PlusAchtergrond

Keti Koti al 20 jaar in het Oosterpark in Amsterdam: ‘De slavernij is afgeschaft, het verleden niet’

De nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij maakt het koloniale verleden al twintig jaar zichtbaar. Toch scheelde het weinig of het monument in het Oosterpark was er nooit gekomen.

Patrick Meershoek
Belangstellenden bij de landelijke herdenking van het slavernijverleden in het Oosterpark, vorig jaar. Beeld ANP
Belangstellenden bij de landelijke herdenking van het slavernijverleden in het Oosterpark, vorig jaar.Beeld ANP

Utrecht, Rotterdam, Den Haag, Leeuwarden, Arnhem: op steeds meer plaatsen in het land wordt op 1 juli aandacht besteed aan Keti Koti, het verbreken van de ketenen. In navolging van de nationale herdenking in het Oosterpark wordt het in steeds meer steden belangrijk gevonden om stil te staan bij het slavernijverleden en het lot van de tot slaaf gemaakten in de Nederlandse koloniën in Suriname en het Caribisch gebied. “Het leeft omdat de behoefte groot is om aandacht te schenken aan deze zwarte bladzijde,” zegt Urwin Vyent, directeur van het Ninsee, dat de nationale herdenking organiseert. “De slavernij is afgeschaft, het verleden is dat niet.”

Het Ninsee, voluit het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis, werd twintig jaar geleden opgericht, tegelijk met de komst van het monument van de Surinaamse beeldend kunstenaar Erwin de Vries, dat sinds de eerste editie van 2002 het middelpunt is van de herdenking. “Van meet af aan was duidelijk dat het niet alleen bij een monument kon blijven,” vertelt emeritus hoogleraar Caribische Geschiedenis Alex van Stipriaan. “Het monument was statisch, het instituut moest dynamisch worden door bij voorbeeld onderzoek te doen naar het slavernijverleden en die kennis te verbreiden.”

Keti Koti op 1 juli in Oosterpark: zo kwam het tot stand

Van Stipriaan was vanaf de eeuwwisseling nauw betrokken bij de voorbereidingen van de komst van het nationaal monument. “Halverwege de jaren negentig ging het balletje rollen. De Surinaamse vrouwenvereniging Sophiedela uit Den Haag had de aanzet gegeven door een petitie te overhandigen in de Tweede Kamer. Tegelijk verscheen een open brief van schrijver Frank Martinus Arion in de krant. Dat trok de aandacht van de politiek, in een tijd dat het nog volstrekt normaal was om geen aandacht te schenken aan het slavernijverleden. In dat opzicht is er enorm veel veranderd in twintig jaar tijd.”

Van Stipriaan had zich op verzoek als adviseur aangesloten bij het Landelijk Platform Slavernijverleden, een verzameling van een vijftiental Surinaamse en Antilliaanse verenigingen, clubs en actiegroepen die zich sterk maakten voor de komst van een nationaal monument. Drijvende kracht achter het platform was Barryl Biekman, een Haagse ambtenaar met politieke ervaring en een indrukwekkende dosis strijdlust. Van Stipriaan: “Er was natuurlijk eerder om aandacht gevraagd voor het slavernijverleden. Die pogingen leverden nooit veel op, omdat de mensen niet wisten door te dringen tot de politiek. Barryl was enorm gedreven en kende de weg.”

Het LPS vond een luisterend oor in Den Haag, met name bij minister Roger van Boxtel van D66 en staatssecretaris Rick van der Ploeg van de PvdA. Zij maakten zich binnen het paarse kabinet sterk voor de komst van een nationaal monument en een herdenking. Dat gebeurde wel op zijn Haags: men had toch wat moeite met het radicale en activistische geluid van het platform en daarom werd een groep van ambassadeurs in het leven geroepen, onder wie schrijver Adriaan van Dis, historicus Gert Oostindie, en de Antilliaanse vertegenwoordiger in de Raad van State Gilbert Wawoe. Keurige mensen die de taal van de bestuurders en de ambtenaren spraken en niet met de vuist op tafel sloegen.

Monument in het Oosterpark

Het jawoord van het kabinet leidde tot nieuwe vragen. Wie mag het monument maken en waar komt het te staan? Voor het kunstwerk werd een prijsvraag uitgeschreven. Uit acht inzendingen werd de beeldengroep van Erwin de Vries gekozen. “Het was duidelijk dat het beeld van een zwarte kunstenaar moest zijn,” herinnert Van Stipriaan zich. “En het moest herkenbaar zijn voor de nazaten. Er waren ook enkele abstracte ontwerpen van gerenommeerde kunstenaars aangeleverd, maar die stuitten toch op bezwaar. Het beeld van Erwin de Vries vertelde in één oogopslag het hele verhaal van onderdrukking, bevrijding en kracht.”

En dan was er nog de plek. Er werd nog even naar Den Haag gekeken, maar al snel werd vastgesteld dat het monument in Amsterdam moest komen, immers ook de koloniale hoofdstad van het land. Er kwam een lijst met potentiële locaties, waaronder de Dam, het West-Indisch Huis, het Oosterpark en het Stenen Hoofd aan het IJ. “We hebben nog een busreis gemaakt langs alle plekken,” vertelt Van Stipriaan. “Er was een groep die zich sterk maakte voor het monument in Zuidoost als hoofdstad van zwart Nederland. Anderen vonden een centrale plek in de stad belangrijk. Zo is uiteindelijk de keuze op het Oosterpark gevallen.”

Pim Fortuyn

Op 1 juli 2002 was het dan zover. In aanwezigheid van koningin Beatrix vond de eerste nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij plaats. Wel onder totaal andere omstandigheden dan een jaar eerder was voorzien. Twee maanden voor de onthulling van het monument was op het Mediapark in Hilversum Pim Fortuyn vermoord. De stress die dat in het hele land veroorzaakte, had ook zijn weerslag op de herdenking. Het monument was afgezet met hekken en afgeschermd met zwart landbouwplastic, met als gevolg dat er een kleine groep van genodigden was die de plechtigheid kon bijwonen en een woedende menigte aan de andere kant van het hek.

Het was op alle denkbare manieren fout, zegt Van Stipriaan. “De mensen binnen de hekken waren voornamelijk bobo’s, mensen die we nog nooit op een vergadering hadden gezien. Dat vond ik heel pijnlijk. De emoties liepen terecht hoog op. Er was ook heel veel politie op de been. Dat zorgde voor extra spanning.” Wat ook niet meehielp, was het gegeven dat het Oosterpark is aangelegd op de voormalige Oosterbegraafplaats. “Dat gaf ook gedoe binnen de Surinaamse en Antilliaanse gemeenschap. Het monument is ook bewust in de hoek geplaatst waarvan met zekerheid kon worden gezegd dat daar geen doden waren begraven.”

De moord op Fortuyn zorgde ook voor een politieke omwenteling in het land. De paarse politiek van het rustige midden maakte plaats voor een centrum-rechts kabinet. Een voorstel voor een nationaal monument om het slavernijverleden te herdenken had het in dat politieke klimaat nooit gehaald. Van Stipriaan: “Achteraf mogen we vaststellen dat er een heel kort momentum is geweest om het politiek voor elkaar te krijgen. Die kans is gepakt.”

De nieuwe politieke wind maakte wel dat de subsidie uit Den Haag voor het Ninsee steeds verder werd teruggeschroefd en in 2012 zelfs gestopt. Van Stipriaan: “De steun van Amsterdam heeft het instituut gered.”

Slavernijmuseum

Twintig jaar later waait er wéér een andere wind. In het kielzog van Black Lives Matter is de aandacht voor het koloniaal verleden momenteel overweldigend. Steden, banken en verzekeraars doen aan zelfonderzoek en brengen boeken uit over het eigen aandeel in slavenhandel en slavernij. Namens de stad Amsterdam bood burgemeester Femke Halsema vorig jaar in het Oosterpark excuses aan, een voorbeeld dat werd gevolgd door de collega’s in Rotterdam en Utrecht. De verwachting is dat het kabinet 2023, het jubileumjaar voor de feitelijke afschaffing van de slavernij, in 1873, zal aangrijpen om ook landelijk ­excuses te maken. Het kabinet stelde ook geld beschikbaar voor een nationaal slavernijmuseum.

Er zijn nog steeds kritische geluiden te horen, bij voorbeeld van Barryl Biekman, de vrouw die de steen aan het rollen kreeg. Zij noemt de herdenking een Amsterdamse aangelegenheid en verwijt het Ninsee dat er te weinig aan de weg wordt getimmerd. “Er is geen reden tot halleluja. Ik ben eerder verdrietig en boos. Het jubileum is een belangrijk moment, en ik hoor of lees er niets over.” Alex van Stipriaan telt zijn zegeningen. “Met de herdenking staat het slavernijverleden volop in de belangstelling. Keti Koti wordt tegenwoordig rechtstreeks uitgezonden op de landelijke televisie. Die aandacht, dat was de bedoeling van het monument.”

Koning Beatrix in 2002 bij de onthulling van het slavernijmonument in het Oosterpark. Het ‘gewone' publiek moest achter hekken blijven, tot ongenoegen van velen. Beeld ANP /  Capital Photos
Koning Beatrix in 2002 bij de onthulling van het slavernijmonument in het Oosterpark. Het ‘gewone' publiek moest achter hekken blijven, tot ongenoegen van velen.Beeld ANP / Capital Photos

1 juli: Nationale Herdenking, Bigi Spikri en Keti Koti Festival

De Nationale Herdenking Nederlands Slavernijverleden wordt gehouden op 1 juli in het Oosterpark en duurt van 13.15 tot 14.30 uur. Herdacht wordt dat Nederland op 1 juli 1863 bij wet de slavernij heeft afgeschaft in Suriname en het Caribisch deel van het koninkrijk. De herdenking wordt rechtstreeks uitgezonden op radio en televisie. Er is dit jaar speciale aandacht voor het 20-jarige bestaan van het monument en het instituut Ninsee.

Voorafgaand aan de herdenking vindt de Bigi Spikri plaats, een kleurrijke optocht in traditionele kledij van het Waterlooplein naar het Oosterpark. Om 15 uur start het Keti Koti Festival met verhalen, lezingen, spoken word, dans en heel veel traditionele en moderne muziek. Onder meer van Ronald Snijders, de winnaar van de Boy Edgar Prijs, die in het Oosterpark optreedt met de Jazzorchestra of the Concertgebouw. Voor het hele programma: ketikotiamsterdam.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden