Plus Het jaar van

Karwan Fatah-Black: ‘Slavernij is een soort ijkpunt geworden’

Karwan Fatah-Black. Beeld Jitske Schols

Karwan Fatah-Black (38) is universitair ­docent koloniale geschiedenis en was dit jaar betrokken bij het meerstemmig maken van musea. ‘Dat ophemelen van de Gouden Eeuw mag wel een toontje lager.’

En toen stond zijn naam op 25 oktober in The New York ­Times. Dat overkomt niet iedere Amsterdammer. Karwan Fatah-Black zet zijn kop thee op het tafeltje en wijst naar een hoek in de Starbucks op het Centraal Station van ­Amsterdam. “Ik zat daar, en die journaliste van The New York ­Times heeft twee uur met me gepraat. Uiteindelijk is er maar een klein deel van wat ik heb gezegd in de krant ­gekomen.”

Het stuk, getiteld A Dutch Golden Age? That’s only half the story, ging over hoe Nederlandse musea meerstemmigheid in tentoonstellingen kunnen brengen en dat verhalen vanuit verschillende perspectieven zouden moeten worden verteld.

Hoe kwamen ze u op het spoor?

“Ik was nauw betrokken bij een tentoonstelling eerder dit jaar in het Mauritshuis in Den Haag; Bewogen beeld. Een onderwerp in de tentoonstelling was hoe we meerdere perspectieven naast elkaar bestaansrecht kunnen geven. Ik schreef teksten bij objecten die werden getoond. ­Bijvoorbeeld bij een schilderij van Frans Post, Gezicht op het eiland Itamaracá in Brazilië uit 1637. Dan laat ik zien dat uit het contrast tussen detail en vormeloosheid de eenzijdige blik van de schilder blijkt. De dragers op dat schilderij zijn onherkenbaar, maar de manden die ze dragen zijn heel gedetailleerd geschilderd. Ik vertel dan hoe ­onder Johan Maurits, gouverneur van Nederlands-Brazilië, de kloof tussen het wit van de meester en het zwart van de onderworpenen steeds dieper werd. Deze manier van presenteren krijgt in veel musea navolging. En laat ons ­beseffen dat we misschien wel de definitie van het woord museum moeten herzien.”

Wat bedoelt u daar precies mee?

“Is een museum gewoon wat het is en laten we dat zo, of is een museum een plek voor debat en moeten we meerdere kanten van een verhaal tonen? Dat laatste leeft heel erg. En dat leidt tot veel discussie. Kijk alleen al wat het los­maakte toen het Amsterdam Museum besloot de term Gouden Eeuw niet meer te gebruiken.”

Is die discussie in Nederland het felst?

“Nou, ik denk dat de ontwikkeling in musea heel soepel gaat. Dat Nederlandse musea wereldwijd echt voorop­lopen in een nieuwe manier om na te denken wat een ­museum precies is. Ze willen vormgeven aan meerstemmigheid. Dus niet meer alleen een verhaal opleggen, maar ­laten zien dat er meerdere perspectieven zijn en leren dat andere mensen anders over dingen kunnen denken. Veel Nederlandse musea zijn ver daarmee, en het lijkt of er hier echt iets bijzonders aan de gang is.”

Ervaart u als historicus veel weerstand tegen het tonen van meerstemmigheid?

“Nee, eigenlijk niet. Wel van mensen die dus gewend waren de enigen te zijn die gehoord werden, die vinden het moeilijk om ruimte te maken. Maar wat we nu zien, is dat de acceptatie van diversiteit is toegenomen. En dan ben je eigenlijk genoodzaakt te veranderen en te vernieuwen.”

Bijvoorbeeld door anders naar slavernij te kijken?

“Kijk, geen weldenkend mens in Nederland zal ontkennen dat slavernij fout is. Maar de discussie gaat eigenlijk niet over het slavernijverleden. Ik merk dat veel musea iets met dat slavernijverleden willen doen. Ze zien dat als een shortcut om een nieuwe kijk op de geschiedenis in een tentoonstelling uit te proberen. Ik denk dat dat met andere thema’s ook wel kan, maar slavernij is een soort ijkpunt ­geworden. Terwijl het eigenlijk om iets anders gaat in veel van deze discussies. Namelijk: nemen we de nazaten van mensen die destijds slaaf waren serieus als volwaardige burgers? Daar wringt het vaak.”

Legt u dat eens uit.

“Het is blijkbaar moeilijk te accepteren dat mensen van Afrikaanse afkomst, nazaten van slaven, net zulke gelijkwaardige burgers zijn als jij dat bent. Dat ze over alles ­mogen meepraten. Dat ze net zo veel te zeggen hebben. Dat is moeilijk, omdat je dan iets aan jezelf moet veranderen, je kijk moet aanpassen. Dat merk je in de Zwarte Pietdiscussie. Bij elk ander protest gaat het anders. Je hoeft maar even met je trekker een rondje op het plein te rijden en je krijgt wat je wilt, maar bij Zwarte Piet gaan er jaren overheen. Terwijl de vraag is: zouden jullie iets minder ­expliciet racistisch kunnen zijn in je feest?”

Onwil?

“Als je er van een afstandje naar kijkt, is het natuurlijk heel gek hoe moeilijk volwassenen in Nederland hebben ­gedaan over het verwijderen van racistische karikaturen uit het Sinterklaasfeest. Terwijl er al decennialang om ­gevraagd werd. Hetzelfde geldt voor het opnemen van de slavernijgeschiedenis in het onderwijs. De weerstand daartegen duidt op een onwil om die specifieke stemmen te horen. Er is weerstand tegen culturele dekolonisatie.”

Wat verstaat u onder dekolonisatie?

“Dekolonisatie gaat over het herkennen van maatschappelijke hiërarchieën die een gevolg zijn van het koloniale verleden, je daar rekenschap van geven en er vervolgens ook iets aan doen. Dat ligt gevoelig. We zijn zo gewend om ­bepaalde geluiden bij voorbaat te diskwalificeren. In mijn eigen vak zie ik dat bijvoorbeeld met getuigenissen die voormalig slaafgemaakten hebben nagelaten. Die worden met veel meer achterdocht behandeld dan bijvoorbeeld de geschriften van koloniale bestuurders. Een voorbeeld zijn de memoires van Olaudah Equiano, een slaafgemaakte Afrikaan uit de achttiende eeuw die zich vrijkocht en in Engeland koopman werd. Dat boek, in 1790 vertaald als Merkwaardige levensgevallen van Olaudah Equiano of Gustavus Vassa, den Afrikaan, door hem zelven beschreeven, is zonder al te veel omhaal in Nederland altijd als ­onbetrouwbaar terzijde geschoven, terwijl de grond voor de twijfel aan het waarheidsgehalte van dat verhaal ­bijzonder dun is.”

Karwan Fatah-Black

17 april 1981, Amsterdam

1993-1998 Havo
1998-2003 Lerarenopleiding ­geschiedenis
2003-2008 Geeft les op Amsterdamse scholen en studeert geschiedenis aan de UvA
2008-2013 Promotieonderzoek ­Universiteit Leiden
2013-heden Docent koloniale ­geschiedenis Universiteit Leiden
2018 Boek Eigendomsstrijd. De ­geschiedenis van slavernij en eman­cipatie in Suriname (Ambo/Anthos)
2019 Boek Sociëteit van Suriname 1683-1795. Het bestuur van de kolonie in de achttiende eeuw (Walburg Pers)

Karwan Fatah-Black is getrouwd, heeft twee kinderen en woont in ­Amsterdam.

Waarom is het belangrijk om dekolonisatie ook in een ­museum te laten zien?

“Waar ik me niet mee bezighoud, maar wat ik wel volg, is bijvoorbeeld het erkennen dat delen van de collecties van onze musea verworven zijn door plundering. Er staat dan in de omschrijving van een object in de catalogus: ‘Ver­zameld door soldaten’. Het is een beetje te vergelijken met roofkunst uit de Tweede Wereldoorlog. Dan is dus de vraag: wat moet je daar dan mee? Er is duidelijke een ­beweging in westerse musea te bespeuren. Men begint zich daar vragen te stellen. Horen deze voorwerpen hier wel te zijn? Moeten we ze niet teruggeven? In het Tropenmuseum liggen bijvoorbeeld allemaal botten waarvan men weet waar ze vandaan komen. Maar aan wie geef je die dan terug, en zitten ze er daar wel op te wachten? Maar ­misschien is het helemaal niet aan ons om dat te ­bepalen.”

Wat vindt u ervan dat het Amsterdam Museum de term Gouden Eeuw niet meer zal gebruiken?

“Het is goed dat het Amsterdam Museum als instituut een signaal heeft afgegeven. Dat het museum openstaat voor het vertellen van meer diverse verhalen. Het hervertellen van verhalen. Door dat zo stellig te doen is dat signaal ook heel krachtig. Ook omdat de Gouden Eeuwmarketing een enorme vlucht nam. Er zijn ontzettend veel boeken verschenen met Gouden Eeuw in de titel, er waren veel tentoonstellingen over de Gouden Eeuw. Maar bijna nooit las of hoorde je een kritische noot, over de armoede, de uitbuiting en de slavenhandel in de zeventiende eeuw. Ik vind dat dat ophemelen wel een toontje lager mag, juist ook onder professionele historici die doen alsof het alleen maar een tijdperkaanduiding is. Het was een effectieve zet van het Amsterdam Museum. Maar er moet nu wel worden doorgepakt om niet in de oude reflex terug te schieten, en daadwerkelijk de deuren te openen voor meerdere ­perspectieven en nieuwe bezoekers.”

Hoe zou dat dan moeten?

“Nou, door juist ook naar die andere kant te kijken. Laten we dan de slaaf die in opstand kwam tegen onderdrukking ook tot de helden van onze geschiedenis rekenen. Tula ­bijvoorbeeld, de leider van de Curaçaose slavenopstand van 1795. Door te zeggen: hij is een van ons, maak je een stap. Maar dat vereist een mentaliteitsverandering en inlevingsvermogen. En dat geroep dat ‘onze’ cultuur van ons wordt afgepakt... Welnee! Die cultuur wordt juist verrijkt en verdiept. Die kant moeten we op.”

Terugblik 2019

Hoogtepunt: “Dat de landelijke intocht van Sinterklaas zonder racistische karikaturen georganiseerd werd.”

Dieptepunt: “Dat de minister van Onderwijs het ­advies van de Commissie Van Rijn overnam om op de geesteswetenschappen te bezuiningen.”

Persoon van het jaar: “Massih Hutak, die mij in het Stedelijk Museum tot tranen toe roerde met zijn ­installatie De Salon bij de tentoonstelling Migrant ­Artists in Paris.”

Wat blijft u het meest bij? “De wandeltochten met mijn gezin door de Surinaamse bossen.”

Wat hoopt u volgend jaar niet meer terug te zien? “Teksten op theezakjes.”

Dit is de derde aflevering van de interviewserie Het jaar van, waarin ­markante Amsterdammers terug-blikken op hun 2019. Lees hier de eerdere afleveringen terug:

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden