Plus Interview

Janneke de Bijl: ‘Als ik de ­regels negeer, weet ik het niet meer’

Vandaag verschijnt Pogingen tot zomer van cabaretier Janneke de Bijl (37), een boek met observaties die haar debuutvoorstelling niet haalden. ‘Ik heb een onderkoelde antistijl die blijkbaar aanslaat.’

Beeld Sevilay Maria van Dorst

Twee van de 573 observaties in het boek Pogingen tot ­zomer gaan over Eddie, het hoofdpersonage uit de televisiecomedy Vrienden voor het leven. “Ik ben met die serie opgegroeid,” zegt Janneke de Bijl. “De grappen lagen er wat te dik bovenop, maar ik vond het leuk dat Eddie zo sullig was. Hij had zo’n fijne blik die zei dat hij het ook allemaal niet zo goed wist. Soms gooide hij met een dobbelsteen om te ­bepalen wat hij zou gaan doen of zeggen. Dat heeft iets heel kinderlijks. Je geeft je over aan toeval, terwijl ik zelf altijd probeer om alles in de hand te houden.”

Pogingen tot zomer begon in 2016 als het blog Hoge verwachtingen. “Ik speelde toen vaak in Toomler, maar ik heb ook ideeën die zich niet goed lenen voor stand-up. Zinnetjes of stukjes waar geen echte grap in zit, maar die ik wel de moeite waard vind. Ik schrijf ze voor het ontbijt. Ik vind het een fijne manier om de dag te beginnen, ­omdat ik het voor mezelf doe en ik me daarom iets vrijer voel dan wanneer er direct publiek bij zit.”

Wat is het doel van die stukjes?

“Ik schrijf op wat ik wil opschrijven, maar als ik ga selecteren voor mijn blog of voor dit boek, kijk ik wel of er een mooie zin in zit of iets waarvan ik denk dat mensen het zullen herkennen. Het is geen exhibitionistisch boek. Ik vind niet dat mensen maar alles moeten weten wat er in mij ­omgaat. Tegelijk is het natuurlijk wel erg persoonlijk. Mijn vader is lang geleden overleden, dus daar hoef ik nu geen heel boek aan te wijden, maar het zit er wel in. En wat ik schrijf, zegt veel over hoe ik naar de wereld kijk. Mijn ­redacteur kwam met de term grijsgallig. ‘Eigenlijk is het zwartgallig,’ zei ze, ‘maar je hebt ook iets vergeefs ­optimistisch.’ Dat vond ik wel treffend.”

In één van de stukjes schrijft u: ‘De wereld zou zo veel mooier zijn als iedereen meer discipline en een hogere mate van zelfkwelling zou hebben.’ Hoe serieus is dat?

“Dat is natuurlijk niet waar, maar het zou voor mij wel prettig zijn. Ik zit op tennisles en dan zijn er mensen die één keer komen en dan weer drie keer niet. Dan denk ik: hoezo? Ik vind dat jammer. Mensen in mijn omgeving hadden veel werkambities, maar dat lijkt bij sommigen een beetje weggesijpeld. Ze hebben de focus ergens ­anders op gelegd. Hun gezin, of zo. En daar zijn ze best ­gelukkig mee hoor; het is helemaal niet zo dat ik ­gelukkiger ben dan zij. Maar als ik ergens aan begin, wil ik er ook echt mee doorgaan en er goed in worden. Het moet niet half.”

U legt zichzelf veel regels op.

“Ja. Vroeger gingen mensen naar de kerk. Daar kon je een hekel aan hebben, maar je hoefde niet te bedenken wat je met die tijd ging doen. Nu moeten we ons leven zelf inrichten en zelf bepalen wat belangrijk is. Ik denk dat veel mensen daar zoekende in zijn. Dan volgen ze een dieet of ze gaan sporten, maar er is geen hogere macht die bepaalt dat ze dat móeten doen. Dus na een tijdje laten ze dat weer los en zoeken ze iets anders. Ik merk het ook bij mezelf. Al hoef ik ’s ochtends nergens heen, ik zet altijd de wekker om acht uur. Dat kan ik natuurlijk best een keertje niet doen, maar dan vind ik het ingewikkeld worden. Als ik de ­regels ga negeren, weet ik het niet meer.”

Benijdt u mensen die daar minder over nadenken?

“Zeker. Mijn vriend is bourgondischer van aard. Dat vind ik een verademing. De meeste mensen herkennen overigens wel iets van mijn gedachten. We willen allemaal vrij zijn, maar vrijheid is ook ingewikkeld. Ik gedij bij structuur. Ik heb en wil geen kinderen, maar bij vrienden die ze wel hebben, denk ik soms: zij hebben het best makkelijk. Ze hoeven niet na te denken over wat ze gaan doen. Ze moeten gewoon voor dat kind zorgen. Een beetje hetzelfde als met de honden uitlaten: het is best wel saai, ik heb er vaak geen zin in, maar ik doe het wel, want het moet. Dat geeft houvast.”

Dieren zijn vast ook niet zo bezig met structuur.

“Dat denk ik ook niet. Ze hebben natuurlijk wel hun vaste dingetjes en ze vechten met elkaar, maar ze gaan daarna geen commentaar leveren op zichzelf. Ik geloof niet dat mijn katten ooit denken: is dit nu mijn leven, zit ik me weer te wassen. Dat is wel het ultieme wat mij betreft: geen doel hebben en je daar helemaal oké bij voelen.”

Nog een quote: ‘Licht bezwaard is mijn basisemotie.’

“In mijn voorstelling zing ik: ‘Licht ­bezwaard, licht ­bezwaard, er mogen zijn, dat ligt niet in mijn aard.’ Ik vind het moeilijk om ruimte in te nemen. Uit een soort ­bescheidenheid, denk ik. Ik ben geen diva die een kamer binnen komt stormen. Toen de serveerster net de doos thee voor mijn neus hield, voelde ik direct druk om snel te kiezen. Ik denk niet dat ik daar alleen in ben, maar ik heb wel veel van dat soort gedachten. Vorige week was ik bij de kapper en dan ben ik bang dat zij denkt dat ik mijn haar niet leuk vind. Dan reageer ik overdreven enthousiast omdat zij zich anders misschien rot voelt. Terwijl ik haar betaal. Ik heb de neiging voor anderen te denken.”

Is het dan niet maf dat u comedian bent geworden?

“Ik denk niet dat vrienden van de middelbare school het logisch vinden dat ik op het podium ben beland, nee. Ik voel me ook meer schrijver dan comedian. Dat gaat me natuurlijker af. Maar ik heb wel een vorm gevonden die goed werkt. Tijdens mijn theateropleiding zag Sanne ­Wallis de Vries er al snel iets in. En toen ik voor de derde keer optrad tijdens het open podium van Toomler, kwam Jan Jaap van der Wal al naar me toe. Ik heb een onderkoelde antistijl die blijkbaar aanslaat.”

Wat vindt u leuk aan stand-up?

“Dat je lekker kunt afbranden. Ik heb een anekdote over het verschil tussen mensen met kinderen en mensen met honden. In mijn cabaretvoorstelling volgt daarna een lied over wat daaronder zit, dat vriendschappen zo veranderen als mensen kinderen krijgen, maar die emotie zou ik nooit in mijn stand-up gieten. Dan moet het gewoon hard. Ik krijg vaak naar mijn hoofd dat ik echt kinderen moet nemen, alsof je iets in jezelf ontkent door het niet te ­willen. Daar ga ik op het podium graag tegenin. Dat het ­normaal is om te zeggen dat je een hond vies vindt, maar je als vrouw eigenlijk niet kunt zeggen dat je kinderen vies vindt. Terwijl kinderen echt bést wel vies zijn. Laatst was mijn schoonzusje op bezoek, had haar kind de bank ondergekwijld. Moest ik mijn hele bank schoonmaken voordat de hond er weer op kon.”

Janneke de Bijl, Pogingen tot zomer, Nijgh & Van Ditmar, €20. De voorstelling Zonder zin kan het ook is op 17, 18 en 19 september te zien in Theater Bellevue en op 27 en 28 ­(première) oktober in De Kleine Komedie. 

Bio

Janneke de Bijl werd geboren in Den Bosch. Ze studeerde filosofie in ­Groningen en begon daarna aan de theateropleiding Studio Selma ­Susanna in Amsterdam, waaraan ze in 2012 cum laude afstudeerde. Sinds 2016 is ze vast lid van Toomler. Een jaar later won De Bijl zowel de jury-als de ­publieksprijs van het cabaretfestival ­Camaretten. Vorig jaar werd ze door de Volkskrant uitgeroepen tot comedytalent van 2019. De Bijl woont samen met haar vriend, twee honden en twee katten in Hilversum. 

Beeld Sevilay Maria van Dorst
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden