PlusAchtergrond

Kunst was een wit, westers bolwerk. Deze stichting bracht daar verandering in

Hedendaagse kunst was een wit, westers bolwerk toen de Thami Mnyele Foundation in 1990 Afrikaanse kunstenaars naar Amsterdam begon te halen. De jubilerende residency stond aan de wieg van internationale carrières. 

Being (T)here, Zanele MuholiBeeld Collectie Museum Arnhem

Toen Krishna Luchoomun (57) in 2001 naar Amsterdam kwam voor een verblijf bij de Thami Mnyele Foundation, had hij geen benul van hedendaagse kunst. “Ik heb gestudeerd in Rusland, waar het kunstonderwijs heel formeel en academisch is,” licht de kunstenaar uit Mauritius toe. “Gewoonlijk schilder ik in een realistische stijl, maar in ­Amsterdam ben ik gaan experimenteren met ongebruikelijke materialen, zoals telefoonboeken. Dat opende de weg naar andere residency’s en een compleet nieuwe manier van werken.”

Toen Victor Ekpuk (55) in 2007 werd uitgenodigd door de Thami Mnyele Foundation, had hij nog nooit een solo­tentoonstelling gehad. “Tot die tijd had ik zelfs niet de ­beschikking over een eigen atelier,” vertelt de Nigeriaan, wiens Amsterdamse verblijf werd gekleurd door kennismaking met het fenomeen Zwarte Piet. “Dat was aanleiding om in het Nederlandse slavernijverleden te duiken. Om te begrijpen hoe dat doorwerkt in een speels door­gegeven vorm van racisme.” De resulterende tekeningen toonde hij in Galerie 23. Niet veel later werd Ekpuks werk aangekocht door het Smithsonian Museum in ­Washington.

Werk van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar Simangaliso Sibiya, 2017.Beeld Pauline Burmann

Toen Simangaliso Sibiya (33) in 2017 voor de eerste keer in zijn leven een vliegtuig instapte om naar Amsterdam te reizen, was dat met een gezamenlijke uitnodiging van de Thami Mnyele Foundation en het Rijksmuseum op zak. Of de Zuid-Afrikaan zijn licht wilde laten schijnen over de tentoonstelling Goede Hoop – Zuid-Afrika en Nederland vanaf 1600. “Ik was best kritisch,” vertelt hij. “Waar is mijn verhaal? vroeg ik de curatoren. Die kwamen vervolgens in mijn atelier kijken naar de linoprint die ik als reactie had gemaakt en kochten het werk.” Sibiya werd daarmee de eerste levende Afrikaanse kunstenaar die is opgenomen in de collectie van het Rijksmuseum.

Een oud schoolgebouw

Sinds haar oprichting dertig jaar geleden heeft de Thami Mnyele Foundation 127 kunstenaars van het Afrikaanse continent naar Amsterdam gehaald voor een ‘residency’, een verblijf, van drie maanden. Drijvende kracht achter de stichting is Pauline Burmann (62), die vorige maand daarvoor werd onderscheiden met een lintje. Na kunstgeschiedenis aan de VU studeerde zij moderne Afrikaanse kunst in Londen, de enige plek waar dat toen kon. Bij terugkomst in Amsterdam raakte ze betrokken bij de antiapartheids­beweging en begon de stichting die vernoemd is naar de Zuid-Afrikaanse kunstenaar en ANC-activist Thami Mnyele, die in 1985 werd vermoord door het regeringsleger.

Performance van Bernard Akoi-Jackson uit Ghana op de Ten Katemarkt, 2014.Beeld Pauline Burmann

De gemeente stelde een oud schoolgebouw in West ter beschikking. Een kamer werd omgebouwd tot slaap- en woonkamer, een andere tot volledig geëquipeerd atelier. De exclusief Zuid-Afrikaanse focus werd al snel losgelaten en gasten begonnen te komen uit alle windstreken van het reusachtige continent. Uit haar bescheiden subsidie-­inkomsten betaalt de stichting vliegticket, visum en ­verblijfskosten.

Werk van Victor Ekpuk (Nigeria) uit 2007, later aangekocht door het Smithsonian Museum in Washington.Beeld Pauline Burmann

Burmann onthaalt de kunstenaars vaak zelf op Schiphol, liefst in gezelschap van een Nederlandse kunstenaar. “Een neurochirurg laat je ook het liefst ophalen door een collega. Afrikaanse kunstenaars zijn misschien auto­didact, maar daarom moet je ze nog niet ontvangen met je tante die toevallig aardig aquarelleert.”

Primitief, onbelangrijk en kopieën van westerse voorbeelden – Burmann heeft die vooroordelen over Afrikaanse hedendaagse kunst duizenden keren gehoord. Ze zijn hardnekkig en bezorgen residencydeelnemers soms een calimerocomplex. “Dan neem ik ze mee naar de Ten Katemarkt om de hoek van de residency en vertel ze: van elke sinaasappel die hier wordt verkocht, gaat tien cent naar Den Haag en is jouw verblijf hier betaald. Dan zie je ze ­opleven. Ze voelen zich welkom en lopen rond met op­geheven hoofd.”

Dat rondlopen, plekken ontdekken en mensen ontmoeten, is precies de kern van een verblijf bij Thami Mnyele. Andere residency’s verwachten doorgaans een tentoonstelling of nieuw werk als eindresultaat, hier ontbreekt zo’n eis. “Iemand kan zich niet als persoon en kunstenaar ontwikkelen als hij de hele dag opgesloten zit in zijn atelier. De uitwisseling is essentieel,” vindt Burmann. “Ik ­organiseer geregeld safari’s per auto: eerst een rondje over de grachten, dan de Flevopolder in en eindigen in Marken met haring en een frietje. We hadden eens iemand uit ­Soedan, die uit een oorlogssituatie kwam en na vier uur ’s middags niet meer naar buiten durfde. Buurtgenoten hebben hem leren fietsen. Drie weken later kwam hij ’s nachts al bellend langs, helemaal bevrijd.”

Pizza en pils

Een veredelde vakantie is een residency zeker niet. De ­geselecteerde kunstenaars zijn erop gebrand het maximale uit hun verblijf te persen en worden daarbij geholpen door de stichting. Er worden afspraken gemaakt met ­Nederlandse museumdirecteuren, critici, curatoren, universiteitsdocenten en kunstenaars voor rondleidingen, gesprekken en studiobezoek. “En we organiseren etentjes: pizza en pils, want het moet wel goedkoop natuurlijk. Daar komen tentoonstellingen en langdurige vriendschappen uit voort. Van de pizzadozen worden weer kunstwerken gemaakt.”

Dankzij de Thami Mnyele Foundation ontwikkelde het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam een postkoloniaal programma, wisten de Rijksakademie en De Ateliers Afrikaans talent te vinden en bezochten latere topcuratoren als Okwui Enwezor en Salah Hassan Amsterdam toen niemand hen nog kende. Toch had de stichting in de begin­jaren moeite de interesse van het professionele veld te wekken. Niet zo vreemd als je bedenkt dat pas een jaar voor de oprichting de eerste grote, Europese tentoonstelling met niet-westerse hedendaagse kunst plaatsvond: Magiciens de la terre in Centre Pompidou. Daarna zag je langzaam meer Afrikaanse kunstenaars op internationale exposities. “In Nederland vond de omslag pas plaats met de komst van internet. En Snap Judgments, de Afrikaanse fotografietentoonstelling in het Stedelijk in 2008, was voor veel mensen een eyeopener.”

Werk van Krishna Luchoomun uit Mauritius op de Biënnale van Venetië, 2015.Beeld Pauline Burmann

Mirjam Westen, conservator van Museum Arnhem, was er veel vroeger bij. Zij maakte tentoonstellingen met ­Thami Mnyele-alumni als Meschac Gaba, Dineo Seshee Bopape en Zanele Muholi, voordat die uitgroeide tot internationale superster. “Ik heb zelf geen geld en tijd om Afrika door te reizen, dus de residency is een uitkomst,” zegt zij. “Je kunt kunstenaars ontmoeten en over werk praten. Dat is veel beter dan plaatjes bekijken in catalogi of beurzen aflopen. Thami Mnyele functioneert wat dat betreft echt als een bruggenhoofd voor Afrikaanse kunst.”

Het valt Westen desondanks op hoe traag die kunst doorsijpelt naar musea en andere instellingen. “Er heerst een geborneerdheid: alsof er geen interessante kunst komt uit Afrika. Het is vaak een kwestie van ongeïnformeerd zijn. De westerse kunstwereld is erg op zichzelf gericht.”

Het hoogste kunstpodium

De plannen om het 30-jarig jubileum van de Thami Mnyele Foundation te vieren zijn door de coronacrisis flink door de war getrapt. De voor nu geplande tentoonstelling in CBK Zuidoost is naar eind 2020 verplaatst, plannen voor projecten met het Stedelijk, het Rijks en andere ­musea zijn even in de koelkast gezet. Dat is jammer, want ze zouden eens goed zichtbaar kunnen maken hoe groot de impact is van deze kleine, volledig op vrijwilligers draaiende organisatie.

Waar die impact heel duidelijk is, is op Mauritius. Hier zette Krishna Luchoomun na terugkeer uit Amsterdam een eigen residency op: pARTage. “Naar model van Thami Mnyele,” vertelt hij. “We richten ons op uitwisseling tussen kunstenaars van het eiland en uit de rest van Afrika en de wereld. Dat is hard nodig, want cultureel gezien is ­Mauritius een woestenij. We hebben geen nationaal museum en tot voor kort zelfs geen kunstacademie.”

Luchoomun liet het daar niet bij. Door zijn inzet deed Mauritius in 2015 voor het eerst met een landenpaviljoen mee aan de Biënnale van Venetië. Onder de exposanten het duo Bik Van der Pol, een contact overgehouden aan zijn Amsterdamse periode. Het Afrikaanse land, waar kunstenaars gewoonlijk prullen maken voor de toeristenindustrie, speelde zo plotsklaps mee op ’s werelds hoogste kunstpodium. “Ik was zo onder de indruk van wat ik had gezien in Amsterdam: de musea, de galeries, de dynamiek van de kunstscene. En ik dacht: waarom zouden wij dat niet ook kunnen hebben?”

Werk van Bik Van der Pol in het Mauritiuspaviljoen in Venetië, 2015.Beeld Pauline Burmann
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden