PlusInterview

Illustrator Boris Lyppens droomde van een grote klus: en toen mailde The New Yorker

Boris Lyppens (26) werkt bij juwelier en familiezaak Lyppens, en als kunstdocent. Leuk, maar het liefst tekent hij. En toen kreeg hij die eervolle illustratieopdracht uit New York.

Illustratie voor The New Yorker. Beeld Boris Lyppens, The New Yorker (c) Conde Nast
Illustratie voor The New Yorker.Beeld Boris Lyppens, The New Yorker (c) Conde Nast

Opeens begon Boris Lyppens te trillen op zijn benen. Hij was aan het werk bij juwelier Lyppens, de familiezaak, al meer dan zestig jaar een begrip in de stad. In coronatijd ontvangt hij er de klanten die allemaal op afspraak komen. Welkom, welkom, ga zitten, koffie? Leuk werk, net als zijn baan als parttime docent Culturele en Kunstzinnige Vorming op het St. Nicolaaslyceum. Zijn enthousiasme over kunst overbrengen op jonge mensen – ook een verrijking.

Maar toch, het is erbíj. Op één staat zelf maken. Als illustrator begint hij naam te maken met gelaagde, poëtische tekeningen. Ouderwets, inkt op papier.

De donkerte van zijn stijl staat mijlenver van zijn opgewekte karakter, maar daarover las hij laatst iets interessants van Alain de Botton, de filosoof van The School of Life. Over hoe oorlogsveteranen zich aangetrokken voelen tot de waterlelies van Monet, juist omdat dat werk rustig, licht en vredig is. “Bij mij is het precies andersom,” zegt Lyppens. “Mijn leven is al rustig, licht en vredig. Altijd geweest. Fijne familie, vrienden, zorgeloze jeugd in Zuid. Daarom zoek ik in mijn werk misschien wel een beetje naar het duister.”

Terug naar zijn trillende benen, die ochtend toen hij in een onbewaakt moment even zijn e-mail checkte. Een klus. Of hij de illustraties wilde maken bij een groot essay. Deadline: snel. Afzender: The New Yorker.

Het stond er echt: The New Yorker. Even voor de goede orde: dat is dus de heilige graal op journalistiek gebied, wereldberoemd om z’n kwaliteitsverhalen, maar ook om het beeld daarbij. Misschien wel het hoogste podium in z’n soort.

De wind mee

Niet dat de mail helemaal uit het niets kwam. Lyppens had ze zelf benaderd met zijn werk. Dat doet ie één keer in de zoveel maanden: een e-mail naar de beeldredactie daar, én naar The New York Times. Als je wil scoren moet je schieten namelijk, maar tóch is het dan schrikken als de bal dan daadwerkelijk in het doel vliegt.

Hij vertelt erover, thuis aan de keukentafel. Binnen vijf ­minuten ligt die tafel vol opengeslagen boeken van illustratoren die hij bewondert. “Kijk dit dan: Edward Gorey. Zo mooi, zó mooi. Heel subtiel is het, die kleine pennenstreken met inkt.”

Een zucht. Dan de bladzijde om en meteen weer: “Oooh, deze ook. Een slang. Zie je hoe hij de aandacht op iets kan vestigen door andere delen helemaal open te laten? Dat is knap, hoor.”

Boris Lyppens: ‘Ik werd wakker met twee mails: ze vonden het goed. Pfff.’ Beeld Andrea Simal
Boris Lyppens: ‘Ik werd wakker met twee mails: ze vonden het goed. Pfff.’Beeld Andrea Simal

Lyppens leerde Gorey en veel meer vakgenoten kennen door docenten in New York, waar hij een master in illustratie deed op de School of Visual Arts. Daar kwam hij dan weer terecht met een beurs van het Cultuurfonds en steun van zijn ouders. En zo heeft hij vaker de wind mee gehad. Of zetjes, precies op het goede moment. Zoals toen hij nog de docentenopleiding deed aan de Breitner Academie en hij in zijn eerste jaar het vak Tekenen wilde laten vallen.

“Ik vond mezelf niet goed, iedereen om me heen was technisch veel beter dan ik. Met perspectief en zo, daar was ik niet goed in. Geen sprake van, zei mijn docent Kees Streefkerk toen. Je hebt een eigen hand, je moet blijven ­tekenen. Dat was zo’n zetje de goede kant op, daar ben ik heel dankbaar voor.”

Maar zetjes zijn maar zetjes, uiteindelijk moet je zelf de goede richting op. Dat deed Lyppens bijvoorbeeld toen hij met zijn ouders mee was naar New York. Zij voor een grote juweliersconferentie, hij wist nog niet wat hij er ging doen. Tot hij las over de School of Visual Arts daar, en hoe dat de beste plek denkbaar is voor iemand met tekenambities. Bellen, rondleiding geregeld, en inderdaad: de hemel. Een labyrint van kleine studio’s waar overal tekenaars van over de hele wereld de mooiste dingen aan het maken waren. Na een jaar tekenen werd hij er toegelaten.

Het prachtige priegelen

Hij kreeg er precies de bagage die hij nodig had toen The New Yorker mailde. “Het moest allemaal ontzettend snel, maar dat had ik daar gelukkig geleerd. Bovendien was het een geweldig verhaal, een essay over hoe grote schrijvers uit de literaire geschiedenis over pandemieën hebben geschreven en hoe we daar hoop uit kunnen putten. Alleen dat tijdsverschil, hè? Maandagnacht kreeg ik feedback van de beeldredactie, de deadline was woensdagochtend. Prima, dacht ik: dan doen we het allemaal in één dag.”

“Voor het eerst in m’n leven heb ik toen niet geslapen, ­gewoon ­tekenen, tekenen, tekenen. Doorgaan. Op koffie natuurlijk, en water en ontbijtkoek. Ik had ergens gelezen dat je om 6.30 uur je oorlellen moet masseren als je dan nog wakker wil blijven, dus dat deed ik. Een half uur voor de deadline mailde ik het en toen ben ik meteen gaan pitten. Ik werd wakker met twee mails: ze vonden het goed en het werd meteen gepubliceerd. Pfff.”

Natuurlijk, het is heel wat anders dan edelsmid, maar hij snapt de link naar het vak van zijn ouders wel. Dat kleine, gedetailleerde werken. Het prachtige priegelen. De zaak blijft in de familie trouwens, z’n broer neemt de boel in de toekomst over. “Ik ben daar te rebels voor, denk ik. Sieraden draag ik ook bijna niet, sowieso zie ik er altijd wel ­sober uit. Dat boeit me allemaal niet zo. Dít boeit me,” zegt hij, met een hand op een van de opengeslagen boeken voor zich.

“Ik voel me altijd vereerd als ik ergens voor gevraagd word. Ik heb vertrouwen in wat ik kan, maar ik weet ook dat het niet supertoegankelijk is. Aan de andere kant vind ik dat kranten en tijdschriften hun lezer weleens onderschatten met betrekking tot het beeld. Dat ontoegankelijke of in elk geval iets minder begrijpelijke, dat kan juist zo mooi zijn. Niet altijd zo braaf, niet altijd in dienst van de tekst: een vleugje abstractie! Gelukkig is daar soms wel plek voor.”

En nu? The New York Times, zou een droom zijn, ja. En dóór. Op naar het volgende zetje. “Ik sta te popelen. Het liefst krijg ik elke week zo’n opdracht. Ook al moet ik er dan de hele nacht wakker voor blijven.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden