Green Tribe.

Plus Reportage

In een pipowagen naast de A10 verzorgen Marco en Els de maaltijd

Green Tribe. Beeld Dingena Mol

Zo nu en dan zetten omwonenden en ‘kantoorpikkies’ voet op het terrein van ecodorp Green Tribe in Nieuw-West. De veel gehoorde reactie: ‘Wat bent u schoon voor dit bestaan.’ Bewoners Marco en Els, die er een restaurant en winkel runnen, zijn het inmiddels gewend. 

Op een veldje in Nieuw-West, ingeklemd tussen hoge kantoorpanden en de A10, staat de pipowagen van Marco (50) en Els (49). Het is half vier in de morgen, Marco zit op de bank en rookt een sjekkie. Een meter rechts van hem ligt zijn vrouw nog te slapen, verstopt in een bedstede. In de hoek smeult de houtkachel zachtjes na. De nachten zijn fris, de pipowagen matig geïsoleerd.

Marco pakt zijn telefoon. ‘Goedemorgen. Kom je nog?’ whatsappt hij de verslaggever om vijf minuten over half vier. ‘Je hebt je toch niet verslapen?’

Marco is een man van de tijd. Hij begint stipt om vier uur aan zijn werkdag, wanneer het buiten nog pikdonker is en alleen in zijn woning een gloeilamp brandt.

Tien minuten later stapt de verslaggever excuserend de pipowagen binnen. Marco is opgewekt en barst van de energie. Veel ruimte blijft er in de pipo niet over nu er twee mensen op de bank zitten. De woonkamer is ongeveer vier vierkante meter, overal staan spullen: radio, snoeren, draden, rollen tape, opladers, fotolijsten, zaklamp, iPad, potten met eten, pakjes Lookoutshag. Er zijn twee strookjes raam, stoffig en formaat Madurodam, waardoor over ongeveer een uur de eerste zonnestralen naar binnen zullen glijden.

Marco bereidt de maaltijden voor in zijn ‘kookkeet’. Beeld Dingena Mol

Ouderwetse manier

Een claustrofobisch geheel, het lijkt alsof de muren langzaam dichterbij komen en je willen opslokken. Tegenover de zitbank staat een keuken bestaande uit aanrechtblad, gasstel, inklapbare eettafel, kastjes en een koffiezetapparaat. Aan de muur hangen pannen en ander keukengerei.

Verder, in een aparte ruimte: een badkamer met wc en wasbak. Geen douche, ze wassen zich op de ouderwetse manier met een washandje. De bedstede beslaat de helft van de pipo. Daarbovenop huisde voorheen de slaapkamer van zoon Patrick (23), maar die zit sinds kort op kamers, in een caravan vijf meter verderop. Zijn kamer staat nu volgepropt met plastic bakken met daarin zo’n 600 slakken, een van Marco’s projecten. Maar daarover later meer.

Op het dak liggen zonnepanelen die ruimschoots voldoende stroom opwekken om van te leven. Verspreid rondom de woning staan tonnen en bakken om regenwater mee op te vangen, want kraanwater is er nog niet.

Marco steekt weer een sjekkie op, iets wat hij gedurende de dag nog zo’n veertig keer zal doen. De pipo is nu één grote rookwolk, het raam staat niet open. Dan helt de bank plots naar achteren en weer terug. Er klinkt zacht gerinkel van potjes en pannetjes die tegen de muur kletteren.

“Ah, mijn vrouw draait zich om,” zegt Marco. “Dat is een van de redenen waarom wij zo leven. Een pipo beweegt, het leeft.” Nog een voordeel, Marco somt ze in rap tempo op, is dat hij en zijn vrouw nooit ruziemaken. “Je kunt nergens heen. Dus maken we het direct weer goed. Onenigheid op vier vierkante meter, ik kan het niemand aanraden.”

Het Groenen Paradijs

Genoeg geouwehoerd, vindt Marco. Hij loopt zijn pipo uit en stapt een andere wagen binnen, een paar passen verderop. Die ziet er van buiten net zo uit als zijn woning, maar is ingericht als keuken. Er staan vier gaspitten met pannen erop, twee koelkasten, een ruim aanrechtblad, een scala aan potten en pannen en talloze houten bladen bezaaid met keukengerei.

Hier is Marco zes dagen in de week te vinden. Hij runt namelijk een winkel en restaurant: Het Groenen Paradijs. In het kort: hij weckt biologische maaltijden en sapjes en verkoopt ze in potten. Ratatouille, pasta’s, soep, bami, kip, perensap en meer. Ook kunnen gasten lunchen in het buitenrestaurant.

Beeld Dingena Mol

Marco werkt elke dag volgens een nauwgezet tijdsschema: om elf uur opent de winkel, dus voor die tijd moet hij klaar zijn met de potten om de winkelvoorraad aan te vullen. Ook moet de keuken om elf uur weer spik en span zijn, zodat hij daar ’s middags eten kan bereiden voor zijn gasten. Marco hecht aan zijn hygiëne, niemand mag de keuken betreden zonder zijn toestemming. Het is zijn domein, een rondzwervende haar of bacterie maakt hem ziedend.

Zijn klanten komen uit Amsterdam en omstreken. Studenten, volwassenen, allemaal weten ze zijn potjes te vinden. “Het is een flinke eenpersoonsmaaltijd en je hoeft het alleen even tien minuutjes op te warmen,” zegt Marco, hangend boven zijn kookboek. De biologische producten waarmee hij werkt, krijgt hij aangereikt van Els, die zich ontfermt over de inkoop. “Ik vervloek haar soms hoor, als ik weer te zachte paprika’s heb. Goede producten zijn heilig wanneer je weckt.”

Na drie uur zwoegen in de keuken, Marco heeft ratatouille en spaghetti met balletjes gemaakt, last hij een pauze in. Het is zeven uur, hij heeft honger. In zijn pipo bereidt hij een eenvoudige bami. Terwijl hij zijn eten naar binnen schrokt, klopt zoon Patrick aan. Hij begroet zijn pa, pakt een bak koffie en is weer weg. “Naar zijn werk, hij werkt in de groenvoorziening in Osdorp,” mompelt Marco. “Hij haalt hier zijn natje en droogje, verder zien we hem niet veel. Zo gaat dat op die leeftijd.”

Els in de winkel, een pipo tot de nok gevuld met potten. Beeld Dingena Mol

Marco staat met zijn gezin en bedrijf in een zogenaamd ‘ecodorp’. Op het veld staan nog elf andere pipowagens, caravans en campers. De groep noemt zich Green Tribe en probeert zelfvoorzienend te leven en te consuminderen. Ze kraken doorgaans een jaar of twee, drie een locatie en trekken dan noodgedwongen door, omdat de gemeente ze in goed overleg wegstuurt. Eind 2018 zijn ze naar het veldje in Slotervaart gekomen, een terrein dat al achttien jaar braak ligt. Hiervoor zaten ze op Zeeburgereiland, daarvoor in Westpoort.

Marco geeft een kleine rondleiding over het terrein, dat wordt omlijst door een heg van zo’n anderhalve meter hoog. Aan de voorzijde, waar hij met zijn wagens staat, is het opgeruimd en netjes. De rest van het veld is rommelig. Veel dorpsbewoners slijten hun dagen met klussen, bouwen en experimenteren. Centraal op het terrein staat een waterput, die nog verder uitgegraven moet worden. Daaromheen: een ruimte met wasmachines, koelkast en douche, composthopen, wormenhotels, groentetuinen, een composttoilet, rondslingerende pallets en een stuk bos waar dorpsbewoners muziek maken.

“We bouwen samen aan het dorp,” zegt Marco. “Er zitten hier veel creatieven en we leven dit bestaan al lang, ikzelf al heel mijn leven. Telkens nemen we onze opgedane ervaring mee naar een nieuwe plek. Tegelijkertijd is ook iedereen op zichzelf: we hebben een imker die zijn eigen honing verkoopt, iemand die handig is met computers, een gitarenmaker, muziekschool, een ayurvedische gezondheids­therapeut, masseuse en yogadocent.”

Hij houdt halt bij een caravan in de buurt van zijn eigen woning. “Hier woont een studente van 23. Ik zag haar caravan onder een viaduct in het stadsdeel staan. Ze kon geen woonruimte vinden. Ik zeg: kom bij ons staan, het is niet veilig om hier als vrouw in je eentje te bivakkeren. Het klikt heel goed.”

Marco wijst naar een uitgeleefde, krakkemikkige camper verderop. “Daar woont ‘Opa’. Hij heeft heel zijn leven zo gewoond. Vroeger met vrouw en drie kinderen, maar die zagen het niet meer zitten. Zelf vertikt hij het om te gaan. Hij is de tachtig inmiddels gepasseerd.”

Marco vindt het wel aardig, zo’n ecodorp, maar bemoeit zich er nauwelijks mee. Hij slaat de tweewekelijkse vergaderingen waarin plannen voor het dorp worden besproken meestal over. Hij is vooral met zijn eigen bedrijf bezig en dat is hard werken: vroeg opstaan, vroeg naar bed, weinig vrije tijd. “Ook zitten sommigen hier vanwege de lage lasten, in plaats van dat ze zo willen leven. Dat stoort me.”

Het is het begin van de middag. Marco heeft zijn werk in de keuken afgemaakt. Els is wakker, heeft boodschappen gedaan en staat nu in de winkel, een pipo tegenover hun woning die is volgestouwd met honderden potjes. Hun terrein ziet er als volgt uit: in een driehoek de woning, keuken en winkel. In de ruimte daartussen het buitenrestaurant en daarachter, wat afgezonderd, de caravan van zoon Patrick.

De eerste gasten

In het buitenrestaurant staan drie tafels met stoelen en banken, opgeleukt met hier en daar een bloemetje of plant. Patrick (62) en Willem (63) zijn de eerste gasten van vandaag. Ze bestellen het recept van de dag: gevulde rijst met gemarineerde Oosterse kip.

Patrick kent Marco en Els al jaren. Hij is voorzitter van de Daklozenvakbond, een door vrijwilligers gedragen organisatie die briefadressen regelt voor daklozen. Els werkt twee dagen in de week voor hem, want er is nood aan de man: bijna alle vrijwilligers zijn gestopt. “Typisch,” vindt Marco. “We hebben het hier hartstikke druk, maar als we een vriend moeten helpen die in nood zit, doen we dat zonder nadenken.”

Patrick en Willem genieten zichtbaar van het eten dat Marco ze heeft voorgeschoteld. “Marco kookt als de beste,” zegt Patrick. “Er hangt hier bovendien een fijne sfeer.” Even later schuift een aantal dorpsbewoners aan en een Duitse man die op doorreis is in Amsterdam en via via had gehoord van Het Groenen Paradijs. Marco heeft het er maar druk mee.

Willem (63) en Patrick (62) zijn vaste gasten van restaurant Het Groenen Paradijs. Beeld Dingena Mol

Els: “Het is tegenwoordig in de mode hè, duurzaam eten. Ik zag laatst een Sligrowagen voorbijrijden met de tekst: ­wecken zonder E-nummers. Ik dacht: dat doen wij al 25 jaar, man.”

Marco en Els hopen dat er binnenkort wat meer buurtbewoners langskomen in de winkel of aanschuiven voor een maaltijd. Voor de klandizie, maar nog meer om te laten zien wie ze zijn en hoe ze leven. Marco: “Vooralsnog vinden mensen het eng om hier te komen. Het is een terughoudende buurt. Maar dat vinden we niet erg, we zien het als een uitdaging.” Hij begrijpt wel dat mensen twijfelen om het dorp binnen te stappen. “Veel groepen die zo leven als wij zijn niet benaderbaar, hebben een ruige, onverzorgde levensstijl. Maar zo zijn wij niet.”

Zo nu en dan zetten omwonenden voet op het terrein. Laatst zelfs een aantal ‘kantoorpikkies’ die tegenover hen in de hoge kantoorpanden werken. Marco laat ze dan het terrein zien, vertelt over de winkel en hun leven. De standaardreactie: “Wat bent u schoon voor dit bestaan.” Of: “Jullie zijn best normaal.” Een jongere Marco was om zo’n opmerking misschien boos geworden, tegenwoordig kan hij erom lachen. “We proberen de vooroordelen van anderen te accepteren. Met een negatieve instelling zouden we het niet redden, want we krijgen veel shit over ons heen.”

Marco vertelt over de afkeurende blikken van mensen, de neerbuigende opmerkingen, de minachting in hun houding. Hij probeert ze te negeren. “Het gebeurt wekelijks, inmiddels ben ik het gewend. Ik zie het als tekortkoming bij de mensen die zo naar ons kijken. Kunnen ze ook niets aan doen.”

Onbegrip

Toch heeft het hem in moeilijke situaties gebracht. Marco vertelde op zijn werk – hij heeft bijna dertig jaar in de logistiek gezeten – vaak meteen hoe hij leefde, om gepraat achter zijn rug te voorkomen. Hij stuitte op veel begrip, maar ook op onbegrip. Hij heeft functies niet gekregen omdat leidinggevenden zijn manier van leven raar vonden of niet begrepen. Ook had hij bij sommige bedrijven het gevoel zich constant te moeten verantwoorden naar collega’s en klanten, en wisselde dan uit ellende van baan.

“Collega’s kunnen heel lomp uit de hoek komen, doen alsof er wat mis is met me. Ze bekijken je door de ogen van de meerderheid. Dat heb ik nooit begrepen.”

Ook vanuit de overheid voelt Marco zich in een hokje geduwd. Ze bestempelen zijn gezin als dak- en thuisloos, terwijl ze zich zo niet voelen. Toen Patrick – hij ging niet naar school maar kreeg thuisles van Marco en Els – als jongvolwassene werk ging zoeken, kregen ze de kinderbescherming op hun dak.

Marco: “Die zagen Patrick als slachtoffer van zijn ouders. Een ambtenaar kwam hem vertellen dat hij in een huis moest gaan wonen. Is die man gek? dacht Patrick. Hij wil niet in een huis wonen, hij is gelukkig zo. Maar dat wilde die ambtenaar maar niet geloven. We moesten ons verdedigen tegen kindermishandeling.”

Patrick, schuchter van aard en in tegenstelling tot zijn vader geen woordenwaterval, is net als Marco opgegroeid als nomade. Hij weet niet beter. Een sociaal leven met school, vrienden en een sportclub zit er niet in, maar dat is ook niets voor het gezin. Marco fronst zijn wenkbrauwen zelfs bij het woord ‘vrienden’. “Ja, zo noemen mensen dat. Wij geloven niet in dat begrip. Bij ons is iedereen welkom. Ons hart staat altijd open, of je nu een vreemde bent of niet. Ik noem niemand mijn vriend. Als je focust op specifieke personen, kan dat alleen tegenvallen.”

Zoon Patrick komt langs. Beeld Dingena Mol

Marco is geboren en getogen in Antwerpen, in een nomadenkamp. Toen hij op zichzelf ging, vertrok hij naar Nederland en stond op verschillende locaties in Zuid-Holland en daarna Amsterdam. Daar ontmoette hij Els, ruim 25 jaar geleden. Een ‘burgermeisje’, ze woonde in een ‘stenen’ huis. Marco zag haar zitten in een koffiebar in de buurt van Ruigoord, sprak haar aan en liet haar nooit meer los. Hij trok bij haar in, in haar appartement, en was na een week weer weg. Hij had het geprobeerd, maar kon zo niet wonen. Daarop besloot Els, flexibel als ze was, om bij Marco in zijn camper te gaan wonen.

Dat konden de ouders van Els maar moeilijk verkroppen. “We hebben ze al 25 jaar niet meer gezien,” zegt Els. “Ik weet niet eens of ze nog leven.” Ze zit er niet mee, Marco evenmin: “Wij focussen op ons eigen gezin. Onze band is heilig. We zijn de drie musketiers, een eenheid.”

Hoewel het gezin nu een vrij harmonieus bestaan leidt, zijn er ook turbulente tijden geweest. Toen Patrick nog een kleine jongen was, waren Marco en Els aangesloten bij de stadsnomaden die laatst van het ADM-terrein zijn verwijderd. Die tijd stond bol van strubbelingen, knokpartijen en ruzies. Marco: “Regelmatig stond ik gewapend tegenover een groep mensen, mijn gezin verdedigend. We besloten: dit is niet het leven dat we willen, met deze groep weigeren wij geassocieerd te worden. We vertrokken en toen kwam deze rustige, zachtaardige groep op ons pad.”

Echte verzamelaar

Een van de groepsleden is Hans (58), die met zijn caravan aan de andere kant van het dorp staat. Hij ontwaakt ergens halverwege de middag en stapt in badjas, met klompen, muts en gevlochten sik zijn caravan uit. Hij is de enige bewoner, naast Els en Marco, die met Het Parool wil praten. De rest heeft het niet zo op pottenkijkers.

Hans is een echte verzamelaar, maakt regelmatig een ronde door de buurt en komt dan terug met allerlei spullen die hij vervolgens uitstrooit over zijn in elkaar geknutselde voortuin met afdak, waar hij meestal vertoeft. Achter zijn caravan is een bos dat wordt ingeleid door een smal paadje met daarboven een bord met de tekst: ‘Bosrumoer’. De favoriete plek van Hans. Daar organiseert hij muziekevenementen. Hij is van de noise: een muziekstroming waarbij muzikanten herrie maken met spullen of dingen, in dit geval takken en pannetjes.

Bewoner Hans Beeld Dingena Mol
Hans op zijn favoriete plek: de in elkaar geknutselde voortuin met afdak. Beeld Dingena Mol

Maar zijn bos is meer dan dat. Hij heeft een sloot gegraven waar hij met een pomp water doorheen laat stromen. Dat moet kikkers aantrekken, maar zover is het nog niet. Hij pakt een waterfles, snijdt hem in de lengte doormidden met een stanleymes en graaft de halve flessen in de sloot. Als de watertoevoer stilvalt, stroomt het laatste restje water in de halve flessen, en kunnen de kikkers overleven.

Hij is tevens aanjager van de waterput. Die moet hem uiteindelijk voldoende water geven om zijn sloot ook tijdens de droge zomer stromend te houden. En belangrijker: daarmee moet hij zijn zonnebloemen bewateren. Die hebben tientallen liters water per week nodig. Een flinke kluif, beseft Hans. “Ik moet meer stroom opwekken met mijn zonnepanelen en de waterput moet dieper. Al met al is het een extreem drukke dag vandaag.”

Hans is dagelijks aan het werk in het bos. Voor hem is deze manier van leven de ultieme vrijheidsbeleving. Het geluksgevoel is nog vers, hij heeft zich vorig jaar pas bij de Green Tribe aangesloten. Daarvoor woonde hij in een huis, maar daar werd hij ongelukkig van. Hij besloot zijn woning te verhuren en twee jaar rond te reizen in zijn camper. Daarna probeerde hij nog even bij een vriend in huis te wonen, maar eigenlijk wist hij het al: ik moet de buitenlucht in. “In een huis voelde ik me heel erg opgesloten. Hier voel ik me gelukkiger dan ooit.”

Het loopt inmiddels tegen vieren, de werkdag van Marco en Els zit er zo goed als op. Ze zitten uitgeblust op de bank in hun pipo en hebben een deurtje opengeklapt waarachter een televisie hangt. Ze kijken naar de herhaling van Pauw. Een spaarzaam moment van rust, vooral Marco heeft er een handje van om altijd aan het werk te zijn.

Burn-out

Els vertelt over de loopbaan van Marco. “Hij ging eens op sollicitatie voor magazijnmedewerker en kwam terug als manager.” Volgens Marco is dat zijn opvoeding. Hij is het type: als je iets doet, doe het goed. Hij werkte tachtig tot negentig uur per week en kreeg drie jaar geleden een burn-out. Hij legde al zijn activiteiten stil en besloot daarna samen met Els te doen wat ze eigenlijk altijd al hadden willen doen: een restaurant beginnen.

“Nu werk ik weer tachtig uur in de week, maar ik vind het ontzettend leuk,” zegt Marco. “Ik kom alleen de deur niet uit. Ik zit hier maar op dit veldje, dat valt me soms tegen. Maar in ruil daarvoor mag ik elke dag mensen verwennen met heerlijk eten. Plus op deze manier komen er mensen over de vloer die normaal niet zouden komen. Hen kunnen we laten zien hoe we leven. Twee vliegen in één klap.”

Dat was wel even omschakelen: Marco was altijd de hort op, nu is hij samen met Els de hele dag thuis. Marco legt uit dat hij sinds kort twee relaties heeft met Els: professioneel en privé. “Ik kan haar helemaal de tering vloeken tijdens het werk, maar privé vind ik haar de liefste vrouw op aarde.” Eens in de week lassen ze een vergadering in. Dan praat Marco over het werk en schrijft Els alles op. Momenteel zijn ze bezig met bedrijfsplan 2.0: uitbreiding van het assortiment. “Er komen burgers, taarten en nog meer specialiteiten.”

Stress over geld kennen ze niet, al zijn de middelen schaars: ze hebben geen financiële buffer en moeten elke maand 400 euro verdienen om rond te komen.

“Maar dat lukt altijd,” zegt Els. “We hebben een stabiele, vaste klantenkring.” Meer geld verdienen zou altijd kunnen, volgens Marco. “Ik ontvang vaak aanbiedingen van restaurants en bruine kroegen voor die potten. Maar ik sla ze allemaal af. Dan zou ik mijn productie moeten verhogen, personeel in dienst nemen, daar heb ik geen zin in. Het moet wel leuk blijven.”

Marco wil bijvoorbeeld tijd overhouden voor projecten als zijn slakkenkwekerij. Hij heeft inmiddels zo’n zeshonderd slakken die behoren tot de Achatina fulica: een soort uit Zuid-Afrika die wel vijftien centimeter lang wordt. De verzameling groeit gestaag, de slakken leggen elke maand eieren. Zodra ze groot genoeg zijn voor consumptie, verkoopt Marco ze voor vijftig cent per stuk. “Het smaakt naar rundvlees.” Els knikt. “Heel lekker.”

Marco laat de slakkenkwekerij zien. Beeld Dingena Mol

Het is zes uur, Els maakt met de kat een wandeling door het dorp, Marco gaat zoetjesaan richting bed. Hij kijkt naar buiten, hoopt op een stormachtige nacht, maar waarschijnlijk blijft het rustig. “Dat is wel het grote nadeel van deze locatie,” verzucht Marco. “Er staat nauwelijks wind. Op Zeeburgereiland was het vaak windkracht 11. Fantastisch. Bijna wegwaaien met je pipo. Voelen dat je leeft.”

Ondanks het laffe briesje dat over het veld waait, voelen Marco en Els zich heel erg thuis in Nieuw-West. Maar hechten aan een plek doen ze niet snel. Marco: “Het draait niet om de locatie, maar om de pipo. Dit is ons huis. En we hebben in elk stadsdeel gewoond, van Zuidoost tot Noord en Nieuw-West. Wie is er nou gek? Aan een hypotheek zit je dertig jaar vast. Ik pak mijn huis op en zet het op een andere plek.”

Twee weken later stuurt Marco een whatsappje: ‘Volgende week verhuizen we ons horecapunt. We gaan in Zaandam staan bij een nieuwe maakgemeenschap. Het is een héél goed aanbod. Als de woonvergunning rond is, gaan we er ook met onze woning staan.’

‘En de wind?’

‘Krachtig. We maken het wel hier.’ 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden