PlusAchtergrond

Kerstverhaal: Mettes verlangen naar sneeuw

De slappe Hollandse winters herinneren de Noorse Mette aan het naderende einde van de wereld, en van haarzelf. Een kerstverhaal van schrijver Viktor Frölke.

Beeld Ted Struwer

Geluidloos zat Mette op de bank te huilen, halfnaakt in haar opengevallen bloemetjesbadjas, haar havermelkwitte onderarmen open en gekruist in haar schoot. Met de muis van haar hand depte ze de tranen op haar wang. “Soppertje,” zei ze, “ik weet niet of ik nog een winter zonder sneeuw kan.”

“We krijgen wel sneeuw,” zei ik, “maar de vraag is ­hoelang hij blijft liggen.”

Troosten had weinig zin, deze huilbui moest worden uitgezeten. Elke poging van mijn kant om haar verdriet te temperen zou worden uitgelegd als een bagatellisering van het leed, maar als ik niets deed of zei, was het ook niet goed. Dus besloot ik muziek op te zetten. Haar eigen ­muziek. Mette had een paar cd’s gemaakt en zong heel ­indringend in het Noors over, nou ja, waarover wist ik niet precies. Ze was ooit vergeleken met Cat Power, maar goed, ze zong in het Noors. Eindelijk deed ze haar ogen dicht. Het leek wel alsof ze eerst moest zwelgen in haar droefenis, de droefenis helemaal moest uitwonen, voordat ze zichzelf toestond er weer uit te klimmen.

*

Dit jaar durfde ik voorzichtig te opperen om een therapeut te zoeken. Er was alleen een probleem: de oorzaak van haar lijden liet zich niet zo gemakkelijk wegnemen. “Die natte, verlengde herfst van jullie maakt me somber,” had ze gezegd. “Zulke slappe winters herinneren me aan het einde van de wereld, en van mezelf.”

Is dat niet wat overdreven? dacht ik, maar ik zei: “Als je wilt, kunnen we in de sauna onder de sneeuwdouche.”

Met haar vlakke hand gaf ze me een klap in mijn gezicht. Er was niets grappigs aan klimaatverandering, en toen ik er wat langer over nadacht, moest ik haar gelijk geven.

Sneeuw was religie voor Mette, hemelse troost. Vlokken gemaakt van volmaakte kristallen die elk menselijk vuil zou doen vergeten, alle narigheid, alle leugenachtigheid zou toedekken, die de aarde zou inpakken – dat was het mooiste verschijnsel dat er in haar ogen bestond. En de geur ook, de ijzerachtige geur van sneeuw…

Dat mensen op dit sacrale kleed snowboardden, skieden, langlauften en wat ze verder nog hadden bedacht om naar beneden te roetsjen, was een gotspe. Als kind in Noorwegen roetsjte ze vrolijk mee met haar ouders, ze was op haar twaalfde geloof ik zelfs jeugdkampioen telemark, maar toen iemand haar wees op een documentaire over de landschap vernietigende wintersportindustrie, over ontbossing voor de aanleg van vakantiedorpen, over de stikstof brakende betonstort en de energie slurpende infrastructuur, wilde ze er niets meer mee te maken hebben.

Als tiener ging ze op de piste rond met strooibiljetten: ‘Wintersport is waanzin. Ga wandelen.’ Haar protest werd allengs grimmiger: ze maakte liften onklaar en gooide ­ruiten van winkels in om de laatste skimode met verf te ­bespuiten. Het culmineerde in haar laatste actie, vier jaar geleden, die tevens haar gevaarlijkste was, en die haar had genoopt het land te verlaten. Met de hulp van Turid, haar scheikundig onderlegde vriendin uit de A3-scene (Anarchists Against Apathy), had ze een bom tot ontploffing ­gebracht in het kantoor van WorldSki, de grootste exploitant van wintersportgebieden in Scandinavië. Niemand raakte gewond, maar de schade was aanzienlijk.

Als vrijwilliger gaf ik Nederlands aan nieuwkomers en Mette zat in mijn klasje. Ze was niet alleen de blondste, maar ook de slimste. In drie maanden tijd sprak ze vloeiend Nederlands, en in zes maanden was haar woordenschat groter dan die van de gemiddelde televisiekijker. In recordtempo slaagde ze voor haar inburgeringsexamen en lag ik bij haar in bed in een container in Zuidoost naar haar melancholische songs te luisteren.

**

Het lust bevorderende litteken op haar neusvleugel en de vuurrode jassen die ze ook binnenshuis droeg, leidden af van Mettes somberheid. Toen ik over therapie begon, stribbelde ze tegen (“Ga zelf in therapie, soppertje!”), maar nadat Turid, met wie ze dagelijks skypete, hetzelfde had geopperd, ging ze overstag. Maar alleen als ik meeging.

We namen plaats op twee kinderstoeltjes in een leeg klaslokaal – de psycholoog zat tijdelijk zonder spreekkamer. Nog voor de psycholoog kans had gezien zich voor te stellen, zei Mette: “Ik wil weten of ik depressief ben.”

“Dat willen we allemaal wel weten,” zei de psycholoog met een wegwuivend gebaar vanachter haar laptopje. Ze was zelf ook een blondine, maar dan de Hollandse variant: no-nonsense, met paardenstaart en felgekleurde gympen. “Depressief ben je niet zomaar, daar moet je wel wat voor doen.” Ze liep het rijtje met kenmerken af. Toen ze de score had berekend, zei ze: “Misschien heb je inderdaad een ­depressie. Een winterdepressie – maar dan bij gebrek aan winter… Curieus. Zoiets heb ik in mijn praktijk nog niet eerder meegemaakt. Klimaatrouw ken ik eigenlijk alleen uit de krant.”

Met haar armen over elkaar, alsof ze klaar was met koeien melken, keek de psycholoog eerst naar Mette en daarna naar mij. Ik keek naar Mette. Haar wenkbrauwen, die als rupsen boven haar oogkassen lagen, waren gefronst, de ader op haar voorhoofd stond op springen.

Ze stond op, het kinderstoeltje viel achterover tegen de vloer. “Als je er nog nooit van gehoord hebt, trol, wat doe ik hier dan?”

Op haar Dr. Martens stampvoette ze het klaslokaal uit. Ik bood de psycholoog mijn excuses aan, legde uit dat ze als Noorse de Nederlandse zeden en gebruiken nog niet helemaal onder de knie had en hobbelde achter mijn geliefde aan.

Vrienden van me vergeleken Mette graag met Greta Thunberg en zeker, Mette had wel wat weg van Thunbergs ­radicale idealisme en pijnlijke eerlijkheid (pijnlijk voor ons en pijnlijk voor haar), maar als ik naar Greta keek kreeg ik een brok in mijn keel. Als ik naar Mette keek, kreeg ik zin in alles. Ze deed denken aan Brigitte Bardot in Godards Le Mépris, met het verschil dat Mette zich niet opmaakte. Zonder make-up was ze nog aanbiddelijker.

“Jullie Hollanders denken altijd dat alleen donkere vrouwen hartstochtelijk kunnen zijn,” zei Mette, “maar er is ook nog zoiets is als arctic passion.”

Van antidepressiva wilde Mette niets weten. Ze geloofde in een complot van de farmaceutische industrie om mensen dociel te maken. “Hoe je het ook wendt of keert, ­soppertje, pillen zijn gif.” Mijn hele medicijnkastje had ik al naar de milieustraat moeten brengen.

***

Sinds ze in Amsterdam woonde was Mette niet ontevreden over de groene burgemeester, de groene gemeenteraad en de groene initiatieven die overal in de stad werden ontplooid; zelf nam ze de regie over drie wormenhotels op zich, plempte her en der plantenbakken neer en strooide in haar vrije tijd kraaienpoten rond bij benzinestations.

Mette was niet te spreken over de Hollandse labbekakkerigheid (haar lievelingswoord, had ik haar geleerd). “Jullie overlegmodel is een flauwe smoes om helemaal niets te hoeven doen!” riep ze bij een in aanleg gezellig etentje met mijn vriend Lodewijk en zijn vrouw Henna. Ik had me uitgesloofd om een veganistische maaltijd te bereiden; sinds ik Mette kende was ik ervan overtuigd geraakt dat je alleen met een vlees- en zuivelloze levensstijl je ecologische voetafdruk het effectiefst omlaag kon brengen. Als prettige bijkomstigheid was mijn ballonbuik verdwenen.

Lodewijk, een verstokte dodediereneter, prikte in de met pittige kruiden gemarineerde jackfruit, die niet alleen de smaak maar ook de textuur van vlees moest nabootsen, en bekeek zijn hap sceptisch voor hij hem in zijn mond stak. “Wat dacht je van die activisten die de stad platleggen?” zei hij, overdreven kauwend. “Dat is toch niet zo labbekakkerig, of wel soms?”

“Extinction Rebellion,” vulde Henna aan. “Wel mooi. Die jongelui zorgen in elk geval voor een mediamomentje.”

Mette, die met een been gekruist onder haar goddelijke billen op haar stoel zat in een overhemd dat ze uit mijn kast had gejat – half open om iedereen een blik te gunnen op haar decolleté dat als een brede skipiste naar haar navel liep – gooide met een klap het saladebestek terug in de bamboe bowl. Ze richtte haar priemende ogen op Henna, die in veel opzichten haar tegenpool was, en niet alleen qua pigment. Henna promoveerde in Leiden op de slavenhandel in Ghana, en in het bijzonder de rol van de Ghanezen daarin. Ze zei het niet met zoveel woorden, maar je zorgen maken over een temperatuurstijging van één graad per eeuw was vergeleken bij het systematische onrecht de tot slaaf gemaakten aangedaan, echt een staaltje non-­inclusief wit denken.

Als hoogleraar in de deeltjesfysica had Lodewijk andere redenen om niet op straat te gaan liggen om aandacht te vragen voor het milieu. Hij sloot niet uit dat de klimaatverandering van de afgelopen decennia slechts een ‘statistische blip’ was. “Of je het nu leuk vindt of niet,” bromde hij met die cynische bariton van hem, “het universum ­beweegt zich per definitie in de richting van de chaos.”

Mette leek Lodewijks dooddoeners niet eens te hebben geregistreerd, ze was blijven haken aan Henna’s ‘mediamomentje’. Ik bad in stilte dat Mette Henna niet zou uitdagen om het over de zin en onzin van herstelbetalingen voor het slavernijverleden te gaan hebben, een discussie die zelfs Henna de keel uit begon te hangen. Even overwoog ik om de sfeer te herstellen door het woord brexit te laten vallen, maar het was al te laat.

Mette pakte Henna’s glas troebele vin nature en goot die uit over haar dreadlocks. Voordat iemand kon ingrijpen had ze Lodewijks glas ook al beet en leegde dat boven zijn kalende schedel.

Ik kwam net uit de keuken met mijn met kokosboter vervaardigde tarte tatin van zelf geplukte appels, toen ik twee druipende gezichten aan tafel zag zitten. Godzijdank was het witte wijn.

“Wat doe je?” riep ik tegen Mette.

“Ik geef je vrienden hun mediamomentje. Weten ze ­alvast hoe het voelt als Amsterdam straks onder water staat.”

Mette schermde met The Collapse of Western Civilization, speculatieve non-fictie van een Californische journalist en een wetenschapshistorica aan Harvard, waarin met een zekere gretigheid wordt beschreven hoe ‘the country formerly known as the Netherlands’ tegen 2300 dankzij drie à vijf meter zeespiegelstijging wordt verzwolgen door het wassende water. Volgens Mette viel er geen speld ­tussen te krijgen: het Kooldioxide Industrieel Complex liet heel Groenland smelten en het water kwam deze kant op. De Randstad zou waarschijnlijk deze eeuw al ontruimd moeten worden, wilden we onze sokken droog houden. “Holland wordt alsnog ingelijfd bij Duitsland,” smaalde Mette. “Schrale troost: New Yorkers moeten verkassen naar New Jersey en Venetië verzuipt.”

Ik haastte me naar de badkamer om twee handdoeken te halen.

“Dit is absurd,” zei Henna vanonder haar handdoek.

Toen Lodewijk zijn kop had droog gedept, zei hij: “Jij, Mette, bent nou wat hier te lande ook wel een klimaatfascist wordt genoemd.”

De stilte die volgde was ondraaglijk. Toen zei Mette: “We moeten terug naar de middeleeuwen, Lodewijk. En zal ik je eens wat zeggen? De middeleeuwen waren zo slecht nog niet.”

Toen de gasten eindelijk weg waren, vroeg voor hun doen, wenkte Mette me naar de slaapkamer.

“Kom eens hier, soppertje.”

Soppertje gehoorzaamde, Soppertje gehoorzaamde ­altijd, misschien was dat het probleem.

“Je vrienden gaan me toch niet verraden?”

****

Eindelijk werd het kouder, de bomen werden skeletten, maar op een winter leek het nog niet.

Tijdens onze eerste winter samen, drie jaar geleden, had het stevig gesneeuwd, ik herinnerde me een lange, romantische wandeling over een geheel ondergesneeuwde ­begraafplaats. Die sneeuw had Mette over de streep ­getrokken. Met zulke sneeuw kon ze leven.

Maar de winters daarna bleven nat en grijs en naar het zich liet aanzien zou het alleen maar slapper worden.

Wat zag Mette in mij? Was ik niet het toppunt van de ­labbekakkerige Hollander die braaf zijn best deed maar te laf was om grote daden te stellen? Toen we elkaar net kenden had ik haar nota bene opgebiecht dat de wintersportvakanties uit mijn jeugd tot de grootste geluksmomenten in mijn leven behoorden.

Ik had de fotoalbums met die wintersportvakanties goed opgeborgen dacht ik, maar niet goed genoeg, want op een dag kwam ik thuis en trof Mette zittend op de vloer aan omringd door skifoto’s die ze uit mijn albums had ­gescheurd.

“Wat is hier aan de hand?”

“Ik ga alles wat aan jouw foute verleden herinnert ­verbranden.”

Nee hè, dacht ik. Ooit had ik tegen haar gezegd, in een vlaag van verliefdheid: “Jij mag alles.” Blies ze straks mijn badkamer op om ervoor te zorgen dat ik niet meer zo ­idioot lang onder de douche stond?

“We gaan kerst vieren in Noorwegen,” verklaarde ze, toen ze de as van mijn wintersportfoto’s in de wc had doorgetrokken.

Ook zoiets: volgens Mette mochten de meeste tradities worden doorgetrokken vanwege hun kwalijke effect op de gezondheid van de aarde, maar aan kerst mocht je niet ­komen.

“Mijn vader heeft ons uitgenodigd,” had ze gezegd op die typische Mette-manier die geen tegenspraak duldde. Ze had daarbij met haar neus met het litteken erop suggestieve gebaren gemaakt; als ik met haar meeging zou ik rijkelijk worden beloond. Dat niet alleen, kerst in Gjøvik betekende sneeuw, droge sneeuw, die bleef liggen. We zouden in de middag van 24 december vliegen, dan waren we net op tijd voor de avondmis, want ja, die hoorde er ook bij, net zoals de zuurkool met karwijzaad, de pepperkaker en de risalamande, een mierzoet toetje waarin één hele amandel zat verstopt (haar vader was van oorsprong Deens). Of de Noorse autoriteiten Mette zouden verwelkomen, was nog even spannend.

Lodewijk ontplofte zowat toen hij hoorde dat Mette en ik voor kerst op en neer naar Oslo vlogen. “Dat is toch totaal inconsequent? Kent dat frøken van jou dan helemaal geen vliegschaamte?”

“Niet als het om kerst gaat, geloof ik, Lo. Voor kerst moet alles wijken.”

Ik hoorde hem hijgen aan de andere kant van de lijn. Hij zou wat aan zijn manier van leven moeten doen, Lo, maar dat durfde ik allang niet meer tegen hem te zeggen.

“Wat maakt die paar kilo uitstoot nou uit op het grotere geheel?” probeerde ik nog.

“Alles! Een keer op en neer naar Oslo en je hebt tien jaar lang voor niks afval zitten scheiden!” Hij snoof luidruchtig. “En dan ga je zeker ook even skiën?”

“Nee. Nou ja, haar vader heeft een berghut maar–”

“Weet je wat het met jou is? Jij hebt totáál geen ruggengraat. Jij bent een weekdier in de handen van die terrorist van jou.”

Lodewijk had het gesprek beëindigd. Ik belde hem terug, maar hij nam de telefoon niet op. De volgende dag ook niet.

Ik kende Lodewijk sinds mijn studententijd, hij was mijn vertrouwenspersoon en ik de zijne. Ik had hem nog nooit zo verontwaardigd meegemaakt. Voor zover ik me kon herinneren was in die dertig jaar vriendschap niet één ­onvertogen woord gevallen.

“Wil je dat ik een stinkbom door de brievenbus duw?” lachte Mette.

Ik schudde sip mijn hoofd.

“Kom op, sopper, iedereen is inconsequent. Neem op het vliegveld een fles Aquavit voor hem mee, en een pond ­gravlax, dan draait ie wel bij.”’

*****

Sinds we hadden besloten om naar Noorwegen te gaan had Mette niet meer gehuild, ze schreef zelfs weer liedjes. De hele dag zat ze te tokkelen op haar gitaar. Dat was winst. Ik kreeg ook steeds meer zin, maar ik maakte me zorgen of we wel langs de douane zouden komen.

Op de dag van vertrek lagen we ’s ochtends te soezen in bed. Mette had haar wang op mijn borst gelegd en plukte aan mijn tepel, alleen al daarom was ik verslaafd aan haar. Ze fantaseerde hardop over wat we allemaal in Gjøvik gingen doen. Haar vader, die iets hoogs was bij Mustad,

’s ­werelds grootste vishaakproducent, woonde in een landhuis in een heuvelachtige buitenwijk, Turid en nog een stel A3-vrienden zouden langskomen en we zouden net zoals in de films van Bergman de haard hoog opstoken en dansen rond de boom. “Als iedereen slaapt maken we een wandeling onder de sterrenhemel. Naakt. In de krakende sneeuw.” Ze glunderde.

Toen ik mijn hoofd opzij liet vallen en met mijn teen de gordijnen optilde, zag ik dat er, als in een sprookje van ­Andersen, die nacht in Amsterdam ook wat was gevallen, en niet weinig.

“Mette!” riep ik. “Snø!”

We sprongen uit bed. De hele straat was ondergesneeuwd, de stad was zo wit als een vel papier, een uitnodiging om helemaal opnieuw te beginnen.

Ik keek naar Mette. Er welde een traan op uit haar ooghoek, als bloed uit een snee, nu niet van droefenis, maar van ontroering.

Er werd sneeuwjacht verwacht. De Schiphol-app meldde dat alle vluchten voor vandaag en morgen waren gecanceld.

Mette sprong terug in bed, begroef haar gezicht in het kussen. Ik ging, als een enorme pad, met mijn volle ­gewicht boven op haar liggen.

“Je plet me,” kreunde ze.

“Dat moet ook.”

De hele kerst hebben we in en op bed doorgebracht. Ik kwam er alleen uit om veganistische maaltijden aan te ­nemen van maaltijdbezorgers die totaal verkleumd voor de deur stonden.

Het was om precies te zijn tweeëntwintig jaar niet zo ­bitterkoud geweest; de grachten waren al dichtgevroren en het ijs zou binnenkort dik genoeg zijn om erop te schaatsen, die oer-Hollandse sport die niemand kwaad deed.

Toen ik een fles crémant had opengemaakt, zei ik: “Doe je ogen eens dicht.” Ik hing haar een ketting om met een zilveren handgranaat eraan.

“Niet vragen waar dat zilver vandaan komt.”

“Wat gebeurt er als ik de pin eruit trek?”

Ik glimlachte geheimzinnig.

Ze beet in mijn neus en zei: “God jul.”

“Insgelijks.”

Beeld Ted Struwer
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden