bouwmateriaal die elkaar omhoogwerken richting de zonnestraal die precies op dat punt door het dak van de kerk komt. Het licht reflecteert op het aluminium. De kunstenaar, die heeft gevraagd het kunstwerk in eerste instantie zonder hem te bekijken, legt een welhaast kinderlijk enthousiasme in de vraag wat zijn bezoek erin ziet. Hij luistert aan­dachtig, humt instemmend, knikt, en ­vertelt pas veel later in het gesprek wat hij in gedachten had toen hij het maakte.

Even daarvoor stond het bezoek nog bij de ingang van de kerk. Aan de buitenkant prijkt, zolang de expositie duurt, een banier met daarop Ivan Cremers afbeelding.

Ik durf het bijna niet te zeggen, maar dit is een typisch geval van: wie de zoon ziet, ziet de vader.

“Dat mag je best zeggen, hoor. Mijn vader is een geweldige vriend en grote inspiratie voor me. Die man is een natuurkracht, alles wat hij doet komt rechtstreeks uit zijn kern. Hij heeft mij belangrijke levenslessen geleerd.”

Zoals?

“Je eigen weg gaan in plaats van de gebaande paden bewandelen. Je intuïtie volgen, geen compromissen sluiten.”

Best lastig, geen compromissen sluiten.

“Ja. Het is moeilijk om jezelf trouw te blijven, om je eigenheid niet te laten ver­wateren. Er is zoveel noise om je heen – meningen van anderen, leraren, collega’s, opdrachtgevers. Maatschappelijke structuren brengen je heel gemakkelijk van je kern af.”

U was architect. Tegenwoordig bent u kunstenaar. De architectuur bleek niet uw kern?

“Achteraf gezien was de architectuur een omweg, inderdaad. Maar ik heb er veel van geleerd. Misschien moest ik die omweg maken om te komen bij wie ik nu ben.”

‘Mijn tentoonstelling hier, nu, is een ode aan mijn grootvader. In zekere zin ga ik het gesprek met hem aan.’ Beeld Maarten Kools
‘Mijn tentoonstelling hier, nu, is een ode aan mijn grootvader. In zekere zin ga ik het gesprek met hem aan.’Beeld Maarten Kools

Hoe belandde u op die omweg?

“Mijn grootvader, Karel Lodewijk ­Sijmons, was architect. Deze kerk, de ­Thomaskerk, is door hem ontworpen. Hij heeft meerdere protestantse kerken gebouwd, maar dit is zijn magnum opus, zijn levenswerk. Een echt modernistisch bouwwerk, een van de weinige in Nederland. Dit gebouw kwam helemaal uit hem, dit gebouw ís mijn grootvader. Dat heb ik altijd fantastisch gevonden. Ik wilde dat ook: een vak uitoefenen waarin je creëert, authenticiteit neerzet, kracht laat zien. Dat werd mijn ambitie: architect worden, net als hij.”

Maar?

“We leven niet meer in de jaren zestig. Het vak is veranderd. Mijn grootvader heeft bij de bouw van deze kerk ongetwijfeld ook te maken gehad met een programma van eisen: er moeten zoveel ­kerkgangers in passen, er moet een theater in omdat er een jeugdcentrum bij hoort. Maar zijn autoriteit werd erkend en gerespecteerd. Hij hoefde zijn eigenheid niet in te leveren.”

Dat moest u wel, in uw tijd als architect?

“Het vak gaf mij te weinig vrijheid. Iedereen bemoeit zich tegenwoordig met je werk. Je moet je bewegingsvrijheid zien te vinden binnen de vaak kortzichtige ­drijf­veren van anderen – beperkte budgetten, bouwbesluiten. Dan blijft er weinig ruimte over. In de praktijk komt het erop neer dat je eindeloos compromissen moet sluiten en afbreuk moet doen aan je ideeën. Ik werd heel ongelukkig van die creatieve en intellectuele armoede.”

Dat voelde u nog niet zo toen u bouwkunde aan de TU Delft studeerde?

“Nee, nee, helemaal niet. De opleiding was geweldig, heel vrij. De academische wereld van de architectuur is er een van experiment, filosofie, inspiratie. In Delft heb ik leren nadenken over concepten, ik heb er kennisgemaakt met allerlei ­materialen. Ik mocht er helemaal mezelf zijn, ik vond het er heerlijk. Een betere basis kan ik me niet voorstellen. Het vak architectuur als zodanig vind ik nog steeds geweldig.”

Maar?

“Na mijn studie klopte ik vol goede moed met een portfolio onder mijn arm aan bij architectenbureaus in New York. Ik werd aangenomen en werkte zestien uur per dag aan projecten die nooit doorgingen. Ik sta heel positief in het leven, maar daar werd ik ontzettend ongelukkig van. Ik verdeed er echt mijn tijd en raakte steeds verder van mezelf verwijderd. Ik voelde dat ik mezelf verloochende en tegelijkertijd leek het onmogelijk om mijn droom te hervinden. In mijn binnenste schreeuwde alles dat ik mijn eigen ideeën moest uitvoeren, maar ik deed die droom af als kinderlijk. Op een of andere manier was het heel moeilijk om te durven voelen dat dit inderdaad het pad was dat ik moest volgen. Ik kon op een gegeven moment niet helder meer denken, ik was murw gebeukt.”

Na vier jaar New York vertrok u naar Los Angeles.

“Daar kon ik een parttimebaan krijgen bij een megalomaan architectenkantoor. Die corporate wereld: een nachtmerrie. The Office, maar dan echt. Ik hoorde er niet thuis. Dat was lachwekkend en pijnlijk tegelijkertijd. Ik zag daar hoe de mens zich eindeloos aanpast aan zijn zelfbedachte, zinloze structuren. Gelukkig had ik een goed team waarmee ik werkte aan leuke opdrachten. En die baan leverde me het geld op om een atelier te huren en de tijd om er aan de slag te gaan. Kon ik eindelijk alle ideeën uitvoeren die ik had bedacht toen ik in New York maquettes zat te ­bouwen. Langzaam maar zeker hervond ik mezelf. Totdat ik weer wist wie ik in essentie ben.”

Was dat zwaar?

“Zo’n zoektocht is natuurlijk niet uniek. Maar veel mensen verdwalen onderweg voorgoed. Ze laten zich afleiden door geld, status. Ik kwam erachter dat ik niet ten volle kan leven als ik mijn tijd besteed aan dingen die ik eigenlijk niet wil doen. En leven, dat is wat we hier op aarde komen doen, dat is het doel. Daarom wil ik dat mijn werk klopt met wie ik ben, dat mijn werk mijn leven is. Dat is de les die ik zowel van mijn vader als van mijn grootvader heb geleerd. Door simpelweg naar ze te kijken. Als je ten diepste niet wilt dat iemand je vertelt wat je wel of niet mag maken, vrees ik dat je kunstenaar moet worden.”

‘Er was een werkplaats in ons huis en als het even kon, was ik daar aan het timmeren.’ Beeld Maarten Kools
‘Er was een werkplaats in ons huis en als het even kon, was ik daar aan het timmeren.’Beeld Maarten Kools

Beeldhouwer, in uw geval.

“Als je een sculptuur maakt, kán simpelweg niemand je vertellen wat je moet doen. Het moet uit jou komen. Behalve over de vorm draait het bij beeldhouwen ook over de essentie van het materiaal. Ik wil weten wat het materiaal aankan, en wat het niet aankan. Ik wil voelen waar het vandaan komt en wat het doet. Er zit een specifieke energie in hout, in metaal. Die probeer ik te pakken, daardoor laat ik me leiden.”

“Achteraf kun je zeggen dat ik dat altijd in me heb gehad. Als kind haalde ik al materialen van de kant van de weg. Er was een werkplaats in ons huis en als het even kon, was ik daar aan het timmeren. Op mijn tweede kreeg ik een boormachine van mijn grootmoeder. Dat vond mijn moeder uiteraard niet zo’n geweldig idee, maar op zich had mijn grootmoeder het goed gezien. Nog steeds leef ik op van het geluid van zaagmachines, van een hamer op het staal; de geur ervan, de geur van hout.”

U verhuisde van Amerika naar Leipzig.

“De oude ziel van Europa, en vooral die van Duitsland, raakt iets in me wat me diep inspireert. De beklemmende geschiedenis, maar ook hoe open het land staat voor kunst. Ik woonde eerder een tijdje in Berlijn en hoorde dat Leipzig een echt kunstenaarsklimaat heeft. Ik vond er een atelier in een ruïne en een kamer in een vervallen, vooroorlogs pand.”

Hoe zag de transitie van architect naar kunstenaar eruit?

“In mijn nieuwe woonplaats struinde ik de omgeving af, op zoek naar verlaten gebouwen en industriële ruïnes. Die heb je daar veel. Voor mijn sculpturen gebruikte ik de resten van verwoeste architectuur. Ik heb letterlijk met de restanten van mijn oude bestaan een nieuw leven opgebouwd. De eerste serie beelden die ik in Leipzig maakte, was Dancers From Oblivion. Balletdansers geven met hun lichaam vorm aan emoties. Dat was een grote inspiratiebron.”

Als beeldhouwer wilde u een ode brengen aan uw overleden grootvader door te exposeren in zijn kerk.

“Over de Thomaskerk heeft hij gezegd: ‘Alles wat ik te zeggen heb, zit in deze kerk.’ Daarmee heeft hij in mijn beleving laten weten dat de architectuur van dit gebouw het verhaal zo helder vertelt, dat woorden er niet meer toe doen. Dat hoop ik met mijn werk ook te bereiken: dat je er als het ware niets aan hoeft toe te voegen, omdat het voor zich spreekt.”

“Deze kerk is een magische ruimte; als kind heb ik dat al zo beleefd. Aan de buitenkant lijkt het misschien een onopvallend, geel bakstenen gebouw, maar de ­binnenkant is een waar kunstwerk. Het modernisme en brutalisme vormen een enorme inspiratiebron voor me. Mijn tentoonstelling hier, nu, is een ode aan mijn grootvader. In zekere zin ga ik het gesprek met hem aan.”

Uw opa was een gelovig man. Bent u ­religieus?

“Ik ben niet gelovig, en het woord ‘spiritueel’ heeft ook een bijklank waar ik niet zo veel mee kan. Maar zowel mijn werk als dat van mijn grootvader gaat over een diepere laag, het is een zoektocht naar een andere waarheid. Dat zou je religieus kunnen ­noemen. Uiteraard heeft mijn grootvader Bijbelse symboliek verwerkt in de Thomaskerk. De zandkleurige betonnen klinkervloer verwijst naar de woestijn waardoor het Joodse volk naar Israël trok, het golvende dak symboliseert de zee waar Mozes de Israëlieten doorheen leidde, de twaalf vierkante ramen staan voor de apostelen en het prisma met raam in het plafond, waar een paar uur per dag een directe zonnestraal doorheen valt, refereert aan de heilige drie-eenheid.”

“Maar deze kerk gaat over veel meer. Mijn grootvader liet zich onder anderen inspireren door architect Le Corbusier, die de kapel Notre-Dame du Haut in Ronchamp bouwde. Ook hij werkte met geometrie en zonlicht. Tijdens mijn architectonische zoektocht in de Thomaskerk heb ik alles nagemeten. De enige elementen in de ruimte zijn de avondmaaltafel en het doopvont. Op het eerste gezicht oogt de plaatsing ervan toevallig. Maar ik heb de ruimte eindeloos onderzocht en het blijkt dat ze allebei in hun eigen oneindigheidspunt staan: in de Fibonaccispiraal, de proportio divina, de goddelijke verhouding. Die verwijst naar de oneindige cyclus van de natuur. Deze kerk gaat ten diepste over het leven en zijn oorsprong. Dat heeft mijn grootvader bewust gedaan.”

Het lijkt alsof u contact met hem zocht.

“Tijdens het onderzoek heb ik een paar keer gedacht: is dit toeval of stuurt hij mij? Ik wilde ontrafelen hoe hij te werk was gegaan, wat zijn gedachte achter dit bouwwerk was. Na zijn overlijden kon niemand hem dat nog vragen. Ik moest echt op zoek naar het antwoord.”

“Het eerste wat ik vond, was een verslag van zijn reis naar Ronchamp. Daarna vond ik de Modulor van Le Corbusier, een wiskundige benadering waarmee de verhoudingen van mens en natuur worden verbonden met architectuur. Dat bleek de sleutel waarmee ik de Thomaskerk kon begrijpen en ontgrendelen. Dat was geweldig. Vervolgens reed ik naar het Amsterdamse Bos, waar ik twintig jaar niet was geweest, en belandde per ongeluk op de plek die hij – hoorde ik later – als voorbeeld had gezien van de ideale verhouding tussen mens en landschap: de Bosbaan, voordat die werd verbreed. Drie keer achter elkaar zo’n toevalligheid, dat vond ik bijzonder.”

“De sculptuur die ik hier nu heb neer­gezet, gaat over het moment dat mijn grootvader overlijdt. Ik wil de betekenis van zijn werk vastleggen door de materialen die ik gebruik in samenhang met de lichtval. Ik wil het moment vatten waarop de architectonische elementen uiteen­vallen in het licht.”

Choreography of the Origins, een voorstudie van Cremers sculptuur Origins, in brons. Beeld Maarten Kools
Choreography of the Origins, een voorstudie van Cremers sculptuur Origins, in brons.Beeld Maarten Kools

Uw grootvader is belangrijk voor u. Toch was u heel jong toen hij overleed.

“Mijn grootouders zijn altijd een groot voorbeeld voor me geweest en dat zijn ze gebleven. Als klein kind kwam ik veel bij hen over de vloer. Hun huis in de Johannes Vermeerstraat was het universum voor mij. Overal stonden beeldhouwwerken en er hingen schilderijen en foto’s van mijn grootouders, samen met kunstenaars in hun ateliers. Ze kenden alle belangrijke internationale kunstenaars. Bij elke foto hoorde een geweldig verhaal. Zo had mijn grootvader een scheepsmes van de Franse beeldhouwer Étienne Martin. Ik herinner me de foto van Martin in zijn atelier heel goed, met kettingen en touwen om zijn werken op te hijsen. Zo ziet mijn ­atelier er nu ook uit.”

“Ik mocht ook mee naar tentoonstellingen. Van Constantin Brâcusi bijvoorbeeld. Mijn grootouders hielden feesten waar mensen als Willem de ­Kooning naartoe kwamen, Karel Appel, Jean Tinguely en Niki de Saint Phalle. Mijn grootvader was altijd op zoek naar kunst. Die maakte hij onderdeel van zijn architectuur. Nu heb ik een kunstwerk in zijn kunstwerk gezet.”

“Ik was vijf toen mijn moeder me vertelde dat hij was overleden. Tijdens zijn laatste moment scheen de zon op zijn gezicht, zei ze. Dat heb ik altijd onthouden. Licht was het belangrijkste element waarmee mijn grootvader speelde. Dat bleek ook weer toen ik deze kerk onderzocht.”

In de kerk laat u het ballet Without Words van choreograaf Hans van Manen zien als eerbetoon aan de relatie van uw grootouders.

“Mijn grootvader en grootmoeder hebben elkaar op 26 november 1944 ontmoet tijdens het bombardement van de geallieerden op de Euterpestraat, nu de Gerrit van der Veenstraat. De Britten probeerden de archieven van de Sicherheitsdienst, met gegevens over verzets­strijders, te ­vernietigen. Mijn grootmoeder liep daar en sloeg tegen de vlakte. In de chaos zag ze mijn grootvader een huis uitkomen. Ze vingen elkaars blik, zonder woorden. Later botsten ze op een straathoek tegen elkaar op en herkenden ze elkaar. Sindsdien waren ze samen.”

“Mijn grootvader was protestants, mijn grootmoeder katholiek. In die tijd kon daar eigenlijk geen huwelijk uit voortkomen. Maar niemand kon ze tegenhouden. Mijn grootmoeder is zelfs onterfd vanwege haar keuze voor mijn grootvader.”

“Mijn grootvader was sinds zijn twaalfde doof. Hij hoorde niets en sprak weinig. Mijn grootmoeder deed het woord. Zij was een flamboyante verschijning, hij een goed geklede heer. Ze hielden van avontuur. Ze reden zo midden in de nacht naar Parijs om het hoogste punt van een sculptuur van een bevriende beeldhouwer te vieren. Net als de relatie van mijn ouders was die van hen heel symbiotisch; ze waren een twee-eenheid, heel krachtig. Ook in die zin een voorbeeld.”

U heeft uw vriendin in Leipzig leren kennen.

“Ze komt uit Uruguay en is een ­kunstenaar in de ware zin van het woord: compromisloos. Met haar ervaar ik de kracht zoals ik die zag bij mijn ouders en mijn grootouders. Dat is geweldig. Zij begrijpt dat ik elke avond ga slapen met een hoofd vol plannen en dat ik de zekerheid wil dat ik die de volgende morgen vorm kan geven in mijn eigen atelier. En dat is waar ik voor leef.”

null Beeld

Ivan Cremer

10 juni 1984, Amsterdam

1997-2003 Hervormd Lyceum Zuid
2004-2011 TU Delft
2011-2014 WORK Architecture Company, New York
2014-2018 Architectenbureau AECOM, Los Angeles
2015 Opent Atelier Cremer in LA
2018 Vestigt zich in Leipzig; werkt en exposeert in Italië, Duitsland en Nederland
2019/2021 Exposeert op Amsterdamse Sculptuur Biënnale ArtZuid
2021 Exposeert (t/m 14 november) in de Thomaskerk, ­gebouwd door zijn grootvader, architect Karel Lodewijk Sijmons

Ivan Cremer woont samen met kunstenares Silvina Rodriguez Amelotti (artiestennaam Selvanara). Ze wonen afwisselend in Amsterdam, Berlijn, Leipzig en Umbrië.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden