PlusDe Verbeelding

In mijn hoofd kan alles, dus zit ik zomaar in Italië

In tijden waarin we geen kant op kunnen, is er altijd die ene mooie uitvlucht: de verbeelding. Journalist en dagdromer Kees van Unen ging te rade bij zichzelf en bij wetenschappers. Hij blijft zoete luchtkastelen bouwen.

null Beeld Van Santen & Bolleurs
Beeld Van Santen & Bolleurs

Nog heel even doet de zon haar best voordat de avond valt. Zomer is het, en ik zit op een terras in een Italiaans Bertollidorpje. Terwijl ik rondjes draai met m’n glas, stel ik de eerste slok van m’n negroni uit. Voorpret is de grootste pret en ach, wat aardig: een schaaltje olijven van het huis. Dan die eerste slok, het glas beslagen inmiddels, eerst de kou, dan de kick, en dan komt ze opeens aangelopen: de dorpsschone. Zó mooi, als een wandelende opera van Puccini. Ze komt dichterbij en precies op tijd zeg ik: “Ciao bella.” Even houdt ze haar pas in, kijkt en dan glimlacht ze. “Ciao.”

Perfect is het, behalve dat het niet waar is. Ik zit niet op een terras, maar thuis op de bank. Het miezert buiten en ik drink geen negroni maar thee, sterrenmix, iets te lang getrokken en lauw inmiddels. Geen strijklicht, geen olijven van het huis. “Ciao bella,” zeg ik nog maar eens, nu tegen de poes. Ze kijkt niet op.

Droevig, maar toch: even was ik weg. Een dagdroom, zoals ik ze vaak heb, altijd gehad. Die kan worden aangezet door een film, boek of muziek. Of hij ontstaat zomaar, om niks, onaangekondigd maar meteen onvermijdelijk. Meestal zijn het flarden, soms hele scenario’s. Omdat ze zich toch alleen in mijn hoofd afspelen, zijn ze meestal schaamteloos, cliché, ijdel en kitsch – zoals deze natuurlijk. Want ach, waarom niet? Meestal komen ze niet in de krant.

Kees de Jongen

Ik heb mezelf altijd voorgehouden dat het een kwaliteit is. Een overblijfsel van het kind in mezelf, zoals Kees Bakels – het dromerige ventje uit Kees de Jongen van Theo Thijssen, wiens dagdromen hem optillen, groter maken, gelukkig maken zelfs. Ik ben niet de enige: volgens sommige onderzoeken besteedt een mens er gemiddeld de helft van zijn wakkere tijd aan.

Bij mij wordt het de laatste tijd steeds meer. Of om precies te zijn: het laatste jaar, sinds corona, sinds we zo weinig kunnen in de echte wereld en het steeds aantrekkelijker vluchten is in verbeelding. Geen wonder, vindt ontwikkelingspsycholoog Gerrit Breeuwsma. “Verbeelding ontstaat uit een tekort aan iets en momenteel hebben we een tekort aan van alles. Aan vrijheid, aan wat er kan en mag – daarom wordt onze fantasie nu aangewakkerd.”

Het is ook de reden waarom kinderen zo’n grote fantasie hebben, zegt Breeuwsma. “Ze willen steevast meer dan ze al kunnen, fysiek, cognitief of gewoon omdat het niet mag van hun ouders. Dus hebben ze enorm baat bij verbeelding, waarbij álles kan.”

Als we ouder worden, wordt het minder, maar het gaat niet weg. “Neem nu de enorme toename in verkoop van bordspellen bij de eerste lockdown. Puur rationeel gaat dat altijd om dobbelstenen gooien en iets op een kartonnen bord, maar door onze verbeelding worden het veldslagen of kopen we straten, huizen en hotels. Dat is gestructureerde fantasie, maar dat vergt ook verbeeldingskracht.”

null Beeld Van Santen & Bolleurs
Beeld Van Santen & Bolleurs

Hans Alma, hoogleraar geestelijke zorg en religieus-humanistische zingeving, maakt een onderscheid tussen fantasie en verbeelding. “Fantasie hoeft weinig met het echte leven te maken te hebben, het kan zo wild zijn als je wil. Het is een ontsnapping uit de realiteit. Dat kan even ontspannend zijn, maar uiteindelijk loop je ergens voor weg. Verbeelding gaat voor mij meer om mogelijkheden zien binnen een bestaande situatie. Het heeft met fantasie te maken, maar verbeelding begint bij aandacht voor wat gegeven is in het hier-en-nu. Ik heb bijvoorbeeld zin in koffie op een terras in Parijs. Dat scenario kan ik dan bij elkaar fantaseren of ik bedenk: cappuccino to go, dat kan ik hier in de buurt halen, wandeling erbij, vriendin bellen: dan wordt het concreet als mogelijkheid van de gegeven situatie. Geen Parijs, maar wel een actie die is ontstaan door de gedachte aan Parijs.”

Best nuttig dus, om onze verbeelding in te zetten. Juist nu, denkt Alma. “Verandering begint bij verbeelding. Je moet het je eerst voor kunnen stellen, voordat je het werkelijk gaat doen. Dat kan beginnen met mijmeren, met ongestructureerde fantasie, om het vervolgens concreter te maken. Dan zie je: verbeelding kan heel veel opleveren. Nu de wereld op sommige terreinen even stilstaat, hebben we de kans om eens te kijken naar onze vertrouwde manier van leven, de verbeelding aan het werk te zetten, dingen te veranderen en hopelijk te verbeteren.”

Lego

Die verbeelding is te trainen, zegt hoog­leraar psychiatrie Damiaan Denys. “Sterker nog: we worden er allemaal mee geboren. Elk kind heeft fantasie, maar we leren het af. En dat doen we steeds sneller, want de verbeelding wordt steeds minder aangemoedigd. Kijk maar naar het verschil in speelgoed. In mijn kindertijd bestond Lego alleen uit blokjes. Steentjes in drie kleuren. Maar dat gaf niks, want je zette ze op elkaar en het werd een tank, of een vliegtuig, of een schip. Maar nu wordt alles al aangereikt op een manier waarop de verbeelding van een kind er niets meer aan toe te voegen heeft. Netflix, games – het is al af. Zonde!”

Misschien zelfs schadelijk. Sigmund Freud schrijft in zijn essay Der Dichter und das Phantasieren dat dagdromen in het verlengde ligt van spelen. Als je als kind dus leert om je fantasie te gebruiken, pluk je daar als volwassene mogelijk de vruchten van met een goed ontwikkelde verbeeldingskracht.

Maar je moet het bijhouden, zegt Denys. “Het is een mentale capaciteit die je moet oefenen, want het kan altijd verschralen. Hoe ouder je wordt, hoe harder je voor je verbeelding moet werken. Zelf beeld ik me daarom soms een hele wereld in als ik muziek luister. Het is wat de mens onderscheidt van dieren: het feit dat we werelden kunnen creëren die niet bestaan.”

Afzakkertje

Maar hoe frappant: die werelden die niet bestaan, die bestonden tot voor kort nog wél. Steeds vaker fantaseer ik over dat wat er nu niet is en wat ik mis. Het afwaswater wordt al snel de Middellandse Zee en voor ik het weet ben ik op vakantie. De vuile was? Een berglandschap. Vorige week mijmerde ik met een vriend hardop een avond uit bij elkaar. Van het café waar we zouden beginnen naar het restaurant waar we gingen eten, dan het afzakkertje en vooruit: de genadeklap dronken we ook nog ergens. Geen kater, wél meteen de bittere realisatie dat het niet echt was.

null Beeld Van Santen & Bolleurs
Beeld Van Santen & Bolleurs

Talrijk zijn de voorbeelden van mensen die de vlucht in verbeelding vonden in benarde situaties, veel benarder nog de onze nu. Gevangenen, soldaten aan het front: even waren ze er niet ook al waren ze er nog wel. De Duitse dichter Karl von Gerok schreef: ‘Fantasie, zolang gij mij blijft vergezellen, ontbreekt mij nooit een troostend licht; zelfs op donkere wegen.’

En soms heeft die fantasie een zetje nodig. Daarom zetten we nu stadiongeluid onder voetbalwedstrijden en we trappen er bijna in. Daarom halen we nu menu’s van de betere restaurants in de stad om zelf thuis af te maken; we branden een kaars, zetten de luxe wijnglazen op tafel en zijn bijna echt uit eten. Want dat beetje fantasie is niet alleen maar vluchten, het is ook: niet vergeten hoe het was en hoe het weer wordt. Hoop dus, en hoop doet leven.

Maar verbeelding heeft nog een andere functie, legt Denys uit: “Verbeelding is ook de gave om een voorstelling van de toekomst te kunnen maken. Daarom zijn mensen met een rijkere fantasie vaak minder snel overmand door de werkelijkheid, simpelweg omdat ze het zich al konden voorstellen. Tegelijkertijd is dat de keerzijde van verbeelding: angst en verbeelding zijn bondgenoten.”

Doemscenario’s

Dat wist ik. Die ruime dosis verbeeldingskracht bijt me geregeld in de staart. Vrijwel alles wat ik onderneem gaat vooraf mis in mijn hoofd voordat het goed gaat in het echt. Voordat ik een vliegtuig in stap, heb ik het al honderd keer zien neerstorten. En dan deze tijd: door het virus liggen de doemscenario’s voor het oprapen. Van op je buik aan de beademing liggen tot de maatschappij die steeds verder ontwricht raakt: de pandemie wakkert de op angst gestoelde verbeelding aan als Lucifer het hellevuur.

Denys: “Je ziet het nu ook met complottheorieën. Het verbaast me niet dat die nu in deze tijd sterker de kop op steken. Als de werkelijkheid onvoorstelbaar wordt, creëert men een eigen werkelijkheid. Dat zou je doorgeschoten fantasie kunnen noemen, maar dat is van alle tijden. Vroeger geloofden mensen in heksen, nog niet zo lang geleden dachten mensen dat we zouden worden opgebeamd door aliens, en met dit virus komen de complotten.”

“Die waanbeelden veranderen mee met wat er speelt in de maatschappij. Maar ze vergen altijd de nodige verbeeldingskracht van degenen die erin geloven. En dan is verbeeldingskracht geen bondgenoot maar eerder het tegenovergestelde.”

Denys pleit daarom voor een gulden middenweg: genoeg fantasie om tot verheffing te komen, maar niet zoveel dat de wereld een spookslot wordt met complotten en gevaren in elk donker hoekje. Ermee leren omgaan, dat is nuttig. Daarmee wordt de fantasie dat troostend licht dat vergezelt op donkere wegen. Dat laatste lukt door het veel te praktiseren.

Dat komt mooi uit. Want zonder dat ik er erg in heb, gebeurt het me steeds. En ik laat het gebeuren. De doemscenario’s die ook door m’n hoofd spoken winnen het niet van de trits aan zoete luchtkastelen die ik bouw. Ongeremd, onbeschaamd, want in mijn hoofd en in mijn hoofd alleen. Nu nog meer dan anders.

Dus, waar was ik gebleven? O ja, Bertollidorpje, terras, dorpsschone. “Ciao bella,” zeg ik nog een keer, en even spitst de poes haar oren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden