PlusInterview

Jente Posthuma: ‘Je eigen lafheid is moeilijk onder ogen te zien’

Jente Posthuma. Beeld Jitske Schols

Na haar succesvolle debuutroman voelde Jente Posthuma (45) een enorme drang zich te verstoppen. Toch verschijnt vier jaar later Waar ik liever niet aan denk. ‘Ik heb zo veel tijd verspild met stil zijn.’

Opeens stond Jente Posthuma schreeuwend in het gangpad van een supermarkt. Er ging een onhandig moment aan vooraf, zoals dat gaat, zeker in deze tijd. Een winkelwagentje en nog eentje en dat het dan niet past. Toen de ander begon te schelden, welde er een woede in haar op. Enorme woede.

Het bleef bij schreeuwen. “Gênant natuurlijk,” zegt ze nu, op een bankje aan de Amstel, “maar ik dacht ook ­meteen: waarom doet mij dit nu zoveel? Ik ben altijd bezig geweest met hoeveel ruimte ik inneem in deze wereld. Te veel, vond ik vaak, en daarom heb ik me aangeleerd mezelf zo klein mogelijk te maken. Nu werd ik juist aangesproken op hoe ik ergens te véél ruimte innam.”

Vier jaar geleden vulde Posthuma opeens een ruimte in literair Nederland. Haar debuutroman Mensen zonder uitstraling was een succes, met lof en goede verkopen. Nu is er een nieuw boek, Waar ik liever niet aan denk, over een vrouw wier tweelingbroer een einde aan zijn leven maakt door een rivier in te fietsen. Maar meer nog gaat het over menselijk contact, loslaten en vastklampen.

In 2014 beroofde haar schoonvader zich van het leven, precies zo: de rivier in gefietst. Samen maar haar man, fotograaf Bas Uterwijk, maakte Posthuma een fotoboekje over de dagen daarna: Probeer een beetje goed over me te denken (2016). “Ik was nog niet klaar met dat onderwerp. Ik dacht nog steeds aan hoe iemand zich voelt als hij echt het water in fietst. En over de praktische kant, jezelf verdrinken. Hoe doe je dat? Ik begreep en begrijp dat niet. Maar toch gaat het boek eigenlijk over iets anders.”

Waarover?

“Over hoe het voelt als de persoon op wie je altijd rekende er opeens niet meer is. Daarom heb ik een tweeling gebruikt, de meest symbiotische relatie die er bestaat. En over hoe zelfmoord voor de achterblijver – in dit geval de hoofdpersoon – kan voelen als de grootst mogelijke afwijzing. Zelf heb ik een symbiotische relatie met een van mijn zussen gehad. Nu is die goed, maar daarvoor is wel een pijnlijke verwijdering nodig geweest. Met eerst een onuitgesproken afwijzing – als je het mij vraagt is dat erger dan iemand confronteren, want als je je uitspreekt, ook al is het negatief, houd je tenminste contact. Daar heb ik uit kunnen putten voor wat er met de tweeling in dit boek gebeurt.”

Is het extra spannend om een boek te schrijven na zo’n goed ontvangen debuut?

“Een beetje. Toen mijn man de eerste versie las, zei hij: prima. En prima, dat is niet goed natuurlijk. Daar schrok ik heel erg van, maar nu zie ik dat er ook gewoon nog veel aan moest gebeuren. De hoofdpersoon voelde zich nog te veel het slachtoffer van de omstandigheden, van de broer die haar ineens liet vallen. Het moest ook meer over haar daderschap gaan, vooral over haar besef daarvan.”

Daderschap?

“Ja, over hoe hij op school gepest werd en zij het niet voor hem opnam, bijvoorbeeld. Dat is wel iets wat uit mijn eigen leven komt, want dat deed ik zelf ook niet toen mijn zus op de lagere school een jaar lang ontzettend door haar klasgenoten werd gepest. Dat is iets waar ik lange tijd ­liever niet aan dacht – vandaar ook de titel van mijn boek. Je denkt liever niet aan je eigen zwaktes. Sommige zwaktes zijn gemakkelijker onder ogen te zien dan andere, maar lafheid is wel een moeilijke, denk ik.”

Waarom nam u het niet voor haar op?

“Ik was gewoon te bang. Precies zoals ik in het boek beschrijf: ‘Van mijn lagereschooltijd herinner ik me voornamelijk angst.’ Ik had geen stevige basis in mezelf waar ik op terug kon vallen, die was ik al vroeg kwijt, dus ik wist niet wat ik moest doen om ’normaal’ over te komen. Ik was voortdurend bezig dat bij andere kinderen af te kijken. Doodvermoeiend vond ik dat. En daardoor hield ik me gedeisd, ging ik niet tussen mijn zus en die pestkoppen staan, sprak ik me niet uit.”

Durft u zich inmiddels wel uit te spreken?

“Daar heb ik lang over gedaan, maar nu wel, nu ik mijn toon heb gevonden. Toen mijn eerste boek uitkwam, heb ik ergens in een interview gezegd dat ik niet zo geëngageerd ben, maar terwijl ik dat zei, wist ik dat het eigenlijk niet meer zo was. Nu weet ik hoe ik iets moet zeggen, en ik besef dat mijn boeken daar de vorm voor zijn.”

Wat heeft dat veranderd?

“Het zorgt voor betrokkenheid. Mensen die angstig zijn, sluiten zich af in een cocon en voelen zich daarom minder verbonden met de wereld. Dat heb ik kunnen verbreken. Door te schrijven raakte ik meer verankerd met dit bestaan.”

Schrijven geeft u bestaansrecht?

“Eigenlijk wel. Als ik niet schrijf, dan bén ik er bijna niet. Maar eigenlijk mis ik, zoals veel mensen die wel hebben, de angst om er niet te zijn. Voelde ik dat maar, dan was ik misschien productiever. Ik ben eerder bang om er wél te zijn.”

Ook in het dagelijks leven, een praatje bij de bakker?

“Ja, ik ga mensen in het alledaagse contact liever uit de weg, ook om ze te sparen voor mijn ongemakkelijkheid. Er is een Turkse winkel in de Van Woustraat waar ik weleens kom en daar werkt een jongen die heel zenuwachtig is, maar wél een praatje wil maken. Dus dat doe ik dan, maar dan vertel ik te veel en wordt het nog ongemakkelijker. Zó ingewikkeld allemaal.”

Na het succes van uw eerste roman werd u wel geacht om er te zijn, mensen werden benieuwd naar u.

“Het deed me goed dat het zo enthousiast ­ontvangen werd, ook de aandacht die daarbij hoorde. Ik vond het leuk om over het boek te vertellen, of over mezelf, maar na een tijdje overviel me een enorme behoefte om me weer te verstoppen. De ruimte die ik kreeg, was groter geworden dan ik in durfde te nemen. Of misschien voelde ik mezelf groter worden dan ik comfortabel vond. Als ik een goede recensie las, wilde ik het liefst een deken over me heen trekken en even verdwijnen. Daarin ben ik tegenstrijdig: aan de ene kant ben ik bang om de wereld in te gaan, aan de andere kant ben ik bang om de wereld te missen. En bang om m’n stem te laten horen, maar ook bang om niet gehoord te worden.”

Dat klinkt ingewikkeld.

“Ik hoor of lees weleens interviews met jonge vrouwen, twintigers nog, die zo vanzelfsprekend staan voor wat ze zeggen, wat ze vinden. Dat heb ik heel lang niet gekund. Aan de ene kant ben ik blij voor ze dat ze dat wél al kunnen, maar ik word ook somber van het idee dat ik zoveel tijd heb verspild met stil zijn, met verstoppen. Dat hoeft nu niet meer, want ik heb m’n boeken. Daarin kun je me horen.”

Jente Posthuma: Waar ik liever niet aan denk, Uitgeverij Pluim, €21,99.

Jente Posthuma.Beeld Jitske Schols
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden