PlusInterview

ITA-directeur Van Ransbeek: ‘Angst is eerder een groen dan een rood licht’

Wouter van Ransbeek. Beeld Jitske Schols
Wouter van Ransbeek.Beeld Jitske Schols

Wouter van Ransbeek (43), directeur van Internationaal Theater Amsterdam, mist het reizen, zijn ‘noodzakelijke zoektocht’. Maar de coronacrisis brengt hem ook rust, details vallen weer op. ‘Rennen en vliegen is wandelen geworden. We kijken weer om ons heen.’

Voor Wouter van Ransbeek, directeur van Internationaal Theater Amsterdam, was 2020 het jaar van de vertraging. Opeens zag hij in zijn omgeving dat het geloof in vooruitgang tot stilstand kwam. “We leven in een tijd dat ons rennen en vliegen weer wandelen werd, maar die vertraging juist ons oog voor detail scherpte en zorgde voor een diepere verbondenheid met onze directe omgeving. Goethe schreef ooit: ‘Nur wo du zu Fuss warst, bist du auch wirklich gewesen.’ Die tijd wordt ons nu gegund.”

Van Ransbeek (1977), geboren in Vlaams-Brabant in België, kwam in 2006 naar Amsterdam. Hij had toen al in Wenen, Keulen, Berlijn en Stuttgart gewoond, en was voor zijn werk – programmeur van internationale theaterfestivals – eigenlijk altijd onderweg geweest. Hij bezocht voorstellingen in de hele wereld, en plande met gezelschappen tournees naar Europa. Ivo van Hove, directeur van wat toen nog Toneelgroep Amsterdam heette, vroeg hem in 2005 of hij tot zijn gezelschap wilde toetreden, om de internationale ambities te verwezenlijken en jonge talenten aan de groep te verbinden. In 2018 fuseerden onder Van Ransbeeks leiding de Stadsschouwburg met Toneelgroep Amsterdam. Sindsdien heet zowel het gezelschap als het theater Internationaal Theater Amsterdam (ITA).

“Alles wees erop dat we gingen oogsten: er kwamen in 2019 al 45.000 bezoekers meer naar ITA dan ooit. We konden ons echt gaan richten op het artistieke deel van de fusie. Opeens stond alles stil. De strakke programmering maakte plaats voor improvisatie. Dat was omschakelen. Wat is theater zonder publiek? Zonder die ervaring er op dat ene moment bij te zijn?”

Wat heeft u gedaan?

“We hebben, zodra we open konden, aangepaste programmering gemaakt. Voor de zomer speelden we monologen, voor een klein publiek. Met genoeg ruimte om de veiligheid te garanderen. In de herfst hadden we net een aantal grotere premières achter de rug en toen kwam de tweede lockdown.”

U lanceerde ook ITALive, zodat uw publiek naar een livestream van de voorstellingen kon kijken. Hoe ging dat?

“ITALive hadden we al anderhalf jaar in ontwikkeling. In het buitenland werd al jaren zo gewerkt, vooral in de operawereld, met liveregistraties die overal in de wereld bekeken kunnen worden. Ik wist van mijn collega’s bij de Comédie Française en het Nationale Theatre in Londen dat de bijvangst groot is: een groot deel van het thuispubliek is nieuw publiek dat zelden of nog nooit naar een theater is geweest. De drempel bleek enorm verlaagd, door de goedkopere prijs van een kaartje en ook doordat toneel nu kon worden bekeken zonder de barrière die veel mensen toch nog altijd ervaren als ze een theatergebouw betreden.”

Elk nadeel…

“Wij hadden gelukkig al veel knowhow op dit gebied, ook omdat Ivo van Hove en Jan Versweyveld vaak werken met filmische elementen in hun voorstellingen. We hebben in de herfst een team gevormd van eigen mensen en ingehuurde specialisten en zijn de regie van de livestreams filmisch gaan benaderen – zodat het minder statisch oogt. Die voorbereidingen duurden zo’n drie maanden. We hebben daarna vijf voorstellingen gestreamd. Met één livestream haalden we bezoekersaantallen die we in de anderhalvemetersamenleving pas na 66 voorstellingen bereikt zouden hebben. Met dus nieuw publiek, en ook nog zo’n 20 procent uit het buitenland.”

“Als wij streamen, kijken er fans mee in landen als China, Frankrijk en Argentinië. Dwars door de tijdverschillen heen. Het idee alleen al dat wij in de schouwburg op het Leidseplein staan te spelen en dat duizenden kilometers verderop, ergens in Peking, in een flat, iemand om drie uur ’s nachts in bed naar ons ligt te kijken – dat is wat theater doet: mensen laten samenkomen. Op 3 maart spelen we om 11 uur in de ochtend Medea in de regie van Simon Stone. Dat wordt op hetzelfde moment door tweeduizend bezoekers in Taiwan als een avondvoorstelling in een schouwburg gevolgd. Een dag erna spelen we nog een keer – voor duizend man in Australië.”

En die ervaring van samen kijken? Wat blijft daarvan over?

“Theater is een ritueel. Een van de centrale punten is dat het live is, dat er ter plekke iets mis kan gaan, en een groep mensen op hetzelfde moment naar een andere groep mensen zit te kijken. Die aspecten blijven in de streams overeind. ITALive is ons derde podium geworden, na de grote zaal en de Rabozaal. Een podium waar we bij voorstellingen soms nu al meer dan zesduizend kijkers verwelkomen. Dat derde podium blijft dus – ook als straks de wereld weer opengaat.”

Maakt deze techniek de schouwburg niet overbodig?

“Beide vormen gaan naast elkaar bestaan. Theater is ook een rustpunt. Een plek waar je de controle los kan laten. Die behoefte groeit juist in een tijd waarin we over alles de regie hebben en alles oproepbaar is – we kunnen tegenwoordig de verwarming al aanzetten als we onderweg naar huis zijn. Theater betekent: deuren dicht, telefoon uit, en met onbekende mensen in een ruimte rustig en geconcentreerd kijken naar iets wat je niet kent of niet goed kent.”

U reisde zo’n 180 dagen per jaar voor uw werk. Dat was ook voorbij.

“Alles moest rigoureus anders. Dat heeft ook iets moois. Creativiteit is het loslaten van zekerheden. Uit de eerste schok in maart is veel ontstaan. Mensen blijken vindingrijk en daadkrachtig. 2020 werd zo ook het jaar van de verantwoordelijkheid. Het jaar van het besef dat we niet alleen meer toeschouwers en acteurs zijn in deze wereld, maar ook regisseurs. Dat we zelf verantwoordelijk zijn voor de tragedies van onze tijd. Het besef dat er in onze samenleving misschien iets te veel te veels waren. Te veel produceren, te veel vliegen, te veel consumeren, te veel rennen, te veel focus op onszelf.”

Jeugdfoto Wouter van Ransbeek. Beeld Eigen archief
Jeugdfoto Wouter van Ransbeek.Beeld Eigen archief

U heeft toch weleens gedacht: ik wil weer naar buiten, de vrijheid tegemoet?

“Ik had de afgelopen twintig jaar nog nooit langer dan twee weken achter elkaar in hetzelfde bed geslapen. Dan was ik naar Parijs, naar Berlijn, naar Peking. Vergeet niet dat ITA zo’n honderd voorstellingen per jaar over de grenzen speelt. Dat tikt snel aan. Aan de andere kant is voor mij reizen een noodzakelijke zoektocht. Zoals ik net al zei, is door deze crisis de grote vertraging ingetreden. Met als gevolg dat ik veel meer oog voor details heb. We zijn ons allemaal veel bewuster geworden van onze omgeving, van de wijk en de buurt waarin we wonen en leven. Ik zag een eend in het Vondelpark plotseling vier kleine eendjes krijgen. Ik zag ook de wreedheid van het leven toen op een dag nog drie kleine eendjes ronddobberden – die ene was opgevreten, vermoed ik.”

“Aan de andere kant mis ik natuurlijk ook het reizen. Verandering van omgeving en van cultuur is jezelf de ruimte gunnen om te veranderen. Ik heb het altijd fijn gevonden om mensen te ontmoeten die je niet kennen, zodat je zelf ook vergeet wie je bent. Wie zichzelf vergeet, moet zichzelf ook weer terugvinden en zo maak je groei door.”

U vertelde eerder dat u de wereld indeelt in goudzoekers en volgers. Wat bedoelt u daarmee?

“Goudzoekers reizen en kijken, ook voorbij conventies en modetrends. Ik werkte bij de Wiener Festwochen en die werden geleid door Marie Zimmerman. Zij was zo’n goudzoeker. Zij leidde een van de grootste festivals ter wereld en zei tegen mij toen ik daar begon: jij moet 170 voorstellingen per jaar, overal in de wereld, gaan bekijken. Ik was 24 jaar oud. Marie zei ook: ‘Bij het zoeken naar betekenis heeft jouw eigen smaak geen plek.’ Het gaat erom een goed begrip van een cultuur te krijgen. En begrip van de relevantie van dingen. Dat geldt nu ook voor de voorstellingen die ik bij ITA programmeer. Het gaat niet per se om wat ik mooi vind, maar om de betekenis ervan. Waar gaat het over? Waar komt het vandaan? Welke impact hebben ze?”

U sprak over het stilvallen van het geloof in de vooruitgang. Dat klinkt nogal somber, toch?

“We zijn zo gericht geweest op de toekomst, op de dag van morgen. Alles moest beter en sneller. Rennen en vliegen is wandelen geworden. We kijken weer om ons heen en zien de weg weer waar we tot voor kort alleen maar overheen raasden. Dat heeft ook een goede kant: het afgelopen jaar werden we gedwongen om te kijken met nieuwe ogen en hebben we definitief moeten beseffen dat we ruimte moeten maken voor nieuwe perspectieven en de ander.”

Kunt u iets vertellen over uw afkomst?

Hij lacht. “Dan moet ik dus echt graven… Ik kom uit een dorp in Vlaams-Brabant waar het stratenplan en het leven heel overzichtelijk waren. Als je door mijn dorp rijdt, zie je een lintbebouwing langs de grote weg van Aalst naar Brussel. Met een kerktoren, een school en een jeugdbeweging. Het interessante is dat ik als kind al de drang voelde om weg te gaan. Ik wist dat ik weg moest om mezelf te kunnen ontwikkelen.”

Dat idee groeide in uw puberteit?

“Al veel eerder – al begrijp ik zelf niet hoe dat kan. Mijn moeder kan nu nog smakelijk vertellen dat ik als 8-jarig jochie een keer werd teruggevonden in de wachtkamer op het station, met een ticket in mijn binnenzak voor de grote stad. Ik voelde me niet thuis op de plek waar ik was geboren. Wat er ook bijkomt: ik was dyslectisch. Ik heb mijn hele jeugd tussen de regels geleefd. Ik kon de wereld alleen maar leren kennen als die achter woorden lag, of naast woorden lag. Taal was de deur naar de wereld, en ik had die deur niet. Dan ga je naar andere deuren zoeken.”

“Nu doe ik daar mijn voordeel mee. Als ik in een vreemde stad rondstruin, kan ik altijd vertrouwen op mijn zintuigen. Ik begrijp de culturele context achter wat gezegd wordt. Ik vind de weg door te luisteren en te kijken. Mijn handicap is mijn rijkdom geworden. Wist je trouwens dat 70 procent van ons begrip niet op taal is gebaseerd? Dat merken we ook als we met ITA in het buitenland spelen. Eerst zit de zaal collectief naar de boventiteling te kijken. Maar na een kwartiertje laten mensen dat los, en begrijpen ze wat er speelt door te kijken en te voelen.”

Hoe kreeg u het voor elkaar om als student de persoonlijke assistent te worden van Gerard Mortier, destijds de peetvader van het internationale theater?

“Ik ging werken bij de Ruhrtriënnale, in Duitsland. Ik meldde me aan en er was een klik. Mortier was een totaalman. Artistiek tot op het bot en ook een manager. Voor mij persoonlijk was die periode een achtbaan. Het ene jaar studeerde ik politicologie in Gent en het volgende jaar ging ik met Mortier naar Peter Sellars in Los Angeles of haalde ik de door mij bewonderde videokunstenaar Bill Viola op het vliegveld af en mocht ik met hem een installatie maken. Dat was ongelooflijk. Al weet ik nu dat ik te jong was – 22 jaar – om de finesses te leren. Mijn periode met Mortier was de basiscursus. Ik was de schildknaap die nog ridder moest worden.”

En toen kwam dus Marie Zimmermann in Wenen…

“Ik woonde destijds in Keulen, en heb na mijn periode bij Mortier alle theaters en festivals aangeschreven die ik interessant vond. Zo belandde ik in Wenen bij de Wiener Festwochen, toen het grootste theaterfestival in de wereld. Met Marie had ik een fantastische kennismaking. Ze zei na ons eerste gesprek: ‘Ik heb geen baan, maar kom morgen terug en dan heb ik die baan wel.’ Die baan werd mijn studie theaterwetenschap en filosofie, maar dan in de praktijk. Marie was een onvervalste Duitse intellectueel. Zij leerde mij dat ik moest vertrouwen op mijn intuïtieve relatie met kunst. De rest zou ik later wel bijleren. We waren verantwoordelijk voor twee festivals – in Wenen en Theater der Welt in Stuttgart. We reisden vaak met de nachttrein. Bij elke rit gaf zij mij een boek en dan spraken we daar uren over.”

Zimmermann muntte in een artikel ook het begrip ‘jetlag van de ziel’. Ze pleegde in 2007 zelfmoord. Heeft u met al dat gereis nooit angst gehad voor zo’n jetlag van de ziel? Voor het gevoel op een gegeven moment nergens thuis te zijn?

“Het lichaam is aan te leren om de fysieke ongemakken van reizen weg te drukken, of ergens te parkeren. Maar psychologisch kan een reiziger ook verdwalen. Dat het hoofd niet meer meekomt en de ziel blijft hangen ergens in een terminal. Marie werd daarbij depressief. Haar dood heeft me geleerd dat een centrum belangrijk is bij het reizen. Iets wat alles bij elkaar houdt, iets waar je naar terug kan keren. Bij mij is reizen onderdeel geworden van wie ik ben, zeg maar een concrete invulling van mijn nieuwsgierigheid – al heb ik de afgelopen maanden een pas op de plaats moeten maken. We bevinden ons nu in een wereld waarin onze levens, die zich individueel afspeelden, plots samenvallen met de levens van vele anderen over de hele wereld. De angst om iets te missen verdween, omdat iedereen hetzelfde leek te beleven.”

Is dat uw grootste angst? Iets missen?

Keine Angst is de les die Marie mij meegaf. Dat angst eerder een groen licht is dan een rood licht. Mijn angst zit meer in wat ik wel of niet durf. Ik zou graag nog onconventioneler en vrijer zijn. Ik heb een goede jeugd gehad, met avontuurlijke ouders. Alleen de angst dat er iets mis kon gaan, beheerste wel hun leven. Ik ben met mijn ouders bijvoorbeeld nooit op reis geweest. We gingen één keer per jaar naar de zee, naar de Vlaamse kust. Als we naar Brussel gingen, parkeerde mijn moeder ver buiten de stad uit angst dat we geen parkeerplek meer zouden vinden.”

“De wereld wordt geleid door angst. Dat zou niet erg zijn als angst als een wichelroede wordt gezien. Maar weinig mensen durven onzekerheid toe te laten. Terwijl onzekerheid de basis is waaruit nieuwe inzichten en nieuwe kennis ontstaan.”

Die onzekerheid heeft door Covid-19 wel een steun in de rug gekregen…

“Dat is zeker zo. De dood zit ook plotseling weer aan de tafel. De dood werd een dagelijks getal in het nieuws. Daardoor zijn we er weer van doordrongen geraakt dat er een intieme en noodzakelijke relatie bestaat tussen de schoonheid van het leven en haar fragiliteit. Daar hoeven we niet bang voor te zijn. Ik had een vriend uit Nigeria op bezoek en ik vroeg hem naar de stand van zaken rondom corona in zijn land. Hij antwoordde: ‘It is just one of the diseases.’ Daar zijn de dood en de angst voor de dood gewoon deel van het dagelijkse leven.”

Bij Theater der Welt ontmoette u Ivo van Hove. Hij vroeg u in 2005 naar Amsterdam te komen. Inmiddels bent u 15 jaar verder. Wat biedt Amsterdam u?

“Mag ik mezelf al Amsterdammer noemen? Of ligt dat gevoelig?”’

Hoezo?

“Amsterdammers geven aan buitenstaanders vaak het gevoel dat ze een buitenstaander zijn. Nog altijd doen mensen mijn Vlaamse accent na, zomaar midden in een winkel. Dan vragen ze of ik uit België kom. Ik zeg dan altijd gekscherend dat ik Amsterdammer ben: ‘Ik was hier al in de 16de eeuw, nadat jullie de Schelde hadden dichtgegooid. Niet voor niets begon daarna de Gouden Eeuw…’”

“Serieus: ik voel me zeer verbonden met deze stad. Een dorp met wereldse allure. En het zeemansverleden zit nog in de poriën. Ik waan me hier een wereldburger, terwijl ik in twintig minuten van Noord naar Zuid fiets. Amsterdam is ook een snelle stad. Hier wonen de early adopters; niet voor niets worden de trends in de wereld in Amsterdam binnen de kortste keren geannexeerd. Dat heeft met de geschiedenis van het reizen te maken. Met de wens om rond te kijken. Al in de 16de eeuw kon je op het Rokin een ticketje kopen naar bestemmingen in alle hoeken van de wereld. Al had dat reizen, zo weten we nu, een schaduwkant.”

Aan welke Nederlandse eigenschap moest u het meest wennen?

“De directheid, natuurlijk. Feedback geven betekent hier alles zeggen wat je te binnenschiet. En dan het liefst het negatieve eerst. Ook opmerkelijk: de communicatie is vaak gericht op het proces, en niet zozeer op de inhoud. Het is hier bijna belangrijker hoe je iets zegt dan wat je zegt. O ja – en de lak aan autoriteit. Die is ongekend. Ik ken geen samenleving waarin het zo belangrijk is dat ieder individu dezelfde vrijheid of status heeft.”

Wat zegt u tegen de buitenlandse regisseurs die bij ITA komen werken?

“Les één: degene die leiderschap toont, is degene die luistert en iedereen de ruimte geeft voor zijn mening. Tweede stap, en dat is een mooie eigenschap: dit is het land van het totaalvoetbal. Dat betekent: hier heeft iedereen autonomie en kan iedereen elkaars positie innemen, zodat ze te allen tijde bezet zijn. En je kan in Nederland alleen mensen aansturen op basis van vertrouwen. En niet op basis van autoriteit. Leiderschap wordt je in dit land gegeven. Het is niet iets wat je kunt opeisen – ook niet als je de baas bent.”

U woont samen met zangeres en actrice Wende Snijders. U maakte met haar het poëtische en muzikale theaterprogramma Kaleidoscoop. Botsen de culturen dan ook weleens?

“Natuurlijk. Net zoals overal kunnen verschillen elkaar verrijken en met elkaar botsen. Wende en ik zoeken de grenzen op, ook thuis – en durven daarin ook de onzekerheid toe te laten. Maar we hebben het afgelopen jaar, waarin we veel meer samen thuis waren, vooral verbaasd naar de wereld om ons heen gekeken. We zagen hoe de mensen, veelal boos, onze wereld en werkelijkheid steeds minder feitelijk met elkaar deelden, maar emotioneel. Het leek steeds moeilijker om de snelle veranderingen en de diepe gevoelens die de maatschappelijke discussies opriepen te vertalen in een taal die iedereen leek te begrijpen. De grote emoties ontladen zich niet meer in clubs, kroegen of het culturele leven, maar op Twitter en in stemlokalen. Alle verantwoordelijkheid wordt buiten ons zelf gelegd.”

In 2021 zet die trend door, met de bestorming van Het Capitool. Hoe boksen kunst en theater daartegenop?

“Kunst kan echt helpen om de emoties van mensen te begrijpen, te ontladen. Wie de boeken leest van de Franse schrijver Édouard Louis, met wie ik voor ITA samenwerk, snapt wat de gele hesjes beweegt. Zijn persoonlijke verhaal legt de breuklijnen van de samenleving bloot. De moderne mens heeft de godsdienst ingeruild voor individualisme en zelfontplooiing. Maar er is natuurlijk ook een spirituele dimensie, en die dreigde verloren te gaan. Kunst vult die leemte in. Kunst biedt hoop, leert ons empathisch te zijn, geeft houvast bij rouw of geluk. Kunst werkt ook als een tijdmachine. Door naar een film te kijken of naar muziek te luisteren, kan je zomaar naast je 15-jarige zelf komen te zitten. Die begrijp je dan opeens beter. Waardoor je jezelf beter begrijpt. Door kunst krijg je voortdurend nieuwe ogen en is er altijd weer de vreedzame confrontatie met het onbekende.”

Op 22 januari is de volgende livestream van ITALive Weg met Eddy Bellegueule, de autobiografische succesroman van Édouard Louis.

null Beeld Jitske Schols
Beeld Jitske Schols
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden