PlusVoorpublicatie

In de roman ‘Dorp’ komen herinneringen aan het dorp Sloterdijk bovendrijven

In Dorp, de nieuwe roman van culinair recensent en auteur Gilles van der Loo, biedt een kerkbeheerder in het dorp Sloterdijk onderdak aan een meisje dat op een dag in zijn moestuin staat. En dat brengt herinneringen boven. Een voorpublicatie.

null Beeld Maarten Boswijk / Met dank aan Stichting Behoud Petruskerk
Beeld Maarten Boswijk / Met dank aan Stichting Behoud Petruskerk

Een stille avond en een slechte nacht en een halve ochtend later regent het nog steeds. Met een half bruin in beslagen plastic en een Volkskrant onder zijn arm graaft Melchior in de zakken van zijn lange jas naar zijn huissleutel. De voordeur klemt, en hij moet steeds meer gewicht inzetten bij het openen en sluiten. Binnen hangt hij zijn jas naast Ella’s sjaal. Toen hij haar spullen naar de kringloopwinkel had gebracht bleek dat zachte blauwe ding er nog te zijn. Hij nam zich voor het dan maar weg te gooien, maar kwam er nooit aan toe.

Terwijl hij water opzet voor de thee slaat de regen neer op de kropsla, de snijbonen en kapucijners in zijn tuin. Hij zal straks een greppel moeten graven om te voorkomen dat het allemaal verzuipt. God, wat een duisternis daarbuiten, het lijkt wel nacht. Als hij de lamp boven de tafel aandoet valt zijn oog op de hanger van het bruidje, die hij gisteren op zijn schrijfblok heeft gelegd. Aantekeningen van zijn gesprek met de grote man zijn er nauwelijks, geen nummer dat hij nu kan bellen. Hij pakt de oorbel nog eens op, houdt hem onder de lamp en laat de steentjes het licht breken. Zou hij een echte briljant herkennen?

Foto’s

Op een hoek van de tafel ligt het album waar hij nu aan werkt. De psychologe van het ziekenhuis raadde hem aan veel foto’s te kijken. Ik krijg het gevoel dat u een doorpakker bent, meneer Bastiaanse. Dat u dat nu ook aan het doen bent, doorpakken. Ergens bij stilstaan wil niet altijd zeggen dat we het begeven. Voor zover hij weet staat zij er nog steeds bij stil, in dat hokje van haar met die vetplantjes en die doos tissues op tafel die ‘jank dan’ leek te zeggen.

Melchior is nooit terug geweest, maar in de maanden na Ella’s dood ziftte hij wél alle onscherpe beelden uit haar albums. Daarna verwijderde hij foto’s van mensen die niet naar de begrafenis waren gekomen, en in een volgende ronde die van iedereen die niet in het dorp geboren was. Zo bracht hij het jaar na haar dood twee meter albums terug tot acht stuks, die hij met tevredenheid in de kast zette. Kort daarna leken ze hem weer te roepen.

Melchior bladerde door de kinder- en tienerfoto’s in het oudste deel, maar zo gauw de ringweg of de kantoorgebouwen op de achtergrond verschenen bleef hij hangen. Hij kocht een nieuw album, een hobbymes en fotolijm, zo’n bril met vergrootglazen en een feller peertje voor de lamp boven de keukentafel. Nachtenlang sneed en plakte hij, voegde hij beelden samen, en de collages groeiden onder zijn handen. Soms deed hij wel een maand over één foto. In zijn tijd pákte je door, mevrouw de psycholoog. Een mens bleef bezig of een mens begaf het.

Melchior gaat zitten met zijn krant, die hij nauwelijks lezend doorbladert voordat hij aan de kruiswoordpuzzel begint. Denkend over een tienletterige plaatsnaam die met een M start en met GEN moet eindigen kijkt hij op en daar, voorbij de staanders van de tuinbonen, met haar laarzen boven op zijn jonge snijbiet, staat een meisje. Grommend van de pijn in zijn knieën komt Melchior overeind en opent de deur naar de achtertuin.

Uit de regen

Als het kind hem hoort laat ze dat niet merken. De regen ratelt op de capuchon van haar te kleine poncho en gutst van haar schouders, maar ze blijft staren naar iets in een verte die hij zonder bril onmogelijk scherp krijgt.

“Jij daar,” zegt Melchior. “Ga van die planten af.”

Ze kijkt op, glimlacht en toont een mond waarin twee boventanden missen. Een jaar of zes, zal ze zijn. De leeftijd waarop er nog geen einde aan de dingen is en elk jaar een aanwinst lijkt: nieuwe tanden, nieuwe kleren, nieuwe fiets.

“Wat doe je in mijn tuin?”

Ze haalt haar schouders op, kijkt om zich heen.

“Ga naar huis. Je vat kou.”

Voetje voor voetje komt ze zijn kant op, voorzichtig voor de planten, nu. Ze lijkt te denken dat hij haar bij zich roept.

“Spreek je geen Nederlands?”

“Jawel,” zegt het kind, dat net buiten handbereik blijft staan, vergeefs schuilend onder de grote bladeren van zijn vijg.

“Ik zei dat je hier niet zomaar de tuin in kunt lopen.”

Melchior kijkt nog eens naar de regen die zijn plantjes geselt, rond de vijg kolkt alsof de boom zich onder water bevindt: een rif tijdens een zware storm. Zuchtend stapt hij aan de kant. “Kom dan tenminste even uit de regen.”

Druppels lopen van haar poncho en vormen een plasje op de keukenvloer. Het meisje schuift de capuchon terug en begint haar knoopjes los te maken, maar stopt. “Deze wil nooit los.”

“Hou maar aan. Je blijft niet lang. Waar zijn je ouders?”

Ze kijkt over haar schouder alsof die met haar zijn ­binnengekomen, en terwijl Melchior bukt om haar ­knopen weer dicht te drukken wordt hij de warmte van haar lijf ­gewaar, van kinderhuid en kinderadem. Opeens komt zijn huis hem koud en vochtig voor, een grot voor schimmen, herinneringen, achtergelaten dingen. Hij schenkt thee voor haar in, die hij met honing zoet omdat hij al jaren geen suiker meer gebruikt. Dan zet hij zijn bril op, haalt een paraplu uit de bak naast de voordeur en loopt de tuin in.

Moeder

Melchior volgt het benedendijkse pad tot aan het kerkhof en loopt dan de andere kant op tot het einde van het dorp, maar komt geen levende ziel tegen. Met doorweekte schoenen zompt hij terug naar huis. Idioten. Een kind in zulk weer buiten laten lopen met die sloot vlakbij: ze zou niet de eerste zijn die in dit dorp verzuipt.

“Waar ís je moeder dan?” vraagt hij een paar minuten later op zijn sokken, en legt zijn paraplu geopend naast de kachel.

Het meisje haalt een schouder op. Melchior volgt haar blik en komt uit bij de kapstok, waar Ella’s sjaal danst in de tocht.

“Mama is in slaap gevallen.”

“Op de bank? In de auto? Ik vraag niet of ze wakker is, maar wáár ze is.”

“We gingen met de bus.”

“Is ze bij iemand op bezoek hier in het dorp?”

Het meisje kantelt haar hoofd: een slim kind dat voor een raadsel staat. Hij had er meer van dit soort in de klas mogen hebben. Omdat de natte mouwen van haar vest over haar handen hangen rolt hij ze een paar slagen op. Melchior propt kranten in zijn schoenen, zet ze naast de paraplu en zoekt in de gangkast naar zijn groene laarzen. Terwijl hij zijn regenjas van de kapstok haalt denkt hij iets van ­Ella’s parfum te ruiken, die ze met de jaren in steeds grotere wolken opspoot. Door de overdaad kreeg hij de pest aan die lucht, terwijl het een warme geur was, met rozenhout en bergamot.

Melchior pakt zijn paraplu weer op, sluit hem en gebaart het kind hem naar de straat te volgen, waar wolkenvuisten zich samenballen boven die godvergeten ringweg. Sinds je er nog maar tachtig mag rijden zou het meevallen met het fijnstof, maar fijnstof is een werkelijkheid die hij na windstille dagen met geen mogelijkheid uit de nerven van zijn spinazie krijgt.

“Kom,” zegt hij, en opent de paraplu. Ze pakt zijn mouw, maar Melchior trekt hem meteen weer uit haar knuistje. “Als je wil dat ik je moeder zoek, dan moet je voortmaken. Ik heb niet de hele dag.”

Dorp, Gilles van der Loo, uitgeverij Van Oorschot, €20.

Een Amsterdamse geschiedenis

Ten westen van de stad Amsterdam lag ooit het dorpje Sloterdijk. Wie het nu zoekt, vindt een modern trein­station met die naam en kantoren in hoogbouw. Iets naar het oosten, verstopt binnen de Ring, staan nog een kerk en een klein aantal oude huizen. De rest van Sloterdijk moest in de jaren zestig wijken voor de aanleg van de A10. Dit is het decor van Dorp. ­Melchior Bastiaanse is weduwnaar en beheerder van de kerk in dit dorp dat hij gedurende zijn leven opgeslokt zag worden door het grote Amsterdam. Maar Sloterdijk is niet het enige wat hij verloor. Als Melchior op een regenachtige dag een klein meisje in zijn moestuin aantreft dat daar op zoek zegt te zijn naar een ijsvogel, komt de deur naar zijn verleden op een kier te staan. Hij biedt haar en haar moeder onderdak, maar trekt die deur daarmee steeds verder open. Op een stille winterdag zo’n zestig jaar ­geleden verdronk zijn klasgenootje Micha Meijer in een buitendijkse sloot. Was Melchior echt de vergeefse redder die het dorp daarna van hem maakte? Van der Loo wil voelbaar maken wat er gebeurt als we het goede in onszelf niet meer kunnen zien, en dat het nooit te laat is om het te hervinden.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden