PlusAchtergrond

Journalist Stefan Raatgever begroef zijn kinderwens toen hij uit de kast kwam, nu is hij vader van Willem (0)

We willen geen vaders-op-afstand of donoren zijn. Beeld Ted Struwer
We willen geen vaders-op-afstand of donoren zijn.Beeld Ted Struwer

Als journalist Stefan Raatgever (nu 40) en zijn vriend Joost besluiten vaders te willen worden, begint een lange reis vol hoop, diepe teleurstellingen, speeddates en clandestiene bezoeken aan de verloskundige. ‘Ik draai al scenario’s af waarin we een blauwtje lopen.’

Bestaan er mannen met rammelende eierstokken? Fysiek gezien niet uiteraard. Maar als ik de 30 in zicht krijg, lijk ik ze toch te voelen. Om me heen lijk ik overal peuters te zien, vrolijk het huishouden van hun ouders – mijn vrienden en collega’s – ontwrichtend. En zonder uitzondering vind ik ze geweldig.

Vader worden. Het is een verlangen dat ik in de aanloop naar mijn coming-out op mijn 24ste simpelweg heb begraven. Een gezin zat er voor mij niet meer in, redeneerde ik als onzekere student. En daardoor zouden mijn ouders dus ook geen opa en oma worden. Het was een van de redenen dat ik het moeilijk vond hen te vertellen dat ik niet op meisjes maar op jongens viel.

Maar als ik de 30 passeer, krijg ik toch weer hoop. Ik heb Joost ontmoet en voel in de liefde voor het eerst van mijn leven vaste grond onder m’n voeten. We zijn gaan samenwonen en dat gaat wonderwel goed. Het nieuwe leven bevalt ons. Ik werk voor de krant en Joost is net aan het werk als geestelijk verzorger. En naast onze gedeelde liefde voor reizen en onze zwak voor The Golden Girls is er nog een meevaller: ook Joost hoopt op het vaderschap. Daarbij lijkt meer mogelijk dan ik in het begin dacht. Een goede kennis is bezig met een lesbisch koppel een samengesteld gezin te vormen. En we kennen de verhalen van tv-persoonlijkheden Paul de Leeuw en Peter van der Vorst. Ze adopteerden met hun partners allebei kinderen uit de VS. Ik sprak ze er beiden over voor de krant. Dolgelukkig zijn ze met hun zoons.

Maar hoe zit het voor ons? Welke mogelijkheden zijn er? En hoe haalbaar zijn die als je geen tv-sterrensalaris hebt (handig bij adoptie of commercieel draagmoederschap, zo zullen we later leren)? We besluiten ons in te schrijven voor een voorlichtingsmiddag van de stichting Meer dan gewenst, die zich al jaren inzet voor lhbt’ers met een kinderwens.

Nieuwe levensfase

Die zondagmiddag is het alsof we een gay kroeg binnenstappen waar de biertap op slot zit, de speakers zijn stilgevallen en de dansvloer verboden terrein is verklaard. In de kantine van het Amsterdams Lyceum zitten zo’n zestig jonge mannen keurig naast elkaar op houten klapstoeltjes.

Ik herken een paar gezichten uit de tijd dat ik zelf graag op vrijdagavond in de bar het weekend tegemoet dronk. Het lijkt ineens veel langer geleden dan de paar jaar die het daadwerkelijk zijn. De stemming is serieus: de drempel naar het muffe zaaltje lijkt de grens naar een nieuwe levensfase. Hier zitten zestig toekomstige vaders.

We zoeken een plekje tussen koppels, maar ook veel single mannen, die willen horen over vier sporen die er zijn: adoptie, co-ouderschap, draagmoederschap en pleegouderschap.

Het laatste valt voor ons al snel af. Net als draagmoederschap, waarbij een kindje uiteindelijk zal opgroeien zonder moeder. Wij willen ons kindje juist graag iets extra’s geven: een tweede vader, die de hoeveelheid liefde in het gezin vergroot. We zien een derde ouder voor ons die ons kind vol enthousiasme tegemoet treedt als de andere twee even voor pampus liggen of iets onhandigs moeten doen, zoals een baan onderhouden.

Draagmoederschap kent ook veel wettelijke hindernissen. Alleen draagmoederschap op vrijwillige basis is in Nederland toegestaan. Kosten vergoeden is hier verboden. Hetzelfde geldt voor een openbare oproep doen.

Dan adoptie. Een mooie gedachte, een veilige plek bieden aan een kind dat het nodig heeft. De corruptieaffaire die afgelopen winter aan het licht kwam en tot een adoptiestop leidde, is dan nog onbekend. Wel duidelijk: de mogelijkheden voor twee mannen zijn gering. Alleen getrouwde paren kunnen adopteren. En vrijwel elk land vermeldt expliciet dat onder gehuwde koppels ‘man + vrouw’ wordt verstaan. Alleen voor de VS, Portugal, Zuid-Afrika en Nederland geldt die beperking niet. Maar omdat er in de laatste drie landen nauwelijks kinderen ter adoptie worden aangeboden, is de VS eigenlijk de enige optie. Het gevolg: de wachttijd kan meer dan tien jaar belopen. En dan nog ben je afhankelijk van niet geheel doorzichtig bemiddeling.

Hoewel we het nog niet durven uitspreken, beseffen we het aan het eind van de middag: als we het doen, doen we het als co-ouders met de biologische moeder samen. Alleen: met wie dan?

De middag is het begin van een lange reis die jaren langer zal duren dan we op dat moment vermoeden. Voor we gaan zoeken, bespreken Joost en ik uitgebreid wat we belangrijk vinden bij het opvoeden van een eventueel kind. We kijken ook naar advertenties op de site van Meer dan Gewenst. Er zijn veel meer mensen op zoek naar alternatieve gezinsvormen.

Harde cijfers zijn er nog niet, maar Meer dan Gewenst ziet dat het aantal meer­oudergezinnen snel groeit. De stichting stelt dat de belangstelling voor informatiedagen over andere vormen van ouderschap de afgelopen vijf jaar is vertienvoudigd.

En inderdaad: op de site komen we vele uiteenlopende oproepen tegen. We besluiten alleen te kijken naar zogeheten ‘wensmoeders’ die het ouderschap volledig willen delen. We willen geen donoren of vaders-op-afstand zijn, maar zoeken een driemanschap – of eigenlijk een twee-man-één-vrouwschap, waarbij ons kind 50 procent van de tijd bij zijn of haar moeder woont en de andere helft bij ons.

Meer dan Gewenst houdt ook kennismakingsmiddagen. Speeddates, heten ze. Joost en ik twijfelen. Zelfs in de donkerste periodes van mijn vrijgezelle leven heb ik datingavonden weten te omzeilen. Mijn directe associatie met het begrip zijn de tv-uitzendingen van Boer zoekt vrouw. Gesprekjes die vrijwel altijd verlopen volgens hetzelfde ongemakkelijke stramien. Boer: “Zo. Daar zitten we dan.” Vrouw: “Ja.” Stilte.

Dat gaan wij natuurlijk héél anders doen. Maar hoe eigenlijk, vraag ik me af als we uiteindelijk onze fiets parkeren naast een Amsterdamse basisschool. In de aula ruikt het naar koffie die al enige tijd op het warmhoudplaatje suddert. Ik kijk om me heen. De mannen zijn in de meerderheid. Aan de bar worden al voorzichtige contacten gelegd. Ik word ineens nerveus: staan we al op achterstand voor we beginnen?

Het rooster oogt als het blokkenschema van Lowlands: uitputtend vol met in totaal tien gesprekken van een kwartier. Vooraf hebben Joost en ik de tactiek in grote lijnen doorgesproken. Omdat de ontmoetingen kort zijn, moeten we snel to the point komen. Juist omdat het opbouwen van een relatie met een mogelijke moeder veel tijd kost, moeten we nu alvast weten hoe ze over belangrijke thema’s denkt. Wil ze de zorg anders verdelen dan 50-50? Dan zoeken we verder. Wat we ook doen als een vrouw heel beslist zegt maximaal één kind te willen.

Mede door onze hoop op twee kinderen wordt ook haar leeftijd een factor. Als we elkaar goed willen leren kennen en daarna nog twee keer zwanger worden, moeten we simpelweg de tijd hebben.

Maar hoe aantrekkelijk zijn we zelf eigenlijk als aanstaande co-ouders? Hoe vaderlijk is onze uitstraling? Zien we eruit als goed genenmateriaal? Als voor een echte date hebben Joost en ik vooraf ouderwets te lang in de spiegel naar ons kapsel gekeken. We kunnen ermee door, vinden we.

Dat lijkt ook de eerste dame te vinden met wie we spreken. Alleen: ze spreekt beter Portugees dan Nederlands, draagt een wapperend gewaad en heeft zoveel sieraden om haar hals en polsen dat ze ter plekke een juwelierszaak zou kunnen openen. Het voelt gek om op dit soort zaken te letten, we worden immers geen liefdespartners. Maar dit is gewoon niet ons type.

Makkelijk gaat het allemaal niet aan de schoolbureautjes waar we frisdrank uit een flesje drinken. Een struise Noord-Hollandse schuift aan. Kort blond haar, blauwe ogen. Maar – en ik zie dat Joost zich hetzelfde afvraagt – hoe oud is ze eigenlijk? Vooraf hebben we die informatie niet gekregen. Zonde, het had ons het pijnlijke moment misschien bespaard waarop deze 42-jarige dame omstandig de vruchtbaarheid van haar familie begint aan te prijzen.

Net voor de pauze spreken we een vrouw van 33. Ze lijkt het type aan wie je met gerust hart een hele kleuterklas toevertrouwt. Alleen, zegt ze na tien minuutjes aftasten, ze wil het liefst een single man, geen koppel. Ze zou zich continu in de minderheid voelen tegenover ons, vreest ze. Ai.

In de pauze drinken we bittere koffie. Het valt ons tegen. De gesprekken vreten energie en leveren vrijwel niets op. Met moeite brengen we de tweede vijf tot een einde. Met bonkend hoofd fietsen we naar huis. Is dit nu ons voorland, vragen we ons af. Vrouwen die ons als laatste redmiddel zien na een mislukte zoektocht naar een ‘echte man’? We willen wijn. Veel. En snel.

Gelukkig zien we niet veel later een leuke advertentie op de site. Een dame die op het eerste gezicht dezelfde ideeën over opvoeden heeft en ook nog eens in Amsterdam woont. We sturen een e-mail waarin we onszelf voorstellen, met een paar foto’s waarop het strijklicht mijn rimpels wat verzacht. Er komt een vriendelijk bericht terug met een leuke foto. We gaan afspreken.

Het zijn mooie ontmoetingen die bevestigen dat we op de goede weg zijn. De lieve dame is 37 jaar, dus enige haast is wel geboden. Dat vinden we lastig. We hebben moeite om vast te stellen wanneer je beslist of je voor elkaar kiest als ouders. Hoe deed de generatie voor ons dat eigenlijk? We vragen rond en krijgen verrassend vaak het antwoord: ‘Kinderen? Dat ging in die tijd gewoon zo. Je dacht er verder niet zo veel over na. Je begon gewoon.’

Joost en ik denken juist erg lang na, wachten tot we zullen worden overvallen door ‘het juiste gevoel’. Als dat bij zo’n leuke vrouw uitblijft, zijn we er dan zelf wel klaar voor? We willen haar tijd niet verder verspillen en besluiten onze zoektocht even te laten rusten. Anderhalf jaar later neemt zij weer contact op. Ze is in verwachting van haar homoseksuele buurman en schrijft ook: ‘Een collega van mij denkt na over meerouderschap. Iets voor jullie?’

Joost en ik vinden Sonja aardig, intelligent en knap. Beeld Ted Struwer
Joost en ik vinden Sonja aardig, intelligent en knap.Beeld Ted Struwer

Het is 1 maart 2018 als we tegenover Sonja zitten in café Het Badhuis in Amsterdam-Oost. Voor ons beide een fijne locatie, want Sonja blijkt letterlijk twee straten van ons vandaan te wonen. Ook zij is psychiater en dan 34 jaar. Ik realiseer me dat ik met mijn 37 nu de oudste van het drietal ben, helemaal als ik na een paar wijntjes laat vallen toch wel graag ‘voor mijn veertigste’ vader te willen worden.

Maar verder biedt de avond alleen maar goed nieuws. Joost en ik vinden Sonja aardig, intelligent en knap. En het lijkt te klikken. Er wordt grappenderwijs zelfs al over babynamen gesproken. We lachen om nieuwerwetse vindingen als Lente, Storm en Vlinder. Als de avond zijn einde nadert, denk ik plotseling: hoe sturen we straks casual aan op een vervolgdate? Ik draai al scenario’s af waarin we een blauwtje lopen als Sonja voorstelt meteen de agenda’s te trekken voor een tweede afspraak.

De volgende weken en maanden leren we elkaar steeds beter kennen. Net als ik is Sonja opgegroeid met gescheiden ouders en weet ze zo uit ervaring dat een jeugd in twee gezinnen heel gelukkig kan zijn. Ze heeft een vriend met wie ze niet samenwoont. Hij wilde geen kinderen, zij wel. In plaats van dat verschil een relatiebreuk te laten bespoedigen, hebben ze voor deze optie gekozen. Rogier blijkt een lieve en ontspannen man die zijn vriendin én ons alle geluk gunt, maar straks geen deel zal zijn van de ouderschapsconstructie.

Na een jaar van wijn drinken in de kroeg, voor elkaar koken en kennismakingen met elkaars ouders, gaan Sonja, Joost en ik met elkaar op proefvakantie. In Antwerpen onderwerpen we ons aan een escaperoom om te testen hoe we in een stresssituatie op elkaar reageren. Hoewel we niet in de buurt komen van een ontsnapping uit de kamer, is onze trip een succes. Aan het slotdiner besluiten dat we het durven: we gaan het met zijn drieën proberen.

Bij een notaris zullen we onze ouderschapsplan vastleggen met daarin tal van afspraken over de opvoeding. Zo zullen we bijvoorbeeld altijd binnen tien kilometer van elkaar blijven wonen. Ook de praktische kant van de zaak bespreken we in detail. Proberen zwanger te raken zullen we zonder tussenkomst van het ziekenhuis doen. Zelfinseminatie door Sonja met een door ons thuis afgeleverd potje met spermatozoïden .

Joost en ik spraken al eerder met elkaar af dat ik de leverancier zou worden. Aangezien we alle drie de hoop op twee kinderen hebben uitgesproken, lijkt het ons logisch om met de oudste vader (het scheelt zesenhalf jaar, maar je ziet er bijna niets van!) te beginnen.

En zo fiets ik in maart 2019 voor het eerst richting het huis van Sonja. Het is koud buiten en het plastic potje moet op lichaamstemperatuur blijven. Dus heb ik het ingepakt in een wollen handschoen en daarna diep in mijn jaszak verborgen. Heb ik hier de eerste cellen van mijn zoon of dochter tussen de parkeerbonnetjes en mijn huissleutels?

Ik trap zo snel mogelijk over de keien. Elke seconde die ik langer over het tochtje doe, beïnvloedt de kansen, denk ik, hoewel ik thuis al heb opgezocht dat zaadkwaliteit pas na 48 uur achteruitgaat. Als het zaad op temperatuur blijft tenminste. Dus druk ik het potje voor de zekerheid nog dichter tegen me aan.

Het blijkt die eerste keer geen formule voor succes. Ook al maak ik vier van die tochtjes, telkens met een dag ertussen. Maar na de tweede vruchtbare week is het raak. ‘Zwanger!’ zegt de test. We drinken jip-en-jannekechampagne. Joost en ik gaan twee weken later opgewekt op vakantie naar Frankrijk.

Als we uitkijken over de wijnvelden van de Vogezen krijgen we telefoon: het is mis. Sonja heeft bloed verloren. Dit kan niet anders dan een vroege miskraam zijn. We zijn alle drie geschrokken en verdrietig. Hebben Joost en ik de avond ervoor aan een Frans diner nog gefantaseerd over de vraag welke sport geschikt zou zijn voor de kleine, nu lijken we terug bij af.

Het duurt tien lange maanden voor het weer raak is. We durven niet goed blij te zijn. Terecht, zo blijkt helaas. Een nieuwe miskraam lijkt zich aan te dienen. In het midden van de eerste coronalockdown melden we ons in het ziekenhuis voor een onderzoek. De gynaecoloog schrikt als ze ons ziet: drie mensen tegelijk in haar kantoor? Dat mag in coronatijden niet. Via Facetime zien Joost en ik uiteindelijk dat de baarmoeder van Sonja inderdaad leeg is.

Hoe nu verder? We zijn inmiddels een jaar bezig en Sonja’s lichaam moet eerst herstellen. We doen wat onderzoek naar ivf. Daarvoor komen we pas in aanmerking als het minstens een jaar niet is gelukt om zwanger te worden. En een miskraam is wel degelijk een zwangerschap. Dat schiet niet op.

Mijn uitspraak tijdens onze eerste date – ‘voor mijn veertigste!’ – slaat me in het gezicht. Dat lukt niet meer. Sonja, die onze gezamenlijke appgroep had vernoemd naar mijn leeftijdswens, verandert de titel subtiel in: ‘Geduld is een schone zaak.’

Hoewel ik eerder al een positieve vruchtbaarheidstest deed, vrees ik toch dat het aan mij ligt. Het brengt ons op een idee: waarom laten we Joost niet ook deelnemen aan de inseminatiepogingen? En dan op de mogelijk vruchtbare dagen waarop ik niet kan leveren omdat je als man nu eenmaal je zaadkwaliteit weer even op peil moet laten komen? We zijn alle drie enthousiast: dit vergroot onze kansen!

Alleen: als het straks raak is, weten we niet meteen wie de biologische vader is. Prima, vinden we. Want Joost en ik worden beiden evenveel vader. De buitenwereld blijkt dat lastiger te vinden. Gedurende de afgelopen maanden is het steeds een van de eerste vragen die wordt gesteld: wie wordt dan de vader? Ons antwoord ‘wij allebei’ is nooit toereikend. Niemand bedoelt het vervelend, natuurlijk, maar de fascinatie voor het doorgeven van genen valt wel op. We besluiten het luchtig op te lossen en beloven iedereen te mogen meeraden als de kleine er straks is.

Ik word 40 en vier het niet. Er is een nieuwe lockdown afgekondigd en Joost en ik maken ons op voor een bezorgmaaltijd van een restaurant uit de buurt. Sonja komt even langs met een cadeautje, meldt ze. Het is een boek, zie ik meteen. Maar wat is die rare bobbel op bladzijde 4? Dat lijkt wel een zwangerschapstest, bedenk ik me als ik al naar het plastic staafje kijk. En dan die twee streepjes… wacht eens even!

Drie weken later zitten we op van de zenuwen bij de verloskundige. Het is na sluitingstijd van de praktijk. We zijn tegen de regels in toch met z’n drieën welkom, maar dat hoeft niet bij iedereen bekend te worden. We krijgen een vroege echo om te kijken of het dit keer wel goed gaat. Met mondkapjes op de neus turen we in een krap kamertje naar een schermpje. Daarop is het angstvallig duister. “Kan het zijn dat je minder ver bent dan je denkt?” vraagt de verloskundige aan Sonja. M’n hart slaat een slag over. Niet wéér, hè! Een paar seconden is het beklemmend stil.

Dan slaat de stem van de verloskundige over: “Een hartje! Daar klopt een hartje!” In het krappe kamertje klettert er een last van drie paar schouders op de koude vloer.

Hetzelfde gebeurt vijf weken later als we op hetzelfde schermpje de feestelijke stemming in de baarmoeder bekijken. Er veert een menselijk figuurtje als gelanceerd vanaf een trampoline omhoog. Op de weg terug landt hij op z’n rug. Als een lieveheersbeestje op z’n schildje ligt onze foetus goedgemutst te spartelen.

Fast forward naar juli van dit jaar. Sonja torst inmiddels een forse buik met zich mee. Daar binnen huist, zo weten we inmiddels, onze zoon. Het kan niet anders of de bevalling is aanstaande. Zoals alle toekomstige ouders zijn we zenuwachtig. Over de vraag of alles goed zal gaan, allereerst. Maar ook over de vraag of Joost en ik wel bij de bevalling aanwezig kunnen zijn. Joost vroeg het al na op de kraamafdeling van het ziekenhuis waar hij werkt. Daar was de boodschap helder: in een bevalkamer zijn twee vaders welkom, maar in een operatiekamer – bij een keizersnede – maar eentje. Geen uitzonderingen.

Sonja heeft voor een thuisbevalling gekozen, maar die pakt uiteindelijk anders uit dan gehoopt. Na een dag vol pijn (Sonja) en rusteloos slepen met warme kruiken (wij) moeten we midden in de nacht toch naar het ziekenhuis. Niet in Amsterdam, want alle kraambedden liggen er vol. Het wordt het Amstelland in Amstelveen. Sonja krijgt een ruggenprik. We zien het allemaal van dichtbij, helpen zo goed mogelijk mee met persen. Maar het helpt niet: onze zoon zit vast. We voelen het al aankomen als de gynaecoloog een serieuze stem opzet: “Mevrouw, als u ermee instemt, vraag ik ons team zich klaar te maken voor een keizersnede.”

Joost en ik worden er bleek van. Niet alleen vanwege de heftige ingreep, maar ook omdat doordringt dat een van ons na deze achtbaan van ruim dertig uur nu toch de geboorte dreigt te missen. Dan stapt er en verpleegkundige op ons af. Het verhaal van onze constructie is rondgegaan. “Kom maar mee, dan loods ik jullie allebei de ok binnen. Het mag eigenlijk niet, maar we doen het toch.”

Wat volgt, kan elke vader of moeder ons vermoedelijk navertellen. Het voor het eerst vasthouden van je zoon is overweldigend, fantastisch en diep ontroerend. Het duurt anderhalf uur voor Joost en ik weer kunnen praten zonder meteen te snikken van blijdschap. Willem is een prachtig kind en piekfijn in orde. Het is ons met z’n drieën gelukt, denk ik. En meteen ook: nu gaat het écht beginnen.

Want ja, er blijven lastige klippen om te omzeilen. De eerste al als de nacht aanbreekt en blijkt dat we echt niet met z’n drieën mogen blijven slapen in het ziekenhuis. Joost blijft bij moeder en zoon, ik overnacht in m’n uppie thuis. Een dag later doe ik geboorteaangifte. Ik krijg een A4’tje met een officieel stempel mee. Ik zou die het liefst niet aan Joost laten zien. Onder Willems naam staan onder het kopje ‘Ouders’ alleen die van Sonja en mij vermeld.

 Iedereen mag straks meeraden wie de vader is. Beeld Ted Struwer
Iedereen mag straks meeraden wie de vader is.Beeld Ted Struwer

Het is het onvermijdelijke gevolg van de Nederlandse wet die bepaalt dat een kind op geen enkele manier meer dan twee wettelijke ouders mag hebben. Joost en ik hebben moeten kiezen wie van ons die status krijgt. Dat wordt jij, zegt Joost beslist. Het betekent voor hem een juridisch compleet achtergestelde positie. Joost heeft geen ouderlijk gezag. Hij kan in het ziekenhuis geen medische beslissingen voor Willem nemen, geen bankrekening voor hem openen en zelfs op school geen of­ficiële handtekeningen zetten.

En mochten Sonja en ik komen te overlijden, dan valt het gezag niet automatisch aan hem toe, maar aan onze ouders. Hoe we het wel willen hebben, moeten we apart vastleggen bij de notaris. We voelen ons er boos over. Net als over het feit dat voor Joost bij wet geen dag vaderschapsverlof is geregeld.

De situatie had al anders kunnen zijn als het vorige kabinet een duidelijk advies van een staatscommissie (maak gezag voor drie of vier ouders mogelijk) niet naast zich neer had gelegd. Treurigstemmend, helemaal omdat de meeroudergezinnen er allang zijn. Als uitkomst van een scheiding of als beginkeuze zoals bij ons. Nederland zou gidsland kunnen zijn, maar twijfelt tergend lang. Tienduizenden huishoudens wachten op een echte oplossing.

Ondertussen genieten we niet minder van onze knappe zoon. De onderlinge samenwerking van de drie ouders blijkt ook onder stress nog harmonieus. Willem is inmiddels drie maanden oud en lijkt het prima naar zijn te zin te hebben. Al is hij soms nog wat moeilijk te verstaan als hij zijn complimenten over de dienstverlening in zijn twee woningen probeert over te brengen. Maar de opzet lijkt geslaagd: in zijn wieg slaapt een mannetje met drie ouders, een legioen opa’s en oma’s en vooral een hele hoop liefde om zich heen.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden