Plus Essay

Het wordt tijd om over onze miskramen te praten. We zijn met zovelen

Mensen schrikken als je over je miskramen begint. Bedoelen het goed, maar zeggen het verkeerde. Parooljournalist Marjolijn de Cocq over de kinderen die er niet kwamen, maar er wel zijn.

Beeld Fieke Ruitinga

Ze komt op mijn bureau aflopen, een beetje schichtig; in haar hand een potje met narcisjes. Ze zet het op mijn bureau en zegt: “Je weet wel waarom.” En ik zeg: “Bedankt,” terwijl zij zich weer snel uit de voeten maakt.

Ik zeg bedankt.

Bedankt voor het gebaar.

Bedankt voor het medeleven.

Bedankt dat ik nu elke keer als ik naar deze fokking narcisjes kijk precies weet waarom.

Bedankt en naar de hel moet je.

Ach, die lieve redactieassistente. Kan zij er wat aan doen.

Ik ben die dag weer aan het werk gegaan, als ik nu mijn dagboek uit die tijd opensla moet dat 2 februari 2006 zijn geweest. De dag ervoor schrijf ik: ‘Twee weken geleden wisten we nog van niks. Toen waren we nog zo gelukkig. Toen stond ik, ook weer zo vroeg wakker, al om zes uur op. Las lekker rustig in mijn eentje de krant. En drie uur later was alles aan diggelen. Ik slik iedere dag foliumzuur. Nog steeds, morgen weer werken. Ach klein wurmpje.’

Vind ik het larmoyant, nu ik dit bijna veertien jaar later lees? Nee, hooguit wat dramatisch. Maar het wás ook dramatisch. Het is niet voor niets dat die scène met dat potje narcisjes, die ik niet in dat dagboek heb opgetekend, me toch nog zo scherp voor de geest staat. Dat ik die felle, machteloze woede nog steeds in me voel oplaaien als ik denk aan alle dingen die in die tijd werden gezegd, zo goed bedoeld en zo wreed tegelijk.

“Het is beter zo, het kindje was vast niet goed geweest.”

“Gauw weer opnieuw proberen.”

“Mijn grootmoeder heeft wel acht miskramen gehad.”

“Gelukkig was je nog niet zo lang zwanger, een vriendin van me moest met vijf maanden bevallen omdat haar baby niet levensvatbaar was.”

“Mijn nicht had een doodgeboren kindje.”

“Ga maar weer lekker oefenen.”

“Gelukkig heb je al een kind.”

“Het is de natuur.”

Het was mijn tweede miskraam. Al mijn tweede. En pas mijn tweede, want er zouden er nog twee volgen. Eerst kreeg ik een gezonde dochter. Toen was er een ‘windeitje’. Toen kwam er een ‘degeneratief foetje’. Toen kreeg ik een gezonde zoon. Toen kwam er weer een windeitje. En nog een ‘late ongesteldheid.’

Ik heb twee prachtige kinderen. Ik ben niet zielig. En ik kan me rijk rekenen en redeneren: was dat windeitje of dat ‘foetje’ (spreek uit feutje, kort voor foetus) tot kind uitgegroeid, dan was deze ene speciale, geweldige, prachtige zoon er dus nooit gekomen. Maar toch: er zijn vier kinderen niet.

Praten erover, dat doe ik eigenlijk zelden. Behalve als ik ineens, door een half woord, een lotgenoot vermoed. Me uitspreek en het echte gesprek kan aangaan. Waarbij het aantal keren dat het fout was er niet toe doet en of het nu twee of vier of zes meer is, het nooit voelt als onderschatten of overbieden.

(In bovenstaande alinea heb ik daar waar ik telkens ‘je’ schreef, er ‘ik’ van gemaakt. Al is er ook een vader van vier niet-bestaande kinderen, dit verhaal gaat niet over hem, en ook niet over ‘je’. Het gaat ook niet over ‘vlinders’ trouwens, zoals miskraamkinderen wel worden aangeduid – er zijn websites waar ‘vlindermoeders’ hun ervaringen delen en troost zoeken, er zijn begraafplaatsen met ‘vlinderhofjes’, maar ik heb mijn miskraamkinderen nooit als vlinders gezien. Elke keer, vanaf het moment dat ik wist dat ik zwanger was, was er een kind waar ik hoop, verlangen en liefde op projecteerde. En die kinderen die er nooit kwamen, zijn er voor mij wel.)

Dagboek 25 juli 2003

Op de momenten dat het echt tot me doordringt, kan ik bijna niet ademhalen. Ik denk: ik hou nu al van je. Van een wezentje dat nu nog niet eens een hartje heeft, of een zenuwstelsel.

Mijn eerste zwangerschap is een (bijna) onbewolkte. Zeer gewenst ook, ik ben 36 jaar als onze dochter wordt geboren. Er laat bij dus. Feit: de kans op een spontane zwangerschap neemt bij vrouwen tussen de 35 en 38 jaar met vijftig procent af. Feit: complicaties komen tijdens de zwangerschap en bevalling meer voor, de kans op een miskraam, vroeggeboorte of een kindje met het downsyndroom neemt toe.

Na een kleine bloeding laat de echo op 7 september een buitelend wezentje zien, zo groot als een sleutelhanger, het hartje klopt. Wel laten we een vlokkentest doen, een afweging die we vanwege mijn leeftijd en de kans op down hebben gemaakt – een afschuwelijke, onnatuurlijke ingreep waarbij met een naald (ja, dwars door je buik naar de plek die je het meest wilt beschermen) in je baarmoeder stukjes (vlokken) van de placenta worden geschraapt voor prenataal onderzoek. Een ingreep ook, die die kans op een miskraam vergroot. Maar de uitslag is goed: geen enkel afwijkend chromosoom. Vanaf dat moment heeft onze dochter een naam. De grootste paniekaanval daarna is het moment dat ik, hoogzwanger, besef dat ik met mijn alpha-aanleg mijn dochter nooit met wiskunde zal kunnen helpen; een brevet van moederlijk onvermogen. Mag zo iemand überhaupt een kind?

Voor het nieuwe kleintje in mijn buik, begin ik op 24 augustus 2005 een nieuw dagboek: We vertellen nog niemand iets van je, anders heeft iedereen het op de trouwerij alleen hierover. Maar het is wel leuk dat je er zo heel stiekem al bij bent op onze grote dag.

We gaan trouwen, onze dochter is een jaar en vier maanden oud. En die zwangerschap is nog best een beetje hachelijk in verband met De Jurk – ik draag het lime-groene jurkje met gazen capeje waarin mijn moeder in 1964 was getrouwd; het past maar net. Ik moet er een antibioticakuur bij liegen omdat ik niet kan drinken op het vrijgezellenfeestje waarmee ik – niet van de vrijgezellenfeestjes – toch blij word verrast. Op onze trouwdag zelf nip ik af en toe van de champagne zonder dat mensen in de gaten hebben dat ik de glazen laat verdwijnen. Dansend gaan we de nacht in – en een week later ligt het nieuws alsnog op straat.

10 september 2005

We kwamen naar buiten, toen daar ineens onze bovenbuurvrouw A. stond en enthousiast riep dat ze negen weken zwanger is. Toen floepte ik het er ook zo uit. Het was heel blij daar, iedereen glanzend in de zomerzon op de stoep van de Hoogte Kadijk.

Glanzend in de zomerzon.

Maar twaalf dagen later begin het bloeden, wordt in het ziekenhuis vastgesteld dat er geen foetus te zien is. Een leeg vruchtzakje als teken dat er íets geweest is. Iets wat een ‘windeitje’ wordt genoemd. ‘Je leeft niet eens. Je bent er niet eens. Je bent nooit zo ver ontwikkeld als de 3 centimeter die je nu zou moeten zijn. Dag schatje, ik hield al wel van je.’

Het is diep vallen na die hoge top van onze trouwdag. De bloeding stopt niet, wordt zo ernstig dat ik ’s nachts in het ziekenhuis terechtkom voor een curettage. Op een bed door de gangen, naar de operatiekamer. Ik moet blijven, alleen. In mijn hoofd een tergend liedje van een van onze kindercd’s: ‘Droom kindje droom/ en reis vannacht naar dromenland/ waar Klaas Vaak op je wacht.’

De volgende ochtend word ik door onze dochter bij thuiskomst platgeknuffeld. ‘Zij is er,’ schrijf ik. ‘Zij is er wél.’

We gaan met haar en mijn geschrokken ouders naar Artis, achter een grote kei in de Japanse stenentuin begraaf ik, vlak bij de boeddha, een houten doosje met papieren hartjes erin. Ik wil een plekje, in plaats van dit Grote Kale Niets. Daarna drinken we een borrel, in ons vaste café aan de overkant van de straat. Onze dochter is met opa en oma achtergebleven in de dierentuin. “Zo, kinderloos vandaag?!” roept de eigenaar.

Ik loop soms nog steeds naar die steen in Artis. Onderweg verzamel ik takjes lentebloesem, mooie herfstblaadjes, die ik er als ik denk dat niemand het kan zien neerleg. Als ik 44 ben, laat ik een tatoeage zetten op mijn rechterschouder. Een Ganesha, de Indiase hindoegod van kennis en wijsheid met olifantenhoofd. “I don’t do stickers,” zegt de Oekraïense tatoeëerder aan wie ik om een ontwerp heb gevraagd. Geen kleine standaardtattoos bij hem. Ganesha piept boven mijn kleren uit, als mensen er naar vragen lach ik het weg: “Ja joh, midlifecrisis hè?”

Maar wie het echte verhaal wil weten vertel ik over de vier hartjes op zijn slurf, voor mijn vier niet-kinderen. De tatoeage als het uiterlijke litteken dat ik kennelijk nodig had. Altijd schrikken ze. “O sorry, o wat erg, o wat naar.” Dat is waarom ik meestal mijn mond liever hou.

“Maar gelukkig heb je twee kinderen.”

Maar gelukkig heb ik twee kinderen.

“Een keizerskoppel, ook nog.”

Ja, een keizerskoppel, ook nog.

Beeld Fieke Ruitinga

Alleen de vrouwen die het hebben meegemaakt, weten wat het is. Hoe het voelt. De choreograaf met wie een interview in een diep gesprek en grote wederzijdse herkenning uitmondt. De puberspecialist met wie ik huilend van het lachen al het goedbedoelde ergs opsom. Ja, daar zijn ze weer, die fokking narcisjes op mijn bureau. We gaan er een boek over schrijven, roepen we, we kennen zoveel vrouwen met hun verhalen. Alleen doen we het niet, we stellen het uit, we duwen het weg.

En dan staat in oktober 2019 cabaretier Stacey Esajas met haar onewomanshow Soep! op het podium. Meester in plannen, vertelt ze, had zij haar zwangerschap als militaire operatie aangepakt. Die een, twee dagen per maand dat een vrouw zwanger kan worden feilloos berekend, alvast een babykamer op Marktplaats gereserveerd, check!

En toen week 6: ‘Misgelopen. Misplaatst. Misleidend. Mispoes. Misgegaan. Misgeslagen. Misvatting. Misselijkmakend. Misdragend. Mislukking. Miskraam. Mis.’

En ik besluit, daar en dan, dat ik dit verhaal toch wil schrijven. We zijn met zovelen, al weten we dat vaak niet van elkaar.

Feit: als de foetus voor 16 weken zwangerschap door het lichaam wordt afgestoten, is er sprake van een miskraam of ‘spontane abortus’. Feit: als de foetus tussen de 16 en 28 weken stopt met leven, heet het een ontijdige zwangerschap. Feit: als de baby tussen de 28 en 37 weken overlijdt, is het officieel een vroeggeboorte, tot 40 weken wordt het een doodgeboorte genoemd. Feit: jaarlijks krijgen 11,5 op de 1000 vrouwen in de leeftijd van 25 tot 44 jaar een miskraam (geregistreerde miskramen).

We hadden mijn nieuwe zwangerschap in december gevierd met de fles roze champagne die we op ons huwelijk hadden gekregen.

12 december 2005

Ik ben zo opgelucht. Ik had gedacht dat ik banger zou zijn, maar al toen ik begon te vermoeden dat ik zwanger was daalde er een enorm sereen gevoel over me neer.

Een maand later mogen we vervroegd een echo laten maken. Mis. Ik krijs zo hard dat de mensen die nog in de wachtkamer zitten ons niet durven aankijken als we naar buiten komen.

Zes weken en zes dagen heeft de foetus geleefd. ‘Het ís er wel. Het heeft een hoofdje, en een staartje. Maar geen kloppend hartje. En nu weet ik wat ik allemaal moet doorstaan, wat er nog moet komen. Dit dagboekje ‘Voor het kleintje in mijn buik’ is een dodekindertjesboek geworden. Het is zo gemeen. En het is zo droef.’

In het ziekenhuis geef ik aan dat ik het niet weer op zo’n spoedopname wil laten aankomen. Dan liever gelijk weghalen. Maar in het OLVG is geen plek, en de gynaecoloog in opleiding die moet rondbellen naar andere ziekenhuizen heeft geen hart. “Nou,” lacht ze, “de ingreep gaat sneller dan de afspraak is gemaakt.”

Uiteindelijk loop ik nog een week rond met wat later in het BovenIJ ziekenhuis wordt gediagnosticeerd als een ‘degeneratief foetje’. Een wandelende graftombe, met het surrealistische gevoel dat ik zo toch nog voor dat dode kindje ‘zorg’.

Als ik uiteindelijk de operatiekamer word binnengereden, maakt de anesthesist de standaardgrap over mijn achternaam: “O, dus níet met cee-oo-cee-kaa?”

Het radioprogramma Arbeidsvitaminen staat op: ‘Take these broken wings’. Dat het de verjaardag is van mijn man kan er ook nog wel bij, eenmaal weer thuis vieren we het met de cadeautjes die ik toch maar heb gekocht, draaft onze dochter tussen de ballonnen die ik heb opgeblazen.

24 januari 2006

Het is net of ik mezelf weghoud bij het verdriet. Het is als een kogeltje in mijn buik, met een keiharde laag eromheen. En ik weet wat er komt als dat kogeltje openbarst.

Drie weken later valt onze kat Edje me aan. Ze springt naar mijn benen als ik langsloop. Dat heeft ze drie keer eerder gedaan – ja toen. “Je bent toch niet zwanger?” zegt mijn man meteen. Ja, ik ben dus zwanger, nu alweer, zo snel. En er is een nagesprek in het BovenIJ, het voelt als opbiechten als we het de gynaecoloog vertellen - bij de konijnen. Ze valt even stil. Maar zegt meteen daarna: “Als het het doet, doet het het.”

Ik wil het eigenlijk niet, ik ben bang. Maar zij belooft ons hier doorheen te helpen. Ze gaat elke week een echo maken, als het mis is, weten we het snel.

“Tjommie,” zeggen we in de auto terug tegen elkaar, van het tjommiejommie waarmee onze dochter tjongejonge bedoelt.

In het dagboek de echofoto’s.

9 maart 2006

Zes weken en twee dagen, 5,6 millimeter, kloppend hartje.

28 maart 2006

Een hoofdje, armpjes die bewogen, beentjes en, zoals de gynaecoloog dat zei, een kontje dat schudde. Helemaal volgens schema. Gefeliciteerd, zei ze. En dat de kans dat het nú nog fout gaat heel klein is. Het dringt nog steeds niet door, zo voorbereid was ik op opnieuw afscheid.

Er komen nog twee miskramen. Maar deze twee miskinderen hebben geen eigen dagboek meer. Zijn ze minder erg? Misschien wel – want dat keizerskoppel hébben we dan al; maar in het bestaan van een gezin met jonge kinderen is er ook minder tijd voor reflectie. Miskraam vier is al met zes weken, ik heb daags ervoor aan mijn man verteld dat ik zwanger ben. Hij schrikt, had er al niet meer op gerekend en hoeft ook niet meer zo nodig.

We lopen op de Grote Markt in Groningen, die avond kijken we bij vrienden in de tuin op een groot scherm de EK-kwartfinale Nederland-Rusland. Ik ben met mijn gedachten niet bij voetbal, ik richt in mijn hoofd onze slaapkamers anders in voor een derde kind erbij. Later bedenk ik, vals, dat mijn man de Nederlandse nederlaag erger vindt.

Met de derde miskraam word ik op mijn verjaardag in september 2019 ineens hard geconfronteerd. Een oude vriendin komt met haar dochter die net haar tiende verjaardag heeft gevierd. Ze is geboren op 2 september, tien jaar eerder mijn uitgerekende datum. Zo groot zou mijn kind dus nu zijn geweest. Hoe zou mijn kind zijn geweest? Wie?

Van de zoon die in 2006 in mij groeit, durf ik lang niet te houden. Ik mis de positieve naïviteit van mijn eerste zwangerschap. Hij wordt geboren in november, maar pas eind februari schrijf ik over die avond, het beeld van na de bevalling.

‘Jij, aangekleed op een verzorgingskussen, onder de warmhoudlamp. We moesten urenlang wachten voordat we uiteindelijk, om drie uur ’s nachts, uit het ziekenhuis konden vertrekken. Het was druk en er was domweg geen tijd om ons administratief af te handelen. Ik lag op bed te wachten, met uitzicht op jou. Want jij was daar op dat kussen neergelegd.

Waarom heb ik je er niet afgehaald? Waarom heb ik heb ik je niet opgepakt en vastgehouden, dicht tegen me aan? Ik liet je liggen en bestudeerde je, in plaats van je te koesteren.’

We halen het in, al blijf ik nog lang bang hem alsnog kwijt te raken. De tijd van de miskramen ligt steeds verder achter me. Ze schrijnen minder.

Als onze zoon vier wordt en we met weemoed afscheid nemen van de crèche, zegt een van de leidsters: “Maar dan maken jullie er toch gewoon nog een!”

Beeld Fieke Ruitinga
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden