Anneke Goudsmit: ‘Als er een Calmeyermuseum komt, moeten wel alle kanten ­belicht worden.’

PlusAchtergrond

Jodenredder of misdadiger? ‘Een Calmeyermuseum, van mij hoeft dat niet’

Anneke Goudsmit: ‘Als er een Calmeyermuseum komt, moeten wel alle kanten ­belicht worden.’Beeld Friso Keuris

De vader van de Joodse Anneke Goudsmit (86) wist zijn gezin op de Calmeyerlijst te krijgen, om hen voor deportatie te behoeden. Ze overleefden de oorlog, maar niet dankzij die lijst. ‘Onze onderduikouders hebben ons leven gered.’

Anneke Goudsmit was zich voor de oorlog nauwelijks ­bewust van haar Joodse identiteit. In de oorlog werd dat snel anders. Ze moest een ster dragen op haar kleding en werd naar een Joodse school gestuurd. “Mijn moeder vond dat vreselijk. Ze was een pessimist,” zegt de in 1933 in Amsterdam geboren Goudsmit, die met haar ouders en broer Eric op het Olympiaplein woonde.

Op de Joodse school had ze het naar haar zin. “Maar er waren vaak kinderen van de een op de andere dag weg. Verdwenen, gedeporteerd. Dat wisten we als kinderen. Het was een fact of life.” Ook haar vriendinnetje Dolly van Gelder was er op een dag niet meer. “De meester riep me bij zich om het me te vertellen. Ze is nooit meer teruggekomen.”

Toen Goudsmit negen jaar oud was, vertelde haar vader, advocaat, dat het gezin op de zogeheten Calmeyerlijst ­terecht was gekomen. Een plek op die lijst betekende voorlopige vrijwaring van deportatie. “De voorouders van mijn moeder waren van Portugese afkomst. Een reden om op die lijst te komen.”

Haar moeder, Ella Henriquez Pimentel, was een telg uit de familie De Benavente y Mallorca. De gedachte achter de Calmeyerlijst was dat Portugese Joden ten tijde van de ­Inquisitie zich gedwongen bekeerden en mengden met de plaatselijke bevolking op het Iberisch schiereiland waardoor ze niet meer Joods waren. In de oorlog probeerden de Portugese Joden, en ook andere Joden, via – vaak valse – papieren, stempels en getuigenissen aan te tonen dat zij niet meer Joods of half Joods waren. Weinigen die op de lijst stonden, doken onder, omdat ze zich veilig waanden. “Mijn vader vertrouwde het niet. Namen op de lijst werden vaak doorgestreept. Hij had geregeld dat iemand in de gaten hield of onze namen ook doorgestreept zouden worden.”

Zonder knuffels

Op 23 juni 1943, Goudsmit herinnert het zich nog goed, ­doken ze onder. “Mijn vader had een seintje gekregen dat onze namen waren doorgestreept. Onze onderduikadressen had hij al voorbereid. Mijn knuffels moest ik op de stoep neerzetten voor ons huis. Robbie en Teddy heetten ze. Die zou iemand later naar ons brengen. Dat is nooit ­gebeurd. Ik heb daar erg over gehuild.”

Goudsmit en haar anderhalf jaar oudere broer Eric gingen naar ‘tante Do en oom Jan’, een pasgetrouwd stel aan de Koninginneweg. Haar ouders Frits Goudsmit en haar moeder Ella doken elders onder. “Van de buren hoorden we dat een overvalwagen de volgende dag al voor de deur stond.”

In de huiskamer van Goudsmit hangt een levensgroot schilderij van haar destijds 88-jarige overgrootmoeder ­Rachel Henriquez Pimentel Oppenheimer. Het portret is geschilderd door Simon Maris, een neef van de bekende Haagse schilder Jacob Maris. “Wij wisten wel dat we van Portugese komaf waren. Mijn vader greep dat dan ook aan om op de Calmeyerlijst te komen. Mijn grootouders wilden niet onderduiken. Zij dachten dat het om werkkampen ging. Ze zeiden: Als Jahweh het wil…” 

Zij hebben de oorlog niet overleefd.

Na de oorlog ging Goudsmits vader aan de slag bij de Bijzondere Rechtspleging, de dienst die oorlogsmisdadigers en collaborateurs vervolgde. Over Hans Calmeyer werd nooit meer ­gesproken, wel over de even omstreden Friedrich Weinreb die Joden beloofde tegen betaling te behoeden voor deportatie. Goudsmit: “Hij was een oplichter, een slecht mens, zei mijn vader altijd. Die vroeg geld of seksuele gunsten om mensen naar een vrij gebied te krijgen, terwijl hij dat niet deed.”

Goudsmit is in 1953 rechten gaan studeren in Amsterdam en was jaren werkzaam als advocaat. In 1967 werd ze Kamerlid voor D66. Ze hield zich daar onder meer bezig met een gratieverzoek van de Drie van Breda, Duitse oorlogsmisdadigers die toen in Breda een levenslange gevangenisstraf uitzaten. Dat verzoek werd uiteindelijk afgewezen nadat de Kamer op initiatief van Goudsmit er een hoorzitting over had belegd. “Ik kreeg zeer emotionele brieven van mensen die niet meer sliepen en trauma’s hadden van de oorlog. Ik voelde me volksvertegenwoordiger en wilde hun stem laten horen.”

Nooit naar Duitsland

Calmeyer kwam eind vorige maand in het nieuws omdat er in zijn geboortestad Osnabrück plannen zijn een ‘vredesmuseum’ op te richten dat zijn naam zou krijgen. Goudsmit stuurde een kort briefje naar de opiniepagina van Het Parool. ‘Ik heb na de oorlog mijn vader nooit horen zeggen dat Calmeyer een oplichter of verrader was; van­ ­vele anderen zei hij dat wel. Of Calmeyer een huis met zijn naam verdient, weet ik niet. Gelukkig hoef ik daar geen oordeel over te geven,’ schreef ze.

Goudsmit: “Veel Joden kwamen destijds met valse ­papieren bij Calmeyer aanzetten. Dat hij een deel van de Joden afwees, kun je hem niet kwalijk nemen. Hij moest mensen weigeren om geloofwaardig te blijven. Zonder Calmeyer was iedereen op die lijst vermoord. Bovendien heeft hij meer mensen gered dan hij heeft afgewezen.”

Goudsmit, die uiteindelijk rechter bij het Amsterdamse Gerechtshof werd, zal de petitie tegen de naamgeving van het museum dan ook niet ondertekenen alhoewel er ook een streep door de namen van haar familie werd gezet. “De Duitsers moesten een bepaald aantal mensen op de trein zetten. Daar kon Calmeyer niets aan doen.”

Dankbaar is ze Calmeyer niet. “Onze onderduikouders ben ik dankbaar. Die hebben ons leven gered.”

Dat Calmeyer in 1992 is onderscheiden met de eervolle Yad Vashemonderscheiding vindt ze niet onterecht. “Om een goed oordeel te vellen zou ik het gehele dossier moeten lezen. Voor nu neig ik ernaar te zeggen dat het terecht is, in elk geval begrijpelijk. Hij heeft toch ook Joden ­gered.”

Van Goudsmit persoonlijk hoeft het museum er niet te komen. Ze zal het ook niet gaan bezoeken. “Maar als zo’n museum er komt, moet je wel alle kanten ­belichten. Je kunt de geschiedenis niet herschrijven.”

Petitie tegen een Calmeyermuseum

De Duitse stad Osnabrück wil een ‘vredesmuseum’ oprichten dat de naam van de omstreden Duitse ambtenaar Hans Calmeyer moet krijgen. Het museum, dat in 2023 open moet gaan, wordt gevestigd in Villa Schlikker, destijds het lokale hoofdkwartier van nazipartij NSDAP. Vorige maand is een petitie gestart tegen de naamgeving van dit ‘vredesmuseum’.

De in Osnabrück geboren advocaat Hans Calmeyer (1903-1972), die via de Wehrmacht een baan kreeg bij het Rijkscommissariaat van Seyss-Inquart, besliste in de Tweede Wereldoorlog over het lot van de Nederlandse Joden. Bij zijn bureau konden Joden met documenten aantonen dat ze niet-Joods of half-Joods waren. Calmeyer redde naar schatting ruim drieduizend Joden, ook al moet hij geweten hebben dat de documenten veelal vals waren. Hij keurde echter ook aanvragen af. Ongeveer twaalfhonderd Joden zijn daardoor vermoord in de kampen.

Historicus Lou de Jong bestempelde Calmeyer in zijn standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog als Jodenredder. In 1992 ontving Calmeyer de Yad Vashemonderscheiding voor het redden van duizenden Joden. In zijn geboortestad kreeg hij enkele jaren later een medaille en werd een plein naar hem ­vernoemd.

Zo’n 250 prominente politici, wetenschappers, kunstenaars, schrijvers en oorlogsslachtoffers hebben een petitie, gericht aan bondskanselier Angela Merkel, ondertekend waarin zij haar vragen af te zien van financiering van het museum als het naar Calmeyer wordt vernoemd. Onder de ondertekenaars bevinden zich oud-burgemeesters Job Cohen en Bram Peper, schrijvers Adriaan van Dis, Kristien Hemmerechts, Leon de Winter en Jan Terlouw, dirigent Jaap van Zweden, Gert-Jan Segers van de Christen-Unie en rabbijn Lody van der Kamp. De petitie is eind vorige maand aangeboden aan de Duitse ambassadeur in Nederland.

Ook kampoverlevende Femma Fleijsman-Swaalep (92) uit Amsterdam heeft de petitie onder­tekend. Zij werd in 1944 gedeporteerd nadat Calmeyer haar ondanks verwoede pogingen van haar katholieke vader toch als vol-Joods had aangemerkt. Zij kwam in Bergen-Belsen en zat in de ziekenbarak in Auschwitz-­Birkenau waar nazi-arts Josef Mengele gruwelijke experimenten uitvoerde.

“Die man verdient geen museum. Hij had nooit de Yad Vashemonderscheiding mogen krijgen. Hij was geen held. Hij heeft misschien veel Joden gered maar er ook veel op transport gezet. En ook door één leven te laten beëindigen, ben je al een oorlogs­misdadiger,” laat Fleijsman bij monde van haar zoon Henny weten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden