José Luís Peixoto: Het pianokerkhof

Meulenhoff, euro 22,90
Vertaling: Piet Janssen

Toen zeven jaar geleden het romandebuut van de Portugese schrijver José Luís Peixoto (1974) in vertaling verscheen, wist ik meteen dat ik die jongen in de gaten moest houden.

In dat debuut, De blik, schilderde hij, aan de hand van wonderlijke, surrealistische personages, het rauwe dorpsleven in de verzengende hitte van de Alentejo (zijn geboortestreek). Met deze immens melancholieke roman, bekroond met de José Saramagoprijs 2001, vestigde Peixoto in Portugal meteen zijn naam als het grootste literaire talent van zijn generatie.

Zeven jaar later blijkt dat talent nog immer in ontwikkeling te zijn als het gaat om vormprocedés en poëtische verbeeldingskracht. De roman Het pianokerkhof (2006) is, net als De blik, een verhaal dat het niet van de plot moet hebben, maar van de intensiteit van de taal en de fysieke, zintuiglijke beschrijvingen van de scènes. De zinnen van Peixoto hebben de geladen eenvoud waar ik ook zo van houd in het werk van een schrijver als Pavese.

In Het pianokerkhof laat hij drie vertellers afwisselend aan het woord. Drie mannen uit drie generaties van de familie Lázaro. Hun bestaan speelt zich af in een even hechte als conflictueuze familiekring, en rond de timmermanswerkplaats in Lissabon waar men van vader op zoon gespecialiseerd is in het restaureren van piano's.

Peixoto maakt er geen geheim van dat dit pianokerkhof symbolisch is voor het onderliggende thema van zijn roman. Niet alleen zijn piano's instrumenten die vaak van generatie op generatie worden bespeeld, ook worden ze gerestaureerd door goede onderdelen van versleten exemplaren te gebruiken. Het is precies die continuïteit, die onverbrekelijke cyclus van leven en dood, die Peixoto hier wil verbeelden. Dat in het openingshoofdstuk de grootvader sterft op ongeveer hetzelfde moment dat een kleindochter wordt geboren, is dan ook geen toeval. Evenmin dat zijn zoon, de marathonloper, op de Olympische Spelen van Stockholm in 1912 van uitputting overlijdt, terwijl diezelfde avond diens vrouw in Lissabon van een jongetje bevalt.

Zo mengt Peixoto in deze roman een melancholiek besef van vergankelijkheid met het optimisme dat een nieuwe generatie de fakkel verder door het leven zal dragen, en een nieuwe uitvoering zal geven aan de dromen van de voorgangers.

De afwisselende vertelstemmen en de door elkaar heen lopende tijden en perspectieven maken van Het pianokerkhof een labyrintische roman waarin niet altijd meteen duidelijk is welke verteller precies aan het woord is. Ik vermoed dat Peixoto dat diffuse vertelperspectief met opzet heeft gezocht om daarmee eens te meer het gevoel te versterken van een doorlopende geschiedenis, vol rituelen die zich herhalen en liefdesavonturen van zonen die lichtjes variëren op de amoureuze geschiedenissen van hun vaders.

Dat de grootvader ook na zijn dood als verteller optreedt in zijn rol als alziende getuige van het familieleven dat zonder hem verdergaat, is een vormvondst die bijdraagt aan deze verbeelding van de onverbrekelijke cyclus van leven en dood.

Een mooie vormvondst is ook dat Peixoto een kleine honderd bladzijden in de kop van de marathonloper duikt die zijn kilometers wegvreet in de omgeving van Stockholm, terwijl zijn gedachten en herinneringen van de hak op de tak springen tussen hier en daar (Lissabon), tussen toen (de herinnering aan zijn stormachtige verliefdheid op zijn vrouw, die inmiddels hoogzwanger is) en nu ('Zoals we hier door de straten van Stockholm rennen, zo rennen we ook binnen onszelf.'). Meesterlijk verbeeldt Peixoto dan in het slothoofdstuk hoe de familie in Lissabon aan de radio zit gekluisterd voor het liveverslag van zijn fatale race.

Het pianokerkhof is bepaald geen strandlectuur. Tegelijkertijd excelleert Peixoto in talloze lyrische liefdesscènes, die je associeert met zwoele avonden in de duinen: 'Ik schoof haar jurk verder omhoog en mijn handen pakten haar middel vast alsof haar huid brandde, alsof haar huid brandde, brandde. Ze brandde. (...) Ik hield haar vast in mijn armen, onder mij, en ik in haar, en zij werd vanbinnen vuur, werd vuur, vuur. Ze brandde.' (ALLE LANSU)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden