Het Nederlands elftal, met links bondscoach Bert van Lingen, 1985.

Plus Achtergrond

In zijn tijd nam niemand het Nederlandse vrouwenvoetbal serieus

Het Nederlands elftal, met links bondscoach Bert van Lingen, 1985. Beeld -

Zaterdag voetballen de Nederlandse vrouwen op het WK tegen Kameroen, een wedstrijd die veel aandacht krijgt. Dat was in de tijd van oud-bondscoach Bert van Lingen (73) wel anders.

Nederland omhelst het vrouwenvoetbal deze zomer als een prille geliefde: de vrouwen van het Nederlands elftal worden bezongen in tv-campagnes, verzameld bij spaaracties van landelijke winkelketens en tijdens de uitzwaaiwedstrijd toegejuicht door dertigduizend toeschouwers in een stijf uitverkocht PSV-stadion.

Dat is wel­eens anders ­geweest, zegt Bert van Lingen, oud-bondscoach van het Nederlands elftal vrouwenvoetbal. “Toen ik het Nederlands elftal onder mijn hoede kreeg, dachten mensen dat er bij mij een steekje los zat.”

Van Lingen was bondscoach van 1979 tot 1986 en van 1989 tot 1991. KNVB-bestuursleden beschouwden zijn bondscoachschap als een veredelde bijbaan: Van Lingen combineerde zijn taken als bondscoach met zijn coaching van de zaalvoetbalmannen en -vrouwen, een trainerschap voor diverse jeugdelftallen én met zijn baan als assistent-trainer van Rinus Michels, destijds bondscoach van de mannen.

Uit het privéarchief van Bert van Lingen. Beeld Archiefbeeld

“Het vrouwenvoetbal werd niet serieus genomen. Ik hoorde opmerkingen als: ‘Vrouwen op het gras, dat is slecht voor het veld.’ We hadden voor het Nederlands elftal een begroting van 60.000 gulden per jaar, daar moesten we alles van bekostigen: oefenwedstrijden, salarissen van ondersteunend personeel, selectieactiviteiten. Er was nul speling en geen budget voor interlands bijvoorbeeld; die reizen konden we niet betalen.”

“Een paar jaar eerder was het voor vrouwen nog verboden om in clubverband te voetballen. Probleem nu was dat verenigingen amper een elftal bijeen konden krijgen. Het vrouwenvoetbal hing er een beetje bij, tot frustratie van de speelsters. Ze moesten altijd op incourante tijden trainen en spelen, zondag om negen uur ’s ochtends bijvoorbeeld. Het heeft ze gehard. De voetbalvrouwen van nu moeten veel trainen en goed spelen, maar ze hoeven de sport niet te bevechten. De vrouwen van toen wel. Zij hebben keihard moeten knokken om überhaupt een team te kunnen vormen.”

“De speelsters hadden als doel zich te manifesteren, men wilde laten zien dat ook vrouwen de sport konden ­beoefenen. En dat ze ook echt goed konden voetballen. Die perceptie was er toen in het geheel niet.”

Stiekem tegen België

“Ik wilde het Nederlands elftal naar een hoger niveau tillen. Dan moet je oefenen tegen sterke tegenstanders. De beste vrouwen van het land speelden al in het nationale elftal, dus tegen vrouwen konden we niet trainen. Interlands spelen kon ook niet, want daar hadden we het geld niet voor.”

“We hebben een keer gesjoemeld, tegen België. Op een namiddag speelden we op een klein veldje ergens achteraf tegen België, heimelijk. Maar dat was eenmalig. En ­gemengd voetbal tussen jongens en meisjes was niet toegestaan.”

“Als coach van het Nederlands elftal had ik een probleem: zonder geld voor interlands, zonder concurrentie van vrouwenteams en zonder mogelijkheden tegen mannen te voetballen, kon ik ze niet verbeteren. Ik besloot het reglement van de KNVB te schenden. We gingen, in strijd met de KNVB-regels, wedstrijden tegen mannen spelen.”

“Eerst speelden we een wedstrijd tegen de B1 van NAC, een jeugdteam. Een chauffeur reed hen in ruil voor broodjes en een paar kommen soep heen en weer. Met een vriendenteam uit Zoetermeer hadden we eenzelfde regeling. Daardoor speelde er voor het eerst een vrouwenelftal ­tegen jongens, in Zeist, terwijl het niet mocht.”

“We hebben ook oefenwedstrijden tegen het team van Frits Barend gespeeld, die voetbalde met een vriendenteam uit Buitenveldert. Toen de KNVB er lucht van kreeg, werden we ‘gedoogd’: we mochten niet te veel aandacht, tijd of geld kosten, dan werden onze wedstrijden oogluikend toegestaan.”

Waterpomptang

“We deden van alles om wedstrijden te kunnen spelen. Ria Vestjens, een van de speelsters, belde me op een zaterdag op: ze had in Tilburg gestudeerd en bij Willem II geïnformeerd of we een oefenwedstrijd mochten spelen. Zondagochtend konden we om elf uur een veld krijgen. Of ik even een fysiotherapeut en speelsters kon regelen, dan konden we extra trainen. De organisatie ging buiten alle reguliere paden van budget en KNVB om. Op stel en sprong speelden we bij Willem II tegen een of ander jeugdteam. Dat was dan het Nederlands elftal, hè?”

“De speelsters hadden banen in de sportwereld als fysiotherapeut of volgden sportopleidingen – het voetbal ­deden ze erbij, zonder vergoeding. Toch is het onterecht te stellen dat ze niet professioneel waren. Tegenwoordig is geld de maatstaf voor professionaliteit, maar dat is te beperkt. De speelsters van toen werden niet betaald, maar waren zéér professioneel. Altijd goed voorbereid, een ­enkeling had een waterpomptang bij zich om noppen te verwisselen, of een extra tas met dubbele spullen om uit te lenen aan anderen. Ze waren fit, trainden extra buiten het team om. Ze straalden uit: dit is onze plek, hier gaan we niet weg.”

“Het budget werd door de KNVB secuur uitgestippeld. Zo veel trainingen, personeel en activiteiten, dat was het dan. We hadden niet eens geld voor een assistent-trainer, we vervoerden ons materiaal zelf en zaten altijd aan het plafond van het budget. Er was geen ruimte voor eigen initiatieven.”

“De speelsters hebben toen ‘Project meisjesvoetbal’ ­opgericht. Ze organiseerden ieder in hun regio demonstraties, lezingen en trainingen om vrouwenvoetbal te promoten en meisjes te stimuleren te gaan voetballen. Dat deden ze in hun eigen tijd en zonder vergoeding. Hun ­instelling was professioneler dan veel mannelijke voetballers bij clubs in die tijd. Ze moesten vechten om te mogen voetballen.”

“Doordat ik ook in het mannenvoetbal werkte en verschillende teams onder mijn hoede had, kreeg ik niet het stempel ‘vrouwenvoetbal’. Gelukkig maar: het stond gelijk aan het stempel ‘spoort niet’. Je werd dan niet serieus genomen. Dat merkte je in de groep; er werd om voetbal voor vrouwen gelachen.”

“Onder aanvoering van Vera Pauw, toen speelster van het Nederlands elftal en later mijn vrouw en later eveneens bondscoach, voerden we rechtszaken tegen de KNVB en clubs om gemengd voetbal van de grond te krijgen.”

“Bondsbestuurders en clubvoorzitters – het ‘voetbalparlement’ – hadden er geen oren naar. Maar we beriepen ons in de rechtszaak op de gelijke rechten van de mens en we wonnen. We wilden voetbalclubs laten zien: jullie pretenderen de samenleving te helpen, de helft daarvan is vrouw. Heb je die ook geholpen?”

Bert van Lingen als assistent-trainer bij de nationale ploeg van Rusland, 2012. Beeld -

Gezondigd

“Voor mij zijn die vrouwen van toen helden. Maar de tijd vroeg er ook om, elke generatie heeft zijn ­gevechten en dit was het onze. Het ging om de emancipatie van de vrouw. We hebben gewonnen, gemengd voetbal op de kaart gezet en daarmee barrières geslecht. Of het WK gewonnen wordt of niet, de waardering van nu is de grootste prijs.”

“De speelsters waren tot in het diepst van hun vezels ­gemotiveerd om voor het vrouwenvoetbal op te komen. Ik zag al die belemmeringen voor die meiden, de hindernissen waar ze tegenaan liepen: geen geld voor interlands, niet serieus genomen worden, niet met mannen mogen voetballen. We moesten de regels van de KNVB breken. Het was een enorm gevecht, maar er zat schoonheid in de strijd. Ja, ik heb dus gezondigd. Ik ben er trots op een deel van het ­gevecht te hebben mogen voeren.”

Beeld Archiefbeeld
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden