Plus Klapstoel

Hoedenmaker Dirk-Jan Kortschot: ‘Als man wil je toch iets op je hoofd’

Dirk-Jan Kortschot (1969) is hoedenmaker en samen met zijn man eigenaar van De Hoedenmaker aan de Keizersgracht. Dinsdag is het Prinsjesdag, met de jaarlijkse hoedenparade van politiek Den Haag.

Dirk-Jan Kortschot Beeld Harmen De Jong

Velp

“Ik ben er geboren in het oude ziekenhuis, maar we zijn al snel verhuisd naar Laag-Soeren, een dorpje met zevenhonderd inwoners op de Veluwe, op de grens van weilanden en bos. Een walhalla voor kinderen. Er was één school en iedereen kende elkaar. Ik herinner mij dat er een trekker door de straat reed als er sneeuw lag met een hele lange sliert gillende kinderen op sleetjes erachteraan. Je kon er stoepranden, en appeltjes stelen uit de tuin van de dierenarts. Maar thuis was het minder leuk. Aan de buitenkant waren we een heel voorkomend gezinnetje met twee zoons, maar achter de deur was het grimmig. Altijd strijd. Dat je denkt: waarom zijn mijn ouders al die tijd bij elkaar gebleven?”

Monumentale vormgeving

“Ik was aangenomen bij twee sportopleidingen, het Cios en de Calo. Vraag me niet waarom, maar ik koos voor de kunst. Ik ben naar de hogeschool in Kampen gegaan. Na het eerste jaar moest je kiezen. Het werd mode, een afdeling met alleen maar meiden. Na een week rende ik er gillend weg. Het volgende was architectuur. Te saai, bedacht ik na een maand. Vervolgens ben ik naar beeldhouwen gegaan, maar dat was weer te stoer voor mij. Uiteindelijk kwam ik bij monumentale vormgeving. Geen idee wat het was, maar de docenten zeiden: blijf maar lekker hier. Ik deed toch vooral mijn eigen ding.”

Vouwhoed

“Sinds mijn derde vouw ik kleine papiertjes. Dat deed ik op de academie ook, totdat een ­docent zei: doe dat eens in het groot, want ik word gek van dat gepriegel van jou. Voor een wedstrijd van het dansgezelschap Djazzex in Den Haag heb ik negen verschillende vouw­hoeden ontworpen. Tot mijn verbazing won ik en moest ik ze in het echt uitvoeren. Ik maakte die hoeden uit schilderslinnen. Zes meter per hoed. Voor mijn afstuderen heb ik ze op monumentale manier gepresenteerd, op een karretje dat een reis maakt. Tegenwoordig zit hij anders in elkaar, maar de vouwhoed blijft mijn hoed. Het is gewoon een goed ontwerp. Als je hem op hebt lijkt hij steeds van kleur te veranderen. Hij kan tot een heel klein bolletje worden gevouwen of zelfs als kraag gedragen. Of als schaal op een tafel liggen.”

Sugar Pie Honey Bunch

“Ik had toegezegd mee te doen aan een tentoonstelling, maar vier dagen voor de inleverdatum had ik nog niks. In de keuken stond boven op de kast een bus met van die felgekleurde snoepjes. Ik heb een kleed uitgerold en al die snoepjes op kleur gesorteerd. Na twee uur rijgen was de hoed klaar. Hij heeft veel pers gehad omdat hij én eetbaar was én een gekke naam had. Het is ook een nummer van de Four Tops, ja. Het bekte wel lekker.”

Prinsjesdag

“Af en toe is ergens een haringparty of een bruiloft, dan worden er hoeden gedragen omdat de mensen denken dat het zo hoort. Maar als ze hier komen, hebben ze het over ‘hoedjes’. Nederland is geen hoedenland, al vind ik Prinsjesdag wel vermakelijk. Zitten al die dames daar en iedereen duikt erbovenop. Of er staat een heel harde wind. Er zit nog weleens een misser tussen, maar ik moet zeggen: je ziet steeds vaker mooie, goed gemaakte hoeden. Dat je bijna denkt: het gaat nog goed komen ook.”

“Toen wij in 2014 een vouwhoed hadden ­gemaakt voor Eerste Kamerlid Esther-Mirjam Sent, kwam die op tv. Wij zaten op de bank en dachten: wauw! Tot Jan Jaap van der Wal bij RTL Late Night commentaar kwam geven. ­Hoezo Jan Jaap van der Wal? Kwam ‘die lampenkap’ van ons voorbij. Ik dacht: o nee, dit kan niet waar zijn. Maar slechte reclame bleek ook gewoon reclame. We kregen enorm veel mensen over de vloer.”

Máxima

“Het is mijn droom ooit nog eens een hoed voor haar te maken. Ze haalt ze nu uit België, bij Fabienne Delvigne. Dat kan natuurlijk niet voor een Nederlandse koningin. Het maakt niet uit wat je bij Máxima op haar hoofd zet. Ze kan veel hebben, zo niet alles. Ze heeft een rond hoofd, daar passen veel vormen op. Een goed hoedenhoofd is niet te lang uitgerekt en niet te breed, heeft geen gekke kaaklijn en geen gekke jukbeenderen. Haar haar zit ook niet erg in de weg. Het lijkt me zo spannend om haar een keer te ontmoeten. Al weet ik niet of dat zo werkt. Misschien komt er alleen een hofdame langs.”

Rabobank

“Na mijn studie kreeg ik een startstipendium. Ik maakte een heel mooie collectie, dus ik dacht: dat is het. Wist ik veel hoe het werkte.

Na een paar jaar was de koek op. Ik leerde een man kennen. Die zei: dat gefröbel van jou, moet je niet een keer een baan zoeken? Zo kwam ik terecht bij de Rabobank als baliemedewerker. Dat werd van kwaad tot erger. Na een maand was ik kantoormanager in Doorwerth, in pak met stropdas. In 2008, in de crisis, werd ik ontslagen. Dat was mijn redding. Op het moment zelf was het natuurlijk vervelend, ook omdat ­tegelijkertijd mijn relatie uitging. Ik ben er een week ziek van geweest, maar toen bedacht ik: als ik mijn kans nu niet grijp, krijg ik hem nooit weer. Van de afkoopsom ben ik in Arnhem, bijna veertig jaar oud, De Hoedenmaker begonnen. Zo simpel kan het leven zijn.”

Modestad

“Arnhem de modestad? Wie zegt dat? Kom niet aan Arnhem, ik heb er 25 jaar gewoond en het is een prachtige stad, maar de modestad? Ik heb met De Hoedenmaker vijf jaar in het modekwartier gezeten. Na vier jaar gingen de Bijenkorf en de V&D weg. De dametjes met hun gelakte nageltjes en hun mooie tasjes maakten plaats voor mensen die met vier tassen van de Primark over straat liepen. Ik dacht: maken dat we wegkomen, want hiermee gaan we de wedstrijd niet winnen.”

“We hebben de stoute schoenen aangetrokken en zijn naar Amsterdam gegaan. Hier zitten de bladen, de stylisten en de pr-bureaus. Hier gebeurt het. We zitten nu op de Keizersgracht. Dan denk je natuurlijk: wat verbeelden die zich? Maar we wonen hier, we hebben de winkel en een bed and breakfast en we werken ons helemaal de blubber. We dachten: het zou moeten lukken met ons jip-en-jannekebedrijfsplan. En ja hoor: het loopt goed.”

Nachtwacht360

“Op een zaterdagochtend stond hier ene Hans op de stoep. We hadden een leuk gesprek. Na ­afloop zei hij dat hij wel kon zien dat ik hoeden kon maken en dat ik nog van hem zou horen.

Ik dacht nog: ik ken hem. Maar pas toen hij een mail stuurde waarin hij mij vroeg om de hoeden te maken voor zijn fotografieproject Nachtwacht360 begreep ik dat het Hans Ubbink was. Ik zei meteen ja.”

“Het was echt ingewikkeld om van alleen een plaatje twaalf zeventiende-eeuwse hoeden na te maken. Het moest in twee maanden klaar en ik kon alleen putten uit mijn eigen vakmanschap. Het gekke is: hoe de hoed toen werd gemaakt, doen we het nog steeds. Uiteindelijk was het gewoon een kwestie van beginnen. Er wordt soms een beetje lacherig gedaan over hoedenmaken, maar ga er maar aan staan. Dit was op de grens van wat maakbaar is. Het is mijn meesterwerk. Het is ontroerend mooi geworden.”

Marcel de Leeuw

“Mijn partner en mijn alles. Drie jaar geleden zijn we getrouwd, op dat draaiende plateau in de Wim T. Schipperszaal in de Stopera. Hilarisch. Met een bootje van de buurman zijn we met de hond over de gracht naar het stadhuis gevaren. Marcel en ik hebben elkaar naakt aan de waterkant van recreatieplas Bussloo ­ontmoet. Het was meteen donder en bliksem, maar hij zat nog in een relatie, dus we hebben alleen gepraat. Later ben ik hem gaan zoeken via internet. Als zeventienjarige jongen is hij etalages gaan maken en heeft zo zichzelf het vak geleerd. Hij kan van een drol een gebakje maken. Alles wat je hier ziet, is Marcel. Hij is de sfeermaker en de zakenman. Misschien ben ik het gezicht van De Hoedenmaker, maar hij is de motor.”

Mannenhoed

“Als man wil je met zon en regen toch iets op je hoofd, zeker als je een beetje kalend bent. Maar een hoed, dat durft de man van tegenwoordig niet en na je dertigste kun je ook niet meer met een baseballcap aankomen. Dus wordt het een pet. Die gaat hier als een malle, het is zo’n beetje ons best verkopende product. Maar ja: wij maken er elk jaar vierhonderd, dat zie je in het straatbeeld niet terug. Het gekke is wel: de laatste tijd komen mannen vragen om een baret. Een geruststellende gedachte: over twee jaar is dat over en zijn onze petten nog steeds in.”

Olympische Spelen

“Ik was tien en vanuit school was er een hardloopwedstrijd. Ik won. Toen zei iemand: je moet op atletiek. Voor mij geldt: als ik meedoe, wil ik ook winnen, dus toen ik een jaar of zestien was, belandde ik in een nationaal olympisch jeugdteam. Ik liep de 300 meter horden. Bloedfanatiek, ik wilde olympisch kampioen worden. Maar toen de keuze kwam sport of kunst werd het dus toch kunst en toen was het afgelopen. Ik was misschien ook net niet goed genoeg voor de Olympische Spelen. In wat ik nu doe kan ik meer excelleren, maar lopen doe ik nog steeds. Begin april ben ik geopereerd aan mijn knie, dus moet ik rustig aan doen, maar het mag weer. Het is verslavend en ik ben nog steeds fanatiek. Gewoon een stukje lopen? Dat kan ik helemaal niet.”

Cintha van Heeswijck

“De directeur van ArtZuid? Ik ken haar niet, maar bij ArtZuid ga ik meestal kijken. Wordt het niet eens tijd dat daar een vouwhoed in het groot wordt tentoongesteld, als monumentaal kunstwerk van 10 meter hoog? Die vouwhoed kun je ook ombouwen tot een podium voor het Eurovisie Songfestival. Of tot het dak van een stadion. Ik ben daar wel aan toe.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden