PlusInterview

Jorie Horsthuis schreef dit boek om haar doodgeboren tweelingzusje te laten bestaan

Jorie Horsthuis: ‘Er was ruimte voor blijdschap dat ik er was, niet voor verdriet vanwege mijn zusje, althans niet voor de buitenwereld.’ Beeld LinelleDeunk
Jorie Horsthuis: ‘Er was ruimte voor blijdschap dat ik er was, niet voor verdriet vanwege mijn zusje, althans niet voor de buitenwereld.’Beeld LinelleDeunk

Over haar doodgeboren tweelingzusje werd niet gepraat in het gezin van Jorie Horsthuis (39). En dat knaagde. ‘Soms schaam ik me dat ik hier een heel boek over schrijf.’

Twintig minuten is Jorie Horsthuis aan het woord als opeens de tranen in haar ogen schieten. Het gaat over haar moeder. Gisteravond stuurde die een foto van een kaartje dat ze schreef aan de dame die tegelijk met haar in het ziekenhuis lag, in 1981, allebei zwanger van een tweeling. Maar bij de bevalling kwam toen alleen Jorie Horsthuis levend ter wereld – haar zusje niet.

Een emotionele spagaat dus: dolblij met die kleine Jorie, diep bedroefd over haar zusje, die het niet redde. Het werd een taboe in het gezin, er werd niet over gesproken of héél voorzichtig. Toen Horsthuis zes was, vertrouwde haar moeder snikkend de naam van haar zusje toe met de klemmende toevoeging: nooit aan iemand vertellen.

Jarenlang werd haar zusjes bestaan min of meer genegeerd, totdat Horsthuis steeds meer ging beseffen dat ze toch echt een halve tweeling is. De helft van iets, ben je dan incompleet? En kun je iemand missen die je nooit hebt gekend? Op zulke vragen probeert ze antwoord te geven in haar boek Noem haar naam: het resultaat van haar zoektocht naar haar zusje, maar ook naar het ingewikkelde rouwproces waarin het gezin terechtkwam.

En toen kwam die foto van een ansichtkaart, met kriebelige letters, zorgvuldig gekozen woorden. Over dat haar dochter een boek gemaakt heeft waar ook die andere tweelingmoeder in voorkomt – dat ze het weet. En over hoe de worsteling van haar dochter eigenlijk het moeilijkst is van dit allemaal. En dat ze dat nooit goed beseft heeft, tot onlangs.

Journalist en politicoloog Horsthuis: “Ik realiseerde me weer dat ik mijn moeder met het schrijven van dit boek ook pijn heb gedaan. Ze heeft een dochter verloren, maar ook nagelaten om dat met haar andere dochter goed te delen. Dat is voor haar zó verdrietig. En voor mij ook, want ik wil haar geen pijn doen.”

Wanneer werd dit voor u een thema?

“Ik denk dat het altijd al een thema voor me was, zonder dat ik me dat echt realiseerde. Erover praten kon niet, dus drukte ik het weg. Maar er was altijd een onbestemd gevoel. Niet iets om eindeloos over te prakkiseren, geen slapeloze nachten, maar toch: iets. Af en toe kwamen de gedachtes.”

Wat voor gedachtes?

“Zouden we vriendinnen zijn geworden? Hadden we veel ruzie gemaakt? Was ik een ander mens als zij er was geweest? Ja, natuurlijk. Ik ben altijd behandeld als autonoom, een eenling. Nooit als onderdeel van twee. Maar dat ben ik wél. Met die identiteit worstelde ik. Toen ik dertig was, kregen vrienden een doodgeboren kindje. Maar toen ik ze vervolgens over mijn zusje vertelde, kon ik hun vragen helemaal niet beantwoorden. Waar ze aan gestorven is. Of ze gecremeerd is, en waar dan? Ik wist helemaal niks. En dat voelde niet juist.”

Was u nog iets aan haar verplicht?

“Zo kun je het zeggen. Ik vond het moeilijk dat ze werd weggestopt alsof ze niks betekende. Mijn ouders hadden natuurlijk veel verdriet om haar – ze waren er niet nonchalant over – maar niemand sprak er met mij over. Toen ik dat wilde onderzoeken en dus ons taboe wilde doorbreken, was dat lastig voor iedereen. Mijn broertje bijvoorbeeld, die was bang dat ik de harmonie ermee zou verstoren. Bovendien vond hij het overdreven. Want hoe kun je nou iemand missen die je nooit hebt gekend? Waarom is dit nou zo erg?”

Ja, waarom eigenlijk?

“Die vraag is het uitgangspunt van het boek en ik kan hem nog steeds niet beantwoorden. Soms schaam ik me dat ik hier een heel boek over schrijf. Op een bepaalde manier is dit toch heel klein leed? Maar toch moest het. Achteraf realiseerde ik me ook dat ik niks meer kan vragen als mijn ouders er niet meer zijn. Je kunt te laat zijn. Dat geldt trouwens voor veel thema’s, ook voor andere taboes in gezinnen. Ik wilde door dit te onderzoeken iedereen de kans geven om dit anders aan te pakken. Waarom moest het een taboe zijn?”

Was het een opluchting om het van u af te schrijven?

“Enorm! Maar nu komen we in een volgende fase. Het boek is af en dat dwingt mijn ouders om opnieuw te praten met familie, vrienden en andere mensen die er toen bij waren. Mensen die er toen niet de juiste woorden voor hadden óf zich niet vrij voelden om die te zoeken omdat mijn ouders de boot afhielden. Nu gaan ze in gesprek – en dát was misschien wel de bedoeling.”

Want uw devies is: praat erover?

“Dat hadden we meteen moeten doen, denk ik. Mijn ouders waren teleurgesteld in de buitenwereld. Niemand die iets vroeg, of als ze iets vroegen, was het verkeerd. En als niemand het snapt, dan zoeken we het wel bij onszelf. Maar nu snap ik hoe ze daar zelf aan hebben bijgedragen door een drempel te creëren. Ze stond niet op het geboortekaartje, ze werd niet genoemd. Er was ruimte voor blijdschap dat ik er was, niet voor verdriet vanwege mijn zusje. Althans, niet voor de buitenwereld.”

Neemt u uw ouders iets kwalijk?

“Ik zou hun aanpak niet adviseren maar ik begrijp ze heel goed. Ze kozen ervoor om er geen aandacht aan te geven en het verdriet alleen samen te bespreken, ’s avonds, met z’n tweeën. Tegenwoordig is het advies: geef aandacht aan allebei, de vreugde en het verdriet. Maak herinneringen, zet ze samen op het kaartje, zorg dat je later kunt teruggrijpen naar iets.”

Had dat het later makkelijker voor u gemaakt?

“Daar heb ik veel over nagedacht. Dat kunnen teruggrijpen op iets, dat heb ik wel gemist. Iets tastbaars, een foto van haar of een echo van ons samen. Maar ook nu ik naar tastbare dingen van haar ben gaan zoeken – en heb gevonden, dat lees je in het boek – weet ik nog niet goed wat ik ermee moet. Veel halve tweelingen noemen dat onbestemde gevoel, dat incompleet zijn. Maar ik twijfel wel een beetje over hoe allerlei psychische problematiek er vervolgens op wordt teruggevoerd. Bindingsangst, oké. Maar angst voor liften – nee sorry, daar ga ik niet in mee. Bepalender voor mijn leven is geweest dat ik er niet over kon praten, dat het een taboe was in mijn gezin.”

Alleen dat?

“Nou, iets wat ik er misschien wel aan over heb gehouden is een enorme drang om het goed te doen voor mijn ouders. Vanuit de gedachte: ze zijn de helft van mij al verloren, dus ik moet alles doen om ze gelukkig te maken. Daarom valt en viel het me zo zwaar tijdens het maken van dit boek om ze verdriet te doen. En daarom raakte dat kaartje me zo.”

Sinds vorig jaar kun je een doodgeboren kind laten erkennen.

“Ja, en dat hebben we nog niet gedaan. Ik betwijfel ook of we dat nog gaan doen, we zitten in een ander proces. Het over haar praten, een manier vinden om met elkaar te rouwen: dat geeft haar bestaansrecht. Het bureaucratische kan me dan minder schelen, hoewel het natuurlijk goed en belangrijk is dat het nu kán.”

We hebben haar naam nog niet één keer genoemd.

“Dat blijft een drempel, ik ben me er nog steeds enorm van bewust als ik dat doe. Het voelt alsof ik mijn moeder dan verraad. Maar eigenlijk ligt het anders: ik verraad niemand, ik laat mijn zusje bestaan. En met dit boek hoop ik dat ze nóg meer bestaat. Daar wil ik dit voor gedaan hebben.”

Jorie Horsthuis: Noem haar naam, Ambo|Anthos, €21,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden