Bombardement Lyon, 1944. Jaap, Nel, Riet, Jacques en Kees van der Sluis.

PlusInterview

Kees (85) kan niet praten over de oorlog, maar zijn verhaal wel tekenen

Bombardement Lyon, 1944. Jaap, Nel, Riet, Jacques en Kees van der Sluis. Beeld Kees van der Sluis

Het gezin van de nu 85-jarige Kees van der Sluis vluchtte na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog voor de nazi’s uit Nederland. De laatste tien jaar maakte hij meer dan 800 waterverftekeningen over de omzwervingen. ‘Een explosie van emoties,’ zegt zijn dochter. 

Kees van der Sluis was net zes jaar geworden toen op 10 mei 1940 de Duitsers Nederland binnenvielen. Zijn ­ouders hadden van tevoren besproken dat ze naar Amerika of Engeland zouden vluchten als het zover kwam. Kees’ Joodse vader, Jaap van der Sluis, hielp Joodse en ­politieke vluchtelingen vanuit nazi-Duitsland de grens over en wist hoe de vlag erbij hing. “Hij voorvoelde dat de Joden zouden worden uitgeschakeld,” zegt Kees van der Sluis uit ­Ouderkerk aan de Amstel.

Nog op dezelfde dag van de inval vertrok het gezin – ­vader, moeder en drie kinderen – halsoverkop vanuit hun woonplaats Maastricht naar de Belgische grens. Daar moesten ze hun auto achterlaten en te voet verder. Met massa’s vluchtelingen gingen ze op weg naar Hasselt en Brussel.

Zijn protestantse moeder had net op tijd de jassen van de kapstok gegrist. “Zij had een helblauwe poncho aan. Mijn vader zijn hoed op. Daar gingen we met mijn oudere broertje Jacques van acht en mijn zusje Rietje van vier aan de hand,” zegt Van der Sluis, voormalig chirurg/uroloog.

Onderweg was de paniek groot. “Ik was doodsbang voor de Duitse bommenwerpers die over ons heen vlogen en de brug die achter ons werd opgeblazen. Onderweg vielen er doden. Dat zag je allemaal als zesjarige. Ik heb gehuild en gegild.”

Het vluchtverhaal waarbij de familie steeds verder naar het zuiden trok, heeft Van der Sluis de afgelopen tien jaar opgetekend. Praten over de oorlog en de angstaanjagende vlucht doet zijn familie niet graag.

Zijn dochter Lies van der Sluis (53) zette haar vader tien jaar ­geleden aan tot het tekenen van het vluchtverhaal. Kees pakte de verfkwast op en stopte niet meer. Hij heeft inmiddels 800 tekeningen gemaakt.“Het is een explosie van emoties,” zegt zijn dochter.

Kees: “Eenmaal aan het tekenen kwam het allemaal weer boven: de afschuw van de oorlog, de Jodenmoord. Het is zo erg dat ik er moeilijk over kan praten. Die geschiedenis valt nog steeds niet uit te leggen. De littekens zijn gebleven. Tekenen erover kon ik wel.”

Ook voelde hij gêne. “Er zijn mensen die veel ergere dingen hebben meegemaakt. Daarbij was ik bang voor onbegrip en dat mensen het verhaal zouden bagatelliseren.”

Confolens, winter 1941 tot halverwege 1942, doodzieke Jaap (tyfus), Nel en dokter Taytelbaum.Beeld Kees van der Sluis

Gedetailleerd verslag

De tekeningen vertellen het verhaal chronologisch: de reis in een Belgische legervrachtwagen naar Hasselt, een autorit van een gecharterde Belg naar Brussel en de treinreis naar Parijs. Een tekening toont een volle coupé. “De trein werd onderweg nog beschoten en stond vaak stil,” zegt Van der Sluis, die tevens een gedetailleerd verslag van 200 pagina’s over de omzwervingen heeft geschreven, her en der aangevuld met een anekdote. Hij wil van tekst en ­tekeningen een boek maken voor de familie en mogelijk later op zoek gaan naar een uitgever.

Het gezin kwam eind juni 1940 met hulp van een comité in het Nederlandse vluchtelingenkamp La Partoucie in Lessac terecht, nabij Limoges, waar een paar honderd ­Nederlands-Joodse vluchtelingen werden opgevangen door de kunstenaar Conrad Kickert. Tekeningen tonen de stapelbedden in kamers. “Er was geen water, geen elektriciteit en er zat geen glas in de ruiten. Wij sliepen samen met dertig tot veertig mensen in één kamer. Het was een armoedige chaos,” zegt Kees van der Sluis.

Contact met Amsterdamse familie was er mondjesmaat. “We kregen een brief dat oom Sallie, een broer van mijn vader, was opgepakt. Hij keerde zich tegen de Duitsers en werd drie jaar in een Duitse strafgevangenis opgesloten. Hij overleed in 1943, waarschijnlijk doodgeranseld.”

Toen het gezin geld kreeg toegestuurd van familie van moeders kant, konden ze uit het kamp vertrekken en een onderkomen betalen in het dorpshotel in het nabijgelegen plaatsje Confolens. Op een van de tekeningen ligt zijn zwaar zieke vader in bed, met de dokter ernaast.“Mijn ­vader en mijn zusje kregen er tyfus. We hoorden dat ze niet lang meer zouden leven. Ik werd ondergebracht bij de nonnen omdat mijn ouders niet voor me konden zorgen. Ik leerde er bidden en sloeg kruisjes. Nadat mijn zusje en vader het ternauwernood hadden gered, zei ik tegen mijn moeder: ‘Ons lijden staat in geen enkele verhouding tot het lijden van Jezus.’ Dat had ik van de nonnen geleerd. Het is een anekdote gebleven in de familie.”

Schuilplaats van de familie Van der Sluis met andere ondergedoken mensen.Beeld Kees van der Sluis

Protestantse familie

De anti-Joodse maatregelen werden ook in Frankrijk steeds strenger. Er kwamen razzia’s op gang. In 1942 werd Kees’ vader opgepakt en naar een interneringskamp ­gestuurd waar ze gevangenen uitleverden aan de Duitsers om te worden doorgestuurd naar vernietigingskampen in Polen.“Wij waren bevriend met politiemensen die bij de ondergrondse zaten. Zij hielpen mijn vader ontsnappen.”

Toen november 1942 heel Frankrijk werd bezet, vluchtte Kees’ vader naar Lyon, waar hij in contact stond met de Franse en Nederlandse illegaliteit. De rest van het gezin volgde later. “We namen de trein naar Lyon. Naast ons kwam plotseling een SS’er te zitten. Mijn moeder had ons ingepeperd niets te zeggen. Wij zaten de hele reis naast die man. Als je dit later zou vertellen, zou niemand ons ­geloofd hebben.”

In Lyon verbleef het gezin in een illegaal hotel. Later kregen ze er een eigen woning, nadat ze zich hadden geregistreerd als protestantse familie. In het huis ving zijn moeder gevluchte Joodse Nederlanders op die op weg waren naar Spanje en Zwitserland.

Ook zijn er tekeningen van vluchtende mensen tijdens een bombardement in 1944 en de schuilplaats van de ­familie en andere ondergedoken mensen.

Na de bevrijding keerde de familie Van der Sluis terug naar Nederland. “Mijn oma woonde in de Sarphatistraat. Van mijn vaders kant is de familie, die zo’n veertig mensen telde, grotendeels vermoord. Alleen mijn vader, oom Mau en mijn oma hebben de oorlog overleefd. De ontmoeting tussen die drie in Amsterdam was heel emotioneel. ‘Waar zijn mijn jongens?’ vroeg oma steeds over haar andere drie kinderen. Iedereen zat met tranen in de ogen. Een uitleg kwam er niet. De twee broers konden er niet over praten.”

Kees van der Sluis: ‘Eenmaal aan het tekenen, kwam het allemaal weer boven.’Beeld Kees van der Sluis
In de trein met een SS’er. (Vlnr) Nel (moeder), SS’er, Kees, op de grond Riet (zus) en de beentjes van Jacques (broer). Beeld Kees van der Sluis
De bevrijding, Kees van der Sluis met een Amerikaanse soldaat.Beeld Kees van der Sluis
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden