PlusInterview

Joram Rookmaaker: ‘Ik voel geen onrust sinds ik rabbijn ben’

Joram Rookmaaker (49) van de Liberaal Joodse Gemeente is altijd op zoek naar verbinding en vernieuwing. Zo ontwikkelt hij ‘Judaism in a box’, een serie dozen gekoppeld aan joodse feestdagen. ‘Als je een abonnement neemt, krijg je een doos opgestuurd waarin alles zit wat je nodig hebt op die dag, inclusief instructies.’

‘Denk nooit: we laten het even want hoe erg is het nou, één baksteen door een ruit.’Beeld Hanna Snijder

Vrijdagavond, thuis in Amstelveen bij rabbijn Joram Rookmaaker en zijn familie. De tafel staat vol heerlijke gerechten. Dochter Yaela (8) heeft een vriendinnetje te eten. De meisjes zijn giechelig, Yaela wil haar moeder Rosaly niet helpen met het aansteken van de kaarsen. Zoon Doron (14) spreekt de beracha (zegening) uit over het gevlochten brood. Rookmaaker doet dat bij de zoete, rode wijn die hoort bij sjabbat. Er is ook andere wijn, wit en gekoeld. Er wordt niet gehaast gegeten, maar ook zeker niet getreuzeld want hij moet naar de synagoge van de Liberaal Joodse Gemeente (LJG) in de Rivierenbuurt, waar hij in januari 2019 werd aangesteld als rabbijn. Sinds de invoering van de coronamaatregelen doet hij de diensten via Zoom.

In de synagoge van de LJG – een groot grijs gebouw achter een hek – zijn later die vrijdagavond nog twee mensen aanwezig: een pianist en de chazzan (voorzanger). Via schermen opgesteld voor het spreekgestoelte komen tientallen leden binnen: jong, oud, stelletjes, gezinnen en mensen alleen. Ping, ping, ping. “Sjabbat sjalom”, “Sjabbat sjalom”, “Hoe gaat het met je?” Veel kletsen en lachen. Als Rookmaaker begint met de dienst wordt iedereen gemute. Hij verbindt het virus – ‘nog geen zicht op wat er gaat komen’ – met een bekende zienswijze uit het Midden-Oosten: de toekomst is achter ons en het verleden is voor ons. Ook in de bundel met achttien van zijn drasjot (uitleggende preken), verschenen ter gelegenheid van zijn aanstelling, lees je hoe hij vertelt over gebeurtenissen uit het nu, vaak persoonlijk, zonder de oude teksten uit de toon te doen vallen. Het boek is opgedragen aan Rosaly, Doron en Yaela, en aan Sarai, zijn dochter die in 2010 op 2-jarige leeftijd omkwam na een aanrijding.

Donderdagochtend, zes dagen later, thuis bij Rookmaaker die opgewekt oogt. Terwijl hij cappuccino’s maakt en bitterkoekjes op een schaaltje legt praten we over hoe hij invulling geeft aan de diensten. “In de betekenisgeving en de interpretatie pak ik veel vrijheid, maar alles wat ik zeg is gegrond in de klassieke teksten van de Tora. Met een grote en diverse gemeente als de onze is het voorzichtig bewegen. Het is niet alleen wat ik zeg, het zit ook in de rituelen, we hebben natuurlijk wel te maken met een traditie van meer dan tweeduizend jaar oud. Mensen sluiten zich niet alleen aan voor de religie, maar ook voor veiligheid, geborgenheid, een gevoel van thuishoren. Daarbij zijn rituelen belangrijk; ‘zo deden we het altijd’, dat geeft houvast.”

We gaan in de tuin zitten. “Het gevoel van thuishoren zit ook in het taalgebruik. Vandaar dat je in sjoel op zaterdagochtend uit de Torarol leest, in het Hebreeuws. Zo word je in een culturele context gezogen. We werken ook met vertalingen, anders kunnen we niet met elkaar communiceren, maar ik ga graag terug naar de basistekst omdat die grappig genoeg veel meer ruimte laat voor verschillende interpretaties dan de vertaling.”

Heeft u jong Hebreeuws geleerd?

“Op mijn zesde begon mijn moeder me woordjes te leren, in een schriftje dat ik nog heb, omdat ik het graag wilde leren spreken. Het was niet haar idee. Mijn ouders waren niet praktiserend toen ik opgroeide. Ik kom uit een typisch naoorlogs Joods-Nederlands gezin waarin de Shoah enorme sporen achterliet. Allebei mijn ouders zaten ondergedoken. Mijn moeder in een katholieke kostschool in België waar ze achterbleef na een mislukte vluchtpoging. Van haar familie kwam bijna niemand terug. Mijn vader bleef alleen achter met zijn moeder nadat mijn niet-Joodse opa, een beroepsmilitair, krijgsgevangene was gemaakt en werd vermoord in Mauthausen. Mijn oma – zelf Joods – had eerst onderduikers, tot de Gestapo haar op het spoor kwam en ze zelf een onderduikplek nodig had, steeds ergens anders.”

‘Ik zeg altijd: de vervolging en het antisemitisme zit niet verankerd in het jodendom, het zit verankerd in de antisemiet, in degene die kwaad wil doen.’Beeld Hanna Snijder

“Mijn vader kon later duiden wat de enorme impact was van de oorlog en de vervolging op hem en op het gezin, maar destijds maakte hij het mee als peuter. Hij ging van adres naar adres, om te overleven. Ze zaten een tijdje ergens ondergedoken met een tuin waarin hij een lapje grond had gekregen voor wat plantjes. Toen hij weer weg moest zei hij: ‘Ja maar, ik moet mijn plantjes verzorgen.’ Hij was toen vier.”

Hoe hangt dat samen met uw besluit u te verdiepen in het jodendom, tot het rabbijnschap aan toe?

“Ik kreeg een grotendeels christelijke opvoeding. De Joodse achtergrond werd niet ontkend, we vierden Pesach (Joods Pasen), er was binding met Israël, maar de Shoah kreeg de meeste aandacht. Een van mijn belangrijkste drijfveren om later verantwoordelijkheid te willen nemen is toen ontstaan, vanuit de gedachte: wacht eens even, het jodendom herbergt zoveel schoonheid en is zo betekenisvol geweest voor de vorming van de wereld – in de kunst, wetenschap, filosofie, enzovoort – maar het wordt overschaduwd door de ellende van de Tweede Wereldoorlog. Ik zeg altijd: de vervolging en het antisemitisme zit niet verankerd in het jodendom, het zit verankerd in de antisemiet, in degene die kwaad wil doen.”

Ik hoorde eens iemand zeggen: antisemitisme is als het herpesvirus. Het gaat nooit weg, maar als je gezond leeft, krijgt het minder kans de kop op te steken.

“Ja, en we kunnen lang speculeren waarom antisemitisme er altijd is geweest en waarschijnlijk nooit zal verdwijnen. Natuurlijk raakt me dat. Ik word er boos van en ik vind het volslagen achterlijk want we weten wat de gevolgen kunnen zijn. De hele samenleving moet daar verantwoordelijkheid voor nemen. Denk nooit: we laten het even want hoe erg is het nou, één baksteen door een ruit van een koosjer restaurant? Het zal wel een gek zijn. Nee. Je moet bijzonder scherp blijven ageren, omdat het anders van kwaad tot erger gaat. Maar laten we duidelijk zijn: dat geldt voor alle vormen van discriminatie en racisme.”

Maar alleen bij Joodse instellingen moeten ter beveiliging marechaussees met machinegeweren staan.

“Dat zoiets nodig is, is bizar. Tegelijkertijd moeten we ons blijven realiseren dat het wel écht nodig is. En helaas zal blijven, het is niet iets van even een tijdelijk verhoogd risico. Kijk alleen al op internet. Bij veel artikelen sla ik de comments over want ik weet wat voor vuilspuiterij er komt. Ik kies ervoor daar niet zoveel van mijn tijd aan te besteden. Liever houd ik me bezig met de rijke Joodse traditie, die ook in 2020 enorm betekenisvol is voor de Joodse gemeenschap.”

Blijkbaar slaat het aan, want het ledenaantal van de LJG in Amsterdam groeit gestaag.

“Daaraan werken rabbijn Menno ten Brink en ik samen, en ik doe het parttime want ik werk ook als krijgsmachtrabbijn. Maar inderdaad, de LJG heeft nu bijna tweeduizend leden en doorgaans, zonder pandemie, zijn er zeven dagen per week activiteiten, inclusief onderwijs voor kinderen. Daar zitten twee kanten aan: naast het lernen (leren) is het een leuke manier om jongeren met elkaar in contact te brengen, in de hoop dat er vriendschappen ontstaan. Vriendschap is belangrijk voor de samenhang in elke gemeenschap.”

‘Een Nederland zonder Joden klopt niet.’Beeld Hanna Snijder

“En via de kinderen onderwijzen we vaak ook de ouders. Naast de groep die helemaal in het jodendom is opgevoed en traditioneel leeft, zijn er heel veel mensen die elementen van het jodendom meekregen, maar voor wie het waarom en de context niet zo duidelijk zijn. Voor sommigen is bijvoorbeeld de drempel van de synagoge te hoog omdat ze het Hebreeuws niet machtig zijn of niet in God geloven en denken dat ze er dan niets te zoeken hebben. Terwijl dat geen problemen zijn. De vraag bij ons is niet hoe gelovig of vroom je bent, de vraag is hoe je invulling en betekenis wil geven aan je jodendom. Dat kan op vele manieren, de Joodse cultuur heeft niet maar één ingang.”

Ik heb een vriendin die Joods is. Dat speelde in haar opvoeding nauwelijks een rol. Nog steeds doet ze er niet veel mee, ze wil alleen dat alle gezinsleden op vrijdagavond thuis eten.

“Dit is precies de diversiteit die ik zo mooi vind. Alleen, ik zou met zo iemand graag het gesprek willen voeren: oké, wat maakt dat je wel vrijdagavond samen wil zijn, maar niet de rituelen doet. Is het een bewuste keuze, of is het angst of onwennigheid? Iedereen mag van mij zijn jodendom zo light mogelijk maken, maar als er ergens een wens is om meer te weten is het fijn als er iemand is bij wie je terecht kunt met vragen. Hoe je in je Joodse identiteit staat, blijft soms zoeken als minderheid in een meerderheidscultuur. Dat is een van mijn belangrijkste drijfveren om dit werk te doen.”

Hij pakt er een boek bij. “In 2010 heb ik dit gemaakt. Aan de vooravond van Pesach vertellen we het verhaal van de Uittocht uit Egypte. Dat gebeurt aan de hand van de Hagada: al eeuwenlang het boek waarin het script van die avond staat beschreven. Het hangt aan elkaar van rituelen, bijzonder ingewikkeld. Ik wilde dat script toegankelijk maken voor iedereen die aan tafel zit tijdens Pesach: traditioneel Joods, modern, Joods opgevoed of juist niet, de buren, niet-Joodse partners – zo zien die tafels er vaak uit. Daarom zocht ik verbinding met Paul Mijksenaar, de topvormgever, bekend van de rooting op Schiphol. Hem wilde ik hebben, want als iemand in staat is je naar je bagage te brengen als je doodmoe en jetlagged aankomt in Nederland kon hij misschien ook helpen de weg te vinden door een ingewikkeld verhaal. Dat is goed gelukt.”

“Nu ben ik bezig met ‘Judaism in a box’, een serie dozen gekoppeld aan joodse feestdagen. Als je een abonnement neemt, krijg je van tevoren een doos opgestuurd waarin alles zit wat je nodig hebt op die dag, inclusief instructies en uitleg.”

Een beetje zoals de blije doos die je van de gemeente krijgt vlak voor je bevalling?

“Dat idee. Vanuit dezelfde gedachte als de Hagada: het wegnemen van onzeker­heden. Mensen vinden dat prettig, denk ik. Toen ik de Hagada maakte, zei iedereen: als je er vijfhonderd laat drukken zit je goed voor vijf jaar. Na drie jaar waren we al voorbij de drieduizend. Het was voor mij de trigger het pad naar het rabbijnschap verder op te gaan.”

Het jaar dat u begon aan de Hagada, 2010, was ook het jaar dat jullie dochtertje overleed. Ongelooflijk dat u in staat was tot werken, helemaal aan zoiets ingewikkelds.

“Toen onze dochter omkwam, drong dat heel concreet de vraag op: ga ik dit doorzetten? In de shock na het overlijden stort je wereld in elkaar, hij wordt heel klein, we konden praktisch niets doen, alles stopte. Toch waren Rosaly en ik vastbesloten er samen doorheen te komen en het leven weer vorm te geven. Zij zette in Amsterdam een project op ter voorkoming van jeugdcriminaliteit en ik bracht de Hagada uit.”

“Een mentor van ons zei: dat met het sterven van jullie dochtertje zoveel dromen in je leven verdwijnen of stukgaan betekent niet dat je al je dromen stuk moet laten gaan. Terwijl een heleboel mensen zeiden: doe het niet, je moet alleen met rouwen bezig zijn. Ik ben blij dat ik het plan toch heb uitgevoerd. Het samenwerken was fijn, dat bood houvast. Vaak zat ik door mijn tranen heen te werken, maar de Hagada was wel in vijf maanden klaar. En gelukkig kregen we daarna, op Joods Nieuwjaar, onze dochter Yaela.”

Een paar jaar later maakte u de rabbijnenopleiding af. Kreeg dat een andere lading door wat jullie als gezin hebben doorgemaakt?

“Dat weet ik niet. Wat ik wel weet, is dat wij in de periode na haar dood noodgedwongen voelden wat de kracht is van de rouwrituelen van het jodendom, de kracht van de gemeenschap die om je heen staat, en ook van heel veel mensen buiten de gemeenschap. De rouwrituelen vragen om een sjiwwe, een periode waarin je thuis blijft en mensen naar jou toe komen. Dat heeft veel voor ons betekend.”

Beeld Privé archief

Het is even stil. Dan zegt hij: “Wat mijn werk betreft. Ik voelde altijd een onrust: what’s next? Dat heb ik niet meer sinds ik rabbijn ben. Niet zo gek eigenlijk. Ik vond bij mijn ouders op zolder een beroepskeuzetest. Op de eerste bladzijde moest je opschrijven wat je wilde worden. Ik schreef: journalist, psycholoog of rabbijn.”

Bent u ook psycholoog als rabbijn?

“Ja, en maatschappelijk werker, een beetje bestuurder, presentator, leraar, mediator, af en toe rechter. Het is echt een vertrouwenspositie. Bij defensie is die kant ook wettelijk verankerd, met verschoningsrecht en beroepsgeheim.”

Wat moet u doen als iemand sneuvelt?

“Gelukkig heb ik het nog niet meegemaakt, maar dan ga je erheen. De militair heeft recht op het afscheid dat hij wenst vanuit zijn al dan niet religieuze achtergrond. Geestelijke verzorgers krijgen daarom ook een militaire basisopleiding. Ik heb drie maanden getijgerd door de modder in een groen pak. Als niet bijzonder sportieve studiebol was het wel even wat, maar ik vond het echt fantastisch.”

Hoe vond u het om gecommandeerd te worden?

“De leidinggevende zei na afloop: je bent een slechte militair, maar een uitstekende geestelijk verzorger. Ik was niet goed in marcheren en bevelen opvolgen. Ik heb een kritische houding, jegens defensie, de wereld om me heen en ook jegens de Joodse traditie. De tien geboden, de Tora, de wetgeving, ze hebben niet als oogmerk dat wij Joden allemaal vroom gaan leven. Nee, ze hebben als doel het inrichten van een rechtvaardige samen­leving met oog voor de armen, oog voor de zwakken, oog voor degene die anders is; de ‘vreemdeling’. Staat allemaal letterlijk zo beschreven. Met dat in je achterhoofd houd je je aan bepaalde morele regels. Ik leg altijd de parallel met kasjroet, de Joodse voedingswetten. De waarde van koosjer eten is in mijn ogen vooral de realisatie dat je niet zomaar alles in je mond steekt. Je denkt eerst even na: kan ik dit eten, is het de bedoeling of goed dat wij mensen dit eten? Ben je eenmaal gewend dat je niet zomaar alles gedachteloos naar binnen schuift, is het ook veel evidenter dat je niet alles wat kan zomaar doet en zegt, dat je je afvraagt: hé, wat zijn de gevolgen van mijn woorden en daden.”

Ook altijd in relatie tot de niet-Joodse omgeving?

“Altijd. Joden leven gelukkig niet meer gedwongen in een getto, we zijn niet geïsoleerd. Ik vind zichtbaarheid van de Joodse gemeenschap belangrijk, want een Nederland zonder Joden klopt niet. Die zichtbaarheid kan nog wel een stuk beter. Bij de LJG hebben we ‘Leer je buren kennen’, een programma waarin we scholieren en studenten van alles vertellen over het jodendom en vragen naar het beeld dat zij ervan hebben. Keer op keer zien we dat ze totaal verwrongen ideeën in hun hoofd hebben, bijvoorbeeld over het aantal Joden in Nederland, dat het er miljoenen zouden zijn terwijl we met krap veertigduizend zijn. Het feit is dat de meeste Nederlanders buiten Amsterdam nog nooit een Jood hebben gezien. Ze hebben geen flauw idee, gaan af op wat ze weleens zien op televisie en denken daardoor dat we allemaal met grote zwarte hoeden, lange baarden, pruiken en rokken tot onze enkels rondlopen.”

Daarover gesproken, heeft u over dit soort onderwerpen – de verhouding tot de niet-Joodse omgeving, de invulling van de rituelen – contact met uw orthodoxe collega’s?

“Bij defensie zitten we bij elkaar, dus daar is overleg een vanzelfsprekendheid. Tot mijn spijt is binnen de Joodse gemeenschap weinig verbinding tussen orthodoxe en liberale rabbijnen; daar zouden we een slag kunnen maken. We denken anders over een aantal fundamentele onderwerpen – homoseksualiteit, de positie van de vrouw – maar ik geloof echt dat je een sterke eigen identiteit kunt hebben zonder iemand anders buiten te sluiten, ook binnen een gemeenschap. Sterker nog, hoe sterker je eigen identiteit, hoe makkelijker het is de verbinding met een ander aan te gaan want dan wordt het geen wedstrijd; je kunt elkaar in alle openheid ontmoeten. Zonder oordeel naar iemand luisteren hoort ook bij mijn taak, en het is ook wat ik probeer te doen. Mensen hebben echt meer gemeen dan dat we anders zijn, het zou veel normaler kunnen zijn vriendschappen op te bouwen in alle denkbare culturele tradities. We moeten niet zo angstig zijn.”

Zijn zoon komt thuis. Rookmaaker staat op om het tuinhek voor hem te openen. Als hij weer zit: “Dapperheid en moraliteit gaan me aan het hart. Soms is de lijn tussen goed en fout ingewikkeld, maar vaak is glashelder wat het goede is om te doen. Vervolgens is de vraag of je het durft. En als je niet durft, durf dat dan ook te zeggen. Ga niet het goede weg relativeren. Mensen raken soms in de war als ze het Oude Testament lezen, de Tora, met al die verhalen over gruwelijkheden, bedrog en misleiding: ‘Het is het heilige boek, hoe kan dat?’ Nee, zeg ik dan, het is een boek dat juist beschrijft wat de complexiteit van het leven is. En die complexiteit is dat wij geen heiligen zijn, dat we moeten proberen een moreel leven te leiden, dat we daar niet altijd in slagen en daar niet ons hele leven onder gebukt hoeven te gaan.”

Het altijd net iets beter proberen te doen, speelt dat hier thuis een rol in het dagelijks leven?

“Zeker. Wij zijn veel in gesprek, om ons in elkaar te verdiepen en beter te doen – niet beter in de zin van carrière of materiële zin, maar in morele zin, in de omgang met anderen.” Hij grinnikt. “Dat lukt niet altijd. Laten we het beeld niet scheppen dat ik het allemaal kan. Nee, het gaat erom dat je ernaar zoekt, het is knokken. Een rabbijn is net als andere Joden iemand die betekenis geeft aan zijn of haar jodendom. Ik heb alleen het voordeel dat ik me er de hele dag mee mag bezighouden. Maar dat maakt me op geen enkele manier beter of wijzer.”

Joram Rookmaaker
15 juni 1971, Utrecht

1983–1989 Gymnasium op het Corderius College, Amersfoort
1990–1993 Technische Bedrijfskunde, Universiteit Twente
1992–1997 Internationale Betrekkingen, specialiteit Midden-Oosten, Universiteit van Amsterdam
1998 Onderzoeker crisiscommunicatie
2000–2005 Projectmanager Rijksoverheid (democratisering en integratie)
2005–2015 Senior projectmanager Rijksoverheid (innovatietrajecten en organisatieontwikkeling)
2005–2008 Rabbijnenopleiding (eerste deel), Levisson Instituut 2015–2018 Rabbijnenopleiding (tweede deel), Levisson Instituut
2015 Aanstelling rabbinaal medewerker bij LJG Amsterdam 
2017–heden Krijgsmachtrabbijn bij defensie 
Sinds 2019 Rabbijn bij LJG Amsterdam en LJG Utrecht

Joram Rookmaaker woont met zijn vrouw Rosaly en kinderen Doron (14) en Yaela (8) in Amstelveen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden