Voorpublicatie

Hoe Harold Hamersma werd opgenomen in een wijnclubje

Met zijn eerste glas pinard, Frans voor ‘bocht’, was Harold Hamersma’s interesse voor wijn gewekt. In zijn boek De vrouw die water liet aanbranden beschrijft hij zijn wijn- en eetavonturen. Een voorpublicatie.

null Beeld Olf de Bruin
Beeld Olf de Bruin

Mijn wijnpremière beleefde ik op een feestje bij iemand thuis. Met dank aan pinard. Generatiegenoten kennen die literpakken misschien nog waarmee Albert Heijn Nederland aan het wijn drinken heeft gekregen. Het spul werd in grote hoeveelheden voor onze tienerfeestjes ingeslagen. Vervolgens, als wij bij die pakken gingen neerzitten, sterk naar schapen geurende Afghaanse jassen in de gang, namen wij in de jaren zeventig de wereld door. We waren toch in de buurt.

Slechts één keer is mijn vader getuige geweest van een alcoholische uit­glijer. Toen bracht ik een doorwaakte nacht door, pendelend tussen het toilet naast de echtelijke slaapkamer en mijn zolderkamer, na een iets te ambitieuze wijnsessie bij een vriend thuis.

“Gut, van bier heb ik dat nou nooit,” zei hij toen ik voor de vierde keer boven de pot hing. Ik heb hem maar niet verteld dat ik die avond behalve een pak wijn ook een paar joints ophad. Aan roken had ie een broertje dood.

Als ik toen had geweten wat pinard betekende, had ik het waarschijnlijk niet zo schielijk tot mij genomen. Pinard was het jargon voor ‘bocht’. Het was de wijn die de Franse soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog in de loopgraven kregen als vervanging van water dat helemaal niet te drinken was. Zelfs kanonnenvoer kende een bijpassende wijn, zo blijkt.

De complete wijnliefhebber

Na twee jaar manmoedig ‘de pinard’ te zijn geweest (heel lang heb ik gedacht dat een ‘AH-erlebnis’ de kater was die daarvan het gevolg was), besloot ik eens wat duurdere wijn te kopen: eentje in een fles. Bij supermarkt Simon de Wit kocht ik voor vijf gulden Château du Bousquet. Een hele uitgave, pinard kostte minder dan twee. Op het etiket stond een gravure van het domein. De kasteelheer van dienst had daar met rode stempelinkt ‘mis en bouteille au château’ op laten aanbrengen. Bovendien was er met sierlijke krulletters een viertal toverwoorden op gekalligrafeerd: Grand Vin de Bordeaux. Dat het hier qua reputatie een piepklein ‘chateautje’ uit Côtes de Bourg, het Diemen-Noord van de regio, betrof, was mij onbekend. En het nieuws dat 1973 een vrij dun oogstjaar was, had mij evenmin bereikt.

“Dit was een godendrank,” luidde mijn conclusie. Met die fles ging er een wereld voor mij open: de wijnwereld. Ik wilde er meer over weten: Hubrecht Duijker, wijnschrijver, vinpressionist zoals hij zichzelf noemt, diende zich aan. In 1976 verscheen een van zijn eerste boeken, De complete wijnliefhebber. Na het drinken van Château du Bousquet wist ik zeker dat ik dat ook wilde worden. Ik kocht het boek. Ik vrat de inhoud. En ik dronk de door hem beschreven wijnen.

Al in het voorwoord las ik dat ik op het goede spoor zat: ‘Tot in het begin van de jaren zestig was wijn een drank die in een soort glazen toren zat, onbereikbaar voor iedereen behalve de zeer welgestelden. De toegenomen welvaart en vooral de inspanningen van de heer A. Heijn hebben de wijn onder den volke gebracht.’

Harold Hamersma. Beeld Mark Uyl
Harold Hamersma.Beeld Mark Uyl

Ik gaf mijzelf een schouderklopje vanwege het zo vroeg oppikken van deze trend en las verder: ‘Maar wijn werd niet alleen gedemocratiseerd, ook geëmancipeerd. Eeuwenlang was het vader die de wijn kocht, maar nu stopt moeder dikwijls een fles in de boodschappentas. Niet lang geleden toonde een Amerikaans onderzoek zelfs aan dat er in de Verenigde Staten meer wijnaankopen door vrouwen werden gedaan dan door mannen: 51 tegen 49 procent. De beste klanten bleken werkende dames te zijn tussen de 18 en 39 jaar.’

Ik besloot het boek buiten het bereik van de vrouw des huizes te houden: die voldeed volledig aan voornoemd daderprofiel. Ik begon wijn net zo leuk te vinden. Bovendien zag ik mij zelf niet achter het fornuis staan. Laten we het op een jeugdtrauma houden.

Over de kop

We hadden weinig geld. Karin was invalkracht en had niet alle dagen werk. Mijn inkomsten waren op zijn zachtst ­gezegd ‘onregelmatig’ te noemen. Toch spaarden we voldoende om een keer per maand buiten de deur te kunnen eten. Daartoe mede aangespoord door Wina Born, de grande dame van de Nederlandse gastronomische journalistiek, die in de maandglossy ­Avenue over de vaderlandse haute cuisine schreef. We verlekkerden ons aan een twaalf pagina’s tellende reportage over de toen net in Nederland ontbolsterende Japanse keuken.

Voor haar rubriek ‘Club van fijnproevers’ bracht zij zodoende ook een bezoek aan Le Ciel Bleu, het inmiddels met twee ­Michelinsterren gelauwerde restaurant van het Japanse Hotel Okura in Amsterdam. Daarin noteerde zij amuses als ‘geestige mondvermaakjes’, befluisterde zij het voorgerecht (‘elke slak troonde op een fraaie, grote champignonkop’), complimenteerde zij een maître omdat ‘deze straalde van een hoofse dienstvaardigheid’ en toonde zich tevreden met het prijs­niveau van de wijnkaart: ‘zeer fatsoenlijke marges, nog lang niet de meer en meer gebruikelijke 200 procent!’ Een koopje. Tegenwoordig is drie tot vijf keer ‘over de kop’ overigens gangbaar.

Le Ciel Bleu was voor ons nog te hoog gegrepen, maar we aten in Quartier Latin in de Utrechtsestraat, een bistro met slakken en steak béarnaise op het menu. We werden habitué van Valentijn op de Nieuwmarkt, bestierd door een Nederlands echtpaar dat in Frankrijk een hotel-restaurant had gehad. We aten er van houten borden. En verbaasden ons over een dessert: aardbeien met peper. En iedere zaterdag wandelden we aan het eind van de dag (de vijf in de klok) naar de hoek van de nabijgelegen Middenweg en de Pretoriusstraat om bij Wijnkoperij Henri Bloem zelf wijn te tappen. Bij de vinotheek, zoals ze zichzelf hadden genoemd.

Façade van ambachtelijkheid

De volgende zaterdag namen we de leeggedronken flessen weer mee om deze ter plekke om te spoelen en opnieuw te vullen. Authenticiteit ten top. Dat er uit een heel ander vaatje werd getapt dan de muur van eikenhouten tonnetjes deed geloven, begreep ik pas toen ik er af en toe een handje kwam helpen. Achter die façade van ambachtelijkheid verscholen zich grote plastic tanks met rood, wit en rosé die het niveau pinard maar net waren ontstegen.

We werden opgenomen in het wijnclubje dat op zaterdag eveneens de tocht aanvaardde. Een slager met zijn zoon. Een rijschoolhouder met zijn vriendin. Een vertegenwoordiger in medische apparatuur. Een bank­employé met zijn vriend, die purser was bij KLM. De wijnwinkelier die alle vrouwen in het gezelschap ‘schoonheid’ noemde. En met gulle hand schonk, om zes uur de deur op slot draaide en nog maar eens een flesje opentrok, nadat ieder clublid weer een donatie van vijf gulden had gedaan. Via betalingen in wekelijkse termijnen leerde ik dat er meer was dan pakwijn, tapwijn en Château du Bousquet.

Op weg naar huis stopten we, hongerig geworden, bij een grillroom op wat nu het Steve Bikoplein is, om eens een broodje shoarma te eten, een nieuw fenomeen. Toen ik de uitbater vroeg of hij er ook wijn bij schonk, keek hij mij verbaasd aan. Zodoende dacht ik boven een glas melk na over wat ik had ­gezegd toen de wijnwinkelier informeerde naar wat ik eigenlijk zoal deed.

“Ik schrijf een beetje.”

De vrouw die water liet aanbranden, Harold Hamersma, Ambo|Anthos, €21,99.

null Beeld -
Beeld -

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden