PlusReportage

Knaldrang komt in vele vormen – toen de nacht op slot ging, openden deze horecajongens een eigen sportschool

Kickbokstrainer en mede-eigenaar Paul Lamoth (rechts): ‘Het heeft altijd in m’n hoofd gezeten, een eigen sportschool.’ Beeld Sophie Saddington
Kickbokstrainer en mede-eigenaar Paul Lamoth (rechts): ‘Het heeft altijd in m’n hoofd gezeten, een eigen sportschool.’Beeld Sophie Saddington

Omdat de horecajongens achter Gym Royale hun knaldrang kwijt moesten toen het nachtleven op slot ging, begonnen ze in Noord hun eigen sportschool. ‘Ik kan wel zeggen: ik ben hier trotser op dan op al onze 21 horecazaken bij elkaar.’

Kees van Unen

Hell yeah, klinkt het eensgezind. Aan een lange tafel zitten ze met z’n achten, de mannen achter sportschool Gym Royale. Ze kregen de vraag of het een beetje samengaat: het nachtleven en sporten. Nou, hell yeah dus.

Eind vorig jaar openden ze hier, op de ­Klaprozenweg in Amsterdam-Noord, hun eigen sportschool. Een droom die uitkwam, voor de meesten van het stel, dat bestaat uit een mix van horeca-ondernemers en sportmensen. Wat ze bindt is dat het Amsterdammers zijn, maar vooral dat ze hun knaldrang kwijt moesten toen het nachtleven op slot ging.

Want knaldrang komt in vele vormen. Tuurlijk, hoe het bekend staat: als de drift om de bloemetjes buiten te zetten, het leven te vieren, de nachtvlinder in onszelf te laten fladderen. Maar dan is er nog die andere vorm, de sportieve vorm. Acht vaasjes wegtikken aan een bar levert best wat geluksstofjes op, maar dat doet een uur zaktraining ook.

Wisten ze al, ook de horecajongens, die eveneens achter de bekende Cannibale Royale-restaurants zitten – dan snapt u meteen de naam. Dat zijn Thomas Anderiesen (36), Gavan Goossen (40), Kees Banen (30), Koen van der Harst (32) en tweelingbroers Matan en Tamir Schabracq (44). Ze combineerden hun bestaan als horeca-ondernemers al langer met sport en met het personeel uit hun zaken – dat zijn er nogal wat, komen we zo op – gingen ze al geregeld sporten. Goed voor het teamgevoel, maar leuk vooral, en gezond.

Maar toen de nacht op slot ging, besloten ze: nu is het de tijd voor een eigen sportschool. Geen zin om te wachten op subsidies en steunpakketten, maar dóór: ook een soort knaldrang eigenlijk. Het soort dat 21 zaken oplevert. En dat gaat altijd met vrienden.

Matan: “Een hoop ondernemers werken zo: hij kan dit, ik kan dat – nou, daar gaan we. Wij kijken meer zo van: is het een toffe gozer? Kan hij wat? Wil hij wat? Mooi. Zo doen wij zaken. Met vrienden dus, in de eerste plaats. Zo is het begonnen en zo zijn we het altijd blijven doen.”

En het moet gezegd: inmiddels hebben ze aardig hun stempel op de stad gedrukt. Een greep uit hun 21 zaken: Hannekes Boom, Meneer Nieges, Disco Dolly, Cannibale Royale. Zelf zijn ze daarbij iets meer op de achtergrond gaan werken. Het papierwerk, de vergunningen en het ­contact met de leveranciers – zulke ­dingen.

Marc Udo (links), die functionele training geeft bij Gym Royale, en mede-eigenaar Koen van der Harst. Beeld Lin Woldendorp
Marc Udo (links), die functionele training geeft bij Gym Royale, en mede-eigenaar Koen van der Harst.Beeld Lin Woldendorp

Mediageil

Maar voor de stempel die ze op de stad hebben gedrukt, zijn ze verrassend onbekend gebleven. Matan: “Je kon zeker weinig vinden toen je ons ging googelen? Doen we bewust. Het gaat niet om ons, maar om onze zaken. We hoeven niet zo nodig in de krant, zijn niet zo mediageil.”

Ah, zul je net de fotograaf hebben. ­Bulderlach aan tafel: “Nou ja,” zegt Matan, “dit is anders. Dit is onze sportschool, man. Dat willen we wel even laten zien. Ik kan wel zeggen: ik ben hier trotser op dan op al onze horecazaken bij elkaar.”

Om het te laten werken kwamen ze dus tot een mix van sportmensen en horecamensen, waarbij meteen gezegd moet ­w­orden dat het een het ander niet uitsluit. Marc Udo (38), die functional training geeft bij Gym Royale: “Sporten en het nachtleven kunnen allebei gaan over de drang om uitersten op te zoeken. Als personal trainer kreeg ik het weleens te horen als ik om vier uur in de club stond: dat mag jij toch niet? Volgens mij wel; het gaat om de balans. Als je het ene vol overgave doet, kan het andere ook.”

Daar is hij zelf het levende bewijs van. Gevraagd naar het sportdoel aan tafel is men het erover eens: we willen eigenlijk allemaal op Marc lijken straks.

Tamir ­Schabracq. Beeld Lin Woldendorp
Tamir ­Schabracq.Beeld Lin Woldendorp

En iedereen is trots dat Paul Lamoth (56) bij het team zit; een kickbokstrainer met meer dan 35 jaar ervaring en nu voor het eerst sportschooleigenaar. Lamoth: “Het heeft altijd in m’n hoofd gezeten, een eigen sportschool. Maar tot deze kans ben ik altijd freelance trainer geweest, vooral omdat ik weet van mezelf wat ik wel en niet kan. Training geven, daar ben ik goed in. Al die regeltoestanden eromheen: absoluut niet. Ik wist dus dat als ik ooit een eigen sportschool wilde, het met een partner moest die dat wél allemaal kan. Nou, dan heb je aan deze jongens een goeie.”

Matan: “Je ziet bij sportscholen eigenlijk een beetje hetzelfde als wat in de horeca gebeurt. Ketens, overal ketens. Op elke straathoek een Joe & The Juice of een Subway. Nou, en wat sportscholen betreft: tel ze maar eens, de Basic Fits en TrainMores. Zo worden de kleintjes natuurlijk opgevreten. Wij zijn een Amsterdamse sportschool. Deze tafel is net zo belangrijk als de bokszakken verderop. Na het trainen gebeurt het hier, met koffie, krantje erbij. Soms stoere verhalen en ouwe-jongenskrentenbrood, maar er is plek voor iedereen. Net zoals in onze zaken eigenlijk: lage drempel, iedereen welkom.”

Drie sporticonen

Tamir: “Als je de doelgroep van je eigen zaak bent, gaat alles vanzelf. Dan hoef je er alleen maar een plek van te maken waar je zelf zou willen komen. En dan hoef je dus niet met marketingbureaus en onderzoekjes te gaan werken. Zo doen we het niet.”

Matan: “Zo hebben we het nooit gedaan. Maar hé, nu gaat het weer over die horecajongens die een sportschool zijn begonnen, alsof iedereen hier altijd een kater heeft. Terwijl het sportgedeelte ­serieus is, hoor. We hebben niet voor niks drie sporticonen onder ons.”

Raoul Hiwat, die Braziliaans jiujitsu naar Noord brengt.  Beeld Lin Woldendorp
Raoul Hiwat, die Braziliaans jiujitsu naar Noord brengt.Beeld Lin Woldendorp

Oké, Udo en Lamoth hadden we al. Maar dan is er nog Raoul Hiwat, die Braziliaans jiujitsu naar Noord brengt. De minst bekende sport in het aanbod misschien, maar – daarover zijn ze het wel eens aan tafel – ook de meest verslavende. Inmiddels is het de snelst groeiende vechtsport van de wereld. Hiwat kwam er twintig jaar geleden al mee in aanraking. “Braziliaans jiujitsu werd bekend door het UFC; kooivechten. Die associatie heeft het ook nog steeds, maar het is veel meer dan dat. Je zou kunnen zeggen dat het lijkt op judo, maar judo stopt als je op de grond ligt en dan gaan wij juist door. Worstelen met een judopak aan – zoiets. Dat is intens. En voor de meeste mensen is de drempel wel hoog om eraan te beginnen. Daarom werkt het zo goed dat je het hier kan zien gebeuren, terwijl je misschien een kickboksles doet. Je ziet het, je denkt: toch eens proberen, en voor je het weet ben je verslaafd.”

Zes keer aftikken

Dat overkwam Matan, toen hij een paar jaar geleden eens meeging naar een lesje. “Ik woog toen honderd kilo, was echt sterk en kwam daar binnen met m’n ego erbij op m’n rug. Komt er een gastje van 65 kilo maar me toe. Wat kom je doen, dacht ik nog. Nou, ik kon vier, vijf, zes keer achter aftikken op de mat, hoor, ik had geen schijn van kans. Dat wilde ik niet nog een keer laten gebeuren – toch weer dat ego, hè – dus ik ben privélessen gaan volgen bij Raoul. Verslávend. Ik kijk ’s nachts in bed nog steeds YouTubefilmpjes met instructies. Als hij dit doet, pak ik hem daar, dan pakt hij me zo.”

Tamir: “Maar kan je het nou al een ­beetje?”

Matan: “Neee, hahaha.”

Matan ­Schabracq en medewerker Jima ­Claassen (op de mat), compagnon van café-restaurant Hannekes Boom. Beeld Lin Woldendorp
Matan ­Schabracq en medewerker Jima ­Claassen (op de mat), compagnon van café-restaurant Hannekes Boom.Beeld Lin Woldendorp

Hiwat: “Het is in de eerste plaats een gevoelssport. Je bent heel erg met elkaar bezig, raakt elkaar steeds aan. Maar eigenlijk is het ook een soort levend ­schaken. Je hebt een set aan technieken – dat zijn dan je stukken – en die zet je in. Eerst train je die apart, dat is puur technisch. Dan ga je stoeien. En als het je lukt om zo’n getrainde techniek goed te passen: ja, dán klikt het, dat is het wow-moment en dan raak je verslaafd.”

Lamoth: “Het is een soort intelligente manier van stoeien. Je kunt merken dat er echt goed over is nagedacht, met een klemmetje hier, een worp daar. Een slímme sport. Dat kan kickboksen ook zijn, maar bij Braziliaans jiujitsu staat dat aspect echt centraal.”

Matan: “Leuke wereld is het ook, heel relaxed, Braziliaans. Een beetje een surf­vibe. Als ik op reis ga, zoek ik vaak een sportschool op waar ze aan Braziliaans jiujitsu doen. Dan zeg ik: hé, ik ben Matan, ik kom uit Amsterdam. En dan ben ik altijd meteen welkom.”

Gewoon normaal doen

Over welkom gesproken: de ingebakken gastvrijheid is een groot onderdeel van Gym Royale. Dat is die horeca-ervaring wellicht, en best een toevoeging aan een plek als een sportschool. Niet alleen omdat de koffie goed is, maar ook vanwege de sfeer die daardoor wordt neergezet. ­Veilig, comfortabel – toch niet altijd een vanzelfsprekendheid. Hoe je dat doet?

Tamir: “Om te beginnen: gewoon ­normaal doen. Gastvrij. Ik weet nog hoe anders dat was in de Amsterdamse kickbokswereld in de jaren negentig. Dan had je een paar grote sportscholen waar het heftig was binnen te stappen. Het ­eerste half jaar dat je kwam trainen, zei ­niemand je gedag. Stoere machobedoening. Pas als je door de ballotage kwam, vroeg misschien iemand een keer: hé, hoe heet jij eigenlijk?”

Niet wat Gym Royale is, maar toch ook wel romantisch hoor, die tijd. Gruizige, slecht verlichte hallen. Penoze. Spierballenwereldje. Lamoth kent het maar al te goed. Als Amsterdamse kickbokser was hij de eerste lichting die in 1988 wedstrijden in Japan vocht.

Lamoth: “Maar met wedstrijden kickboksen ben ik toch snel gestopt. Misschien iets te snel, maar het was toen allemaal nog voor een appel en een ei en ik moest wel de huur betalen. Toen ben ik gaan ­trainen en coachen. Ja, ook wel op hoog niveau.”

Trainer Marc Udo. Beeld Lin Woldendorp
Trainer Marc Udo.Beeld Lin Woldendorp

Tamir: “Drop nou eens een naam, Paul.”

Lamoth: “Nou ja, wel wedstrijdjongens, hè.”

Nou, zelf noemt hij ze niet, maar als het je wat zegt dan zegt het je wat: Andy Souwer, Remy Bonjasky, Henry Cejudo, Germaine de Randamie, Melvin Manhoef en Hesdy Gerges. Kortom: grote jongens. Maar net zo leuk vindt hij het nu om beginners te trainen. Het is anders, zegt hij, maar er zijn nu eenmaal veel manieren om sport leuk te maken. “En daarvoor is het heel belangrijk dat we hier een lage drempel hebben.”

Udo: “Ik denk dat we onszelf niet alleen als trainers zien, maar ook een beetje als gastheren. Dat is die horeca-ervaring. En de bedoeling is echt om een mix binnen te krijgen. Mijn droom is: ook de kinderen hier uit de buurt. De groep voor wie het misschien geen vanzelfsprekendheid is dat ze georganiseerd aan sport doen; als je die erbij kunt halen, voeg je echt iets toe.”

Tegen de kater

Een mix dus, dat is de bedoeling. Jong, oud, beetje Noord, vleugje Zuid. Onder het klantenbestand bevindt zich in ieder geval al het personeel van de 21 horecazaken die ook bestierd worden. Als ze ­willen dan.

Matan: “Voor sommigen werkt dat heel goed, juist nu. Normaal gesproken zien ze elkaar vier avonden en nachten in de week. Nazit, gezellig. Maar nu dat er niet is, moeten ze iets anders. Ik merk wat een energie het geeft als ze dan met elkaar gaan trainen. Gister nog: een clubje van Cannibale Royal, met zes man kickboksen en daarna hier aan tafel.”

Tamir: “Het voegt ook iets toe, elkaar in een andere setting te zien. Glaasjes aan de bar hebben we genoeg met elkaar gedaan, maar dit is iets anders.”

Matan: “Het leukst is de combinatie. In de nacht keihard werken en het er de volgende ochtend uitzweten met elkaar. Echt, er worden hier straks dagelijks katers uitgeramd. Ah shit, dat wordt zeker de kop boven het verhaal?”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden