Culinaire trend

Kintsugi: gebroken servies aan elkaar plakken met gouden lak

Wekelijks voert culinair journalist Mara Grimm ons langs noviteiten en trends. Deze week: kintsugi.

Kintsugi.

Trends komen en gaan. Althans: dat is de bedoeling. Sommige zijn zo hardnekkig dat ze met geen man en macht zijn uit te roeien, waardoor de liefde op den duur omslaat in haat. Ik heb dat met Scandinavisch servies. Het begon zo mooi, al die matte, grijsgroene bordjes in restaurants. Totdat iederéén ze opeens had. Van toprestaurant tot eetcafé en van Hema tot Huishoudbeurs (oké, dat laatste is een gokje want ik ben nog nooit op de Huishoudbeurs geweest maar you catch my drift): er was geen ontkomen meer aan.

Die bordjes danken we aan de Nordic designtrend die een jaar of vijftien geleden aan een opmars begon, inclusief betonnen vloeren, leren schorten en stoelen met schapenvachten. Allemaal puur en prachtig natuurlijk, maar inmiddels toch vooral het ultieme bewijs van gebrek aan originaliteit. Dat de Scandinavische trend al dik twee jaar over zijn hoogtepunt heen is, lijken ze in de horeca volstrekt te negeren. Dus eten we avond aan avond van dezelfde bordjes. Reden? Ze zijn extreem fotogeniek. Omdat ze mat zijn, heb je bij het fotograferen geen last van reflectie. Dat is in dit socialemediatijdperk nou eenmaal van levensbelang; daar kan ik verder ook niets aan doen.

Gelukkig is er eindelijk een nieuwe serviestrend in zicht: kintsugi. Bij deze eeuwenoude Japanse reparatietechniek wordt gebroken servies niet weggegooid maar aan elkaar geplakt met een gouden lak. De lijmranden zijn daardoor extra zichtbaar en dat is precies de bedoeling, want daardoor wordt de imperfectie niet alleen benadrukt, maar zelfs op een voetstuk gezet. ­Volgens de Japanse schoonheidsleer dragen dat soort sporen van breuk namelijk bij aan de schoonheid. ­Vergelijk het maar met mensen: een goeie kop met ­rimpels is stukken interessanter dan een volledig strakgetrokken oma.

Enfin. Kintsugi is allesbehalve nieuw. Wél nieuw is dat steeds meer hippe keramisten ermee werken, zoals de onovertroffen Canadese Janaki Larsen. Zij experimenteerde zelfs met knalroze in plaats van gouden lijm, met zo’n oogverblindend resultaat dat het al maanden op mijn verlanglijst staat. Of Studio Racines in Parijs, die ook het servies maakt voor het gloednieuwe Hotel HOY in Pigalle, waar vorige week tijdens de modeweek zo’n beetje de halve modewereld zat. Maar ook thuis kun je gewoon aan de slag met je gebroken servies: kintsugikits kun je namelijk op steeds meer websites bestellen.

De reden voor deze opmars mag duidelijk zijn. We leven in een tijd dat wordt gedweept met imperfecties (kijk maar naar alle #nomake-upfoto’s op Instagram). Daarnaast willen we duurzamer eten en geloven we meer in circulariteit; we gaan bewuster met onze spullen om en gooien steeds minder weg. Kijk maar naar de modewereld: steeds meer ontwerpers upcycelen oude collecties. En de vintagevondsten hebben opeens veel meer status dan de zoveelste nieuwe tas. Zo bezien past kintsugi perfect in de tijdgeest. Bovendien is zo’n met goud gelijmd bordje onvoorstelbaar mooi. Een beter excuus om je Scandinavische servies vandaag nog kapot te gooien, kan ik niet bedenken. 

Mara Grimm (1979) is culinair journalist en food trendwatcher. Elke woensdag schrijft ze een column over de laatste culinaire trends. Klik hier om haar andere columns te lezen. 

Mara Grimm.Beeld Imke Panhuijzen
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden