Plus Interview

Het werk van een coldcase-rechercheur: ‘Achterblijvers hebben nooit rust’

Carina van Leeuwen: ‘In een operatiekamer kom je van alles tegen, maar geen doodgeslagen mensen.’ Beeld Imke Panhuijzen

Ze was eerst te klein voor de politie, daarna te ‘oud’, waardoor Carina van Leeuwen (60) pas forensisch rechercheur werd na een omweg als ok-assistent. Met het coldcaseteam is ze vastbesloten de naamloze doden een identiteit te geven. ‘Elke dag denk ik aan de achterblijvers die wachten, zij hebben nooit rust.’

Carina van Leeuwen, forensisch rechercheur in het coldcaseteam van de Amsterdamse politie, spreekt graag af bij café Stationshuiskamer op Den Haag Centraal. Handig, want daar neemt ze bijna elke dag de trein naar Sloterdijk, waar ze werkt. Het is een opvallend kleine, tengere vrouw met kort blond haar en lieve, bruine pretogen. Ze ziet er stukken jonger uit dan ze is.

Het woord klein rolt mijn mond niet uit, maar misschien was er een blik. Hoe dan ook, Van Leeuwen begint nog voor de koffie is besteld uit zichzelf over haar lengte. Ze zegt dat mensen vaak opmerken: goh, ik had verwacht dat je veel groter zou zijn. Groot hoort bij het beeld van een rechercheur, ook als het een vrouw is.

Groot genoeg was vroeger wel een vereiste bij de politie; je moest minstens 1,65 meter zijn. Pech voor Van Leeuwen, die vervolgens koos voor een baan als operatiekamerassistente. Tegen de tijd dat de lengte-eis werd afgeschaft was ze weer te oud, een grens die later ook veranderde en zo kwam ze met haar 1,57 meter op haar 32ste alsnog bij de politie, in Den Haag.

Haar eerste stageweek begon op de achterbank van een surveillancewagen. Ze zat nog geen uur of er kwam een melding binnen over een dode man met naast zich een huilende dronken vrouw en een bebloede koekenpan die precies paste in het gat in zijn hoofd. De stagiaire kon prima mee, vonden de agenten, ze was toch geen broekie meer, ze had vast al wat gezien.

“Dat klopte, maar dit was een toch een ander verhaal; in een operatiekamer kom je van alles tegen maar geen doodgeslagen mensen. Ik stond daar, totaal gefascineerd door de technische recherche – nu heet het forensische opsporing – die bezig was met de man en de koekenpan. Dat wilde ik ook, maar er werkten toen, begin jaren negentig, bijna uitsluitend witte grijzende mannen.”

Van Leeuwen grinnikt. “Een van hen wierp tegen: als iemand zich heeft opgehangen, moet jij hem lossnijden; dat is veel te zwaar voor jou en je kunt er niet bij. Laat mij nou maar, zei ik, ga ik wel regelen. Zo werd ik een van de eerste vrouwen bij de Haagse forensische opsporing. Dat gaf hilarische situaties. Als ik op een plaats delict arriveerde, stormde er standaard iemand hysterisch op me af: ‘Mevrouw, aan de kant, de technische recherche komt eraan!’ Ik kon er wel om lachen en ik heb me nooit achtergesteld gevoeld.”

De tactische recherche, ook onderdeel van de opleiding, was dan weer niets voor haar, vervolgt ze nadat de koffie is gebracht door een knappe jongen met een afroblockheadkapsel waar Van Leeuwen de nodige vragen over stelt (‘Wat moet je daar nou ’s morgens aan doen?’).

“Veel verdachten beweren dat ze hun leven willen beteren en liegen dat het gedrukt staat. Ik keek dan naar de sporen en dacht: het klopt gewoon niet wat je zegt. Dat ergerde me. Ik ben uiterst geduldig als het gaat om slachtoffers, nabestaanden en sporen lezen, maar tegen het geneuzel van de gemiddelde verdachte kan ik niet goed.”

“Of té goed want ik ben ook een watje. Als iemand begint te huilen of een treurig verhaal vertelt, huil ik mee. Dat is niet handig. Niet voor niets heb ik altijd gekozen voor een technisch beroep. Ook in het ziekenhuis. Ik deed geen verpleging, ik deed de operatiekamer want daar slapen de mensen en dan kan ik ze helpen. Met meehuilen maak je niemand beter en los je geen zaken op, dus het is voor iedereen beter dat ik me bij de feitelijkheden houd.”

De medische kennis die ze opdeed in ziekenhuizen komt haar nog altijd van pas, zegt ze. “Wij houden ons bezig met moord en doodslag. Het is mooi meegenomen dat je weet hoe een lichaam werkt wanneer je je buigt over vragen als: kon iemand nog twaalf stappen zetten en dit kastje omver trekken met 34 messteken?

Van Leeuwen werd in 2006 gevraagd in Amsterdam te komen werken aan cold cases: zeer ernstige delicten (moord, doodslag, verkrachting of een ander misdrijf waar een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer op staat) of verdwijningszaken die nooit zijn opgelost. In een aparte categorie vallen de naamloze doden, of nomen nescio’s (naam onbekend in het Latijn) – de politie noemt ze NN’ers. Het zijn mensen die in anonimiteit zijn doodgegaan, onder onduidelijke, vreemde en/of gewelddadige omstandigheden. Al is het leeuwendeel niet door een misdrijf om het leven gekomen, maar door eigen hand of een ongeluk dat iets met drugs te maken heeft. Vaak zijn het buitenlanders. Zoals Van Leeuwen zegt: Amsterdam heeft een aantrekkingskracht op dolende zielen.

Sinds tien jaar zoekt Van Leeuwen met collega Willem Doorn een middag in de week naar de identiteit van 98 nomen nescio’s die de afgelopen veertig jaar ergens in Amsterdam levenloos zijn gevonden, vaak in het water of op het spoor. Hun zaak is gesloten omdat iemand onherkenbaar was, geen identiteitspapieren bij zich droeg, vingerafdrukken niets opleverden en niemand zich meldde die haar of hem miste.

Achtentwintig nomen nescio’s zijn in 2010 uit hun ooit door de gemeente toebedeelde graf naar boven gehaald om, indien fysiek mogelijk, dna-materiaal af te nemen voor heropend onderzoek. Daarna zijn ze herbegraven op een speciaal veldje op begraafplaats Santa Barbara.

Met behulp van snel voortschrijdende forensische opsporingstechnieken maar ook door de vasthoudendheid van team NN, aangevoerd door Van Leeuwen, is inmiddels van 34 naamloze doden opgehelderd wie ze waren. Na soms wel een kwart eeuw zijn hun nabestaanden verlost van de gruwelijkste onzekerheid die een mens kan treffen.

Van Leeuwen heeft de nomen nescio’s van Amsterdam in haar hart gesloten, zegt ze. “Ergens op de wereld zijn zij niet naamloos, iemand mist hen. Daarom is dit boek, Onbekend maar niet vergeten, er ook gekomen, in samenwerking met journalist Sybilla Claus. Ik heb drie thrillers geschreven – de eerste in de trein tussen Den Haag en Amsterdam – en dat vond ik hartstikke leuk, maar dit non-fictieboek wilde ik het liefste maken. Nederland moet weten van de onbekende doden zodat we ze misschien ooit meer rechercheurs en meer tijd zullen geven. Ik voel me daar persoonlijk verantwoordelijk voor.”

Van Leeuwens intense betrokkenheid heeft ook te maken met de dood van haar vader, laat ze dan vallen. Kees van Leeuwen was marechaussee en overleed op zijn 39ste plotseling aan een onontdekte aortabeschadiging, in functie op de vliegbasis in Soesterberg waar hij woonde met zijn jonge vrouw en hun twee kleine kinderen. Zijn dochter was vier toen ze hem verloor.

Hoe ziet u het verband met uw inzet voor de nomen nescio’s?

“Ik word niet gehinderd door een gebrek aan zelfvertrouwen, misschien ook omdat ik al jong op eigen benen stond. Nooit heb ik me laten weerhouden als iemand zei: moet je niet doen, kun je niet. Ergens zie ik het ook als een verplichting. Mijn vader moest onderduiken in de oorlog, werd opgepakt, in een kamp gestopt waar hij elke dag in elkaar getieft werd, komt hij godzijdank na de oorlog mijn moeder tegen, gaat hij na een paar jaar dood. Wat heb je dan voor leven gehad? Het is allemaal psychologie van de koude grond, maar ik ben geloof ik wel bezig te compenseren wat hij is misgelopen.”

Ze kijkt me recht aan. “Mensen vragen vaak waarom ik de onbekende doden zo belangrijk vind. Het klinkt misschien raar maar mijn vader werd voor mij van het ene op het andere moment eigenlijk ook een onbekende, versterkt met de jaren, alsof hij vermist was. Ik kan me niet herinneren hoe zijn stem klinkt, ik weet niet hoe zich bewoog, ik weet niet hoe hij er uitzag anders dan op een paar zwart-witfoto’s. De vastbesloten wens om de nomen nescio’s terug te geven aan achterblijvers betekent daarom veel voor me.”

Beeld Imke Panhuijzen

Eigenlijk heeft u het omgekeerde van de achterblijvers: u weet waar, wanneer en hoe u uw vader verloren heeft, maar u weet niet wie hij was.

“Hij was gewoon ineens weg, ja, en die erfenis draag ik mee. Al mijn coldcase-zaken vind ik belangrijk, ook de vermoorde mannen en vrouwen met naam en toenaam, maar zij hebben een stem. Als jij iemand kent met wie iets vreselijks is gebeurd, kun je aan de deuren van politie, justitie en de media rammelen als je het idee hebt dat er te weinig gebeurt. Voor de nomen nescio’s komt niemand op, zeker niet als het geen slachtoffer van een misdrijf betreft, maar zoals vaak, een bolletjesslikker of een toerist die de kracht van de Nederlandse drugs fataal wordt of dronken in de gracht tuimelt.”

“NN’ers zijn geen succesnummers voor de buitenwereld, over hen wordt makkelijk heengestapt. Eigen schuld. Maar het blijven mensen, ze zijn ooit liefdevol door iemand in de wieg gelegd. Ik zeg vaak dat niemand als kind op zijn verlanglijstje zet: later word ik bolletjesslikker of drugsverslaafd. Of: ik zal ooit zonder iets op zak moederziel alleen naar Amsterdam reizen om daar voor de trein te springen. Ik heb over niemand een oordeel, ook niet over mensen met wie het niet gelukt is.”

Van Leeuwen laat op haar telefoon twee foto’s zien die ze gebruikt tijdens presentaties over haar werk. De ene is een schokkend beeld van vluchtelingen verdronken bij de oversteek naar Europa en hun spullen, slordig op een hoop geveegd. De andere foto is van een krantenbericht: ‘Slachtoffer van 9/11 na zestien jaar geïdentificeerd door onafgebroken forensisch onderzoek op 21.600 menselijke resten.’ Ze kijkt zelf ook nog een keer. “Het verschil in hoe een mensenleven wordt gewogen. Als een vliegtuig naar beneden stort, worden terecht kosten noch moeite gespaard om het kleinste schilfertje te vinden en te identificeren, maar niemand kijkt om naar de vluchtelingen.”

“Ons NN-project bestaat ook bij de gratie van onze vastberadenheid. Welbeschouwd doe ik het erbij, naast mijn andere werk, samen met een collega die zijn pensioen ervoor heeft uitgesteld. Als we het morgen stilleggen, neemt niemand daar aanstoot aan. Dat is toch vreemd? Gelukkig hebben we het project nu met 34 geïdentificeerden zo stevig op de kaart gezet dat men er niet meer zo makkelijk omheen kan.”

Waarom is het zo moeilijk het dna van onbekende doden te koppelen aan vermisten? Daar zijn toch uitvoerige internationale bestanden van, bijvoorbeeld bij Interpol?

“Dat is soms moeilijker dan je zou denken, ook in deze tijd. Hadden we een wereldwijde database waarin informatie over vermisten met één druk op een knop komt bij gegevens over onbekende doden, dan waren we allang klaar geweest. Maar zo’n ideaal werkend systeem krijgen we binnen Nederland niet eens voor elkaar, laat staan op Europees of wereldniveau.”

“Een vermissing is ook een ongelooflijk lastige zaak, want een heleboel mensen zijn vrijwillig weg; die worden gemist, niet vermist. Kom maar eens aan dna van iemand die moeizaam of geen contact heeft met haar of zijn familie. Stel, jij geeft een vriendin die je drie weken kwijt bent aan als vermist. Dat wordt bij de politie al snel een lastige kwestie, want hoe goed ken jij haar dan en waarom komt haar familie niet?”

“Als je een goed verhaal hebt, gaan we zoeken. Simpelweg zijn sluitend voor identificatie de drie D’s: dacty – vingerafdrukken, dental – gebit en dna, maar dan ben je er nog niet. Is er een woning van diegene? Mogen wij daar naar binnen? We moeten overal toestemming voor hebben en als je geen duidelijke aanwijzing hebt dat een vermissing misschien een misdrijf is, mogen we maar heel weinig: niet kijken waar haar telefoon is, niet kijken of ze haar betaalpasjes nog heeft gebruikt en ook het bewaren van dna en andere gegevens ligt juridisch zwaar aan banden.”

Het is dus bij NN’ers van cruciaal belang dat ze gemist worden en blijven?

“Als er van de andere kant niet wordt gezocht of lange tijd is gezocht, gaan we een onbekende dode nooit thuisbrengen. Maar ook als het wel gebeurt, blijft het moeilijk. Onze laatste identificatie, een paar maanden geleden, was een Nederlandse vrouw die in 1994 in het water is gevonden. Zij is pas geïdentificeerd toen haar biologische zoon, die ze als baby ter adoptie opgaf, op zoek ging naar zijn biologische ouders, 25 jaar later.”

“Zijn vader vertelde over zijn moeder en zo ontdekte hij dat ze spoorloos was. Hij ging naar de politie, waar hij niet meteen met open armen werd ontvangen, want ja, je zegt wel dat het je moeder is, maar hoe weten we dat? Gelukkig is hij een intelligente, verbaal sterke jongen; hij bleef erop aandringen dat de politie zijn dna afnam. Daardoor hebben we haar uiteindelijk kunnen identificeren.”

Hoe voelt u zich als de computer zegt: yes, we hebben een match?

“Dat is een onbeschrijflijk euforisch gevoel van overwinning. Maar het maakt ook onrustig. We hebben nu 34 keer laten zien dat we het kunnen. Dat versterkt mijn drang de andere zaken ook op te lossen, maar die ene middag in de week is niet genoeg. Ik zie al die dossiers, met een nummer en een foto van de dode op de voorkant. Wie pik ik eruit?”

“Elke dag denk ik aan de achterblijvers die wachten, soms al tien of twintig jaar. Zij hebben nooit rust, ze kijken naar schimmen, lopen zoekend over straat: is dat hem. Vaak durven ze niet eens te verhuizen of op vakantie te gaan, omdat ze bang zijn dat de gemiste hen niet meer kan terugvinden. Het is een heel zwaar lot.”

We bestellen nog een keer koffie. Dan zegt ze: “Ik ben niet religieus, maar als ik een dag mevrouw god mocht zijn, zou ik iedereen een minuut teruggeven.”

Om wat te doen?

“Die ene minuut is het tijdsbestek waar het in het leven vaak om draait, denk ik. Als je een minuut over mocht doen, haal je misschien niet de trekker over, spring je niet voor de trein of steek je niet over op het verkeerde ogenblik.”

Hoe heeft u leren omgaan met de afschuwelijke dingen waarmee u dag in dag uit te maken heeft?

“Door die dingen te zien als een zaak. Als je langs een treinspoor stukjes mens opraapt, mag je zeker verdrietig zijn, vinden dat het verschrikkelijk zielig is. Om het aan te kunnen, moet je zelfs denken: wat ik hier doe, is niet normaal.”

“Maar van daaruit is het cruciaal dat je omschakelt naar: deze man of vrouw kan mij het antwoord niet meer mondeling vertellen, maar als ik dit lichaam als een object van onderzoek zie, kan ik misschien nog wat voor diegene doen, dan ga ik het antwoord vinden. Dat helpt om dit werk vol te houden en het goed te doen. Met alle achting voor de mens achter dat lichaam. Ik zal nooit over iemands hoofd heen stappen op een plaats delict. Dat heeft ook met zelfrespect te maken. Als ik niet waardig omga met iemand die niet meer kan zeggen ‘hé, dat wil ik niet’, waar is dan mijn eigenwaarde?”

Beeld Imke Panhuijzen

Laat u de NN’ers en andere coldcaseslachtoffers achter als u na een werkdag in de trein naar Den Haag stapt?

“Ja. Mensen zeggen altijd: Ooo, dat beroep van jou, wat zwaar, wat heftig, maar, en dat klinkt misschien gek, ik denk dat ik een stuk makkelijker leef dan een heleboel anderen. Ik zie makkelijk mooie dingen, juist door mijn werk.”

“Na een week van moord en doodslag kan ik ontzettend genieten van het Mauritshuis, sterker nog, ik moet kunst zien. En als ik in de trein door de krant blader en zie dat uit de nationale vogeltelling blijkt dat het aantal ijsvogels is gestegen, word ik heel vrolijk. Dan denk ik niet: lazer op met je ijsvogels, er gebeuren afgrijselijke dingen, gewoon hier om de hoek. Gelukkig maar dat mensen bezig zijn met mooie dingen maken en vogels tellen. Stel je voor dat iedereen mijn werk deed, dat zou pas erg zijn.”

In uw dossierkast staan veel mensen die naar Amsterdam trokken om niet gevonden te worden. Speelt bij die respectvolle behandeling waar u het net over had ook de overweging of u hen met rust moet laten?

“Dat gaat vaak door mijn gedachten, tuurlijk. Alleen, je weet als je begint aan een zaak niet hoe het zit met iemand. Bovendien, het leven van de nomen nescio’s is voorbij. Zij lijden niet meer, maar de familie wel. Het treurige is wel dat als we antwoorden over waar en wanneer komen brengen bij achterblijvers, een nieuw verdriet verrijst met de vraag: waarom? Daar hebben we helaas zelden of nooit een antwoord op.”

Met een wijs glimlachje: “Je kunt niet alles oplossen voor iedereen.”

Door wie zou u gemist worden?

“Ik heb al 27 jaar de leukste dame van ons halfrond thuis, dus het komt wel goed, met dat missen. Zelf vind ik het niet zo belangrijk. Zolang ik er ben, doe ik wat ik kan met de talenten die me gegeven zijn en ik hoop dat zowel privé als in mijn werk een aantal mensen blij is dat ik besta, maar over twee generaties kent niemand me meer en dat geeft niks.”

“Het is niet dat het me allemaal niks doet hoor. Ik draag ook niet zomaar de trouwringen van mijn ouders en het horloge van mijn vader. Dat is voor mij zeer belangrijk en in het verlengde daarvan ligt zeker de hoop dat er na mijn dood ook nog eens iemand met een glimlach aan mij terugdenkt. Zou ik leuk vinden. Maar op een zeker moment is dat ook klaar, bij mij wellicht wat eerder dan bij veel anderen omdat ik geen nageslacht heb. Daar zit ik echt niet mee.”

Terwijl u tegelijkertijd hard werkt om dode mensen een identiteit te geven. Met dezelfde lankmoedigheid waarmee u uw nagedachtenis beschouwt, zou u over hen ook kunnen denken: over twee generaties weet sowieso niemand meer wie ze zijn dus wat maakt het uit?

Ze schudt haar hoofd, weer met dat glimlachje. “Je moet eerst iemand zijn voor je vergeten kunt worden. De NN’ers zijn de geschiedenis kwijt die ze wel hebben. Mijn missie is te proberen hun geschiedenis terug te geven door nabestaanden het laatste stukje ervan te brengen. Dat is beschaving, hoe triestig ook.”

Carina van Leeuwen & Sybilla Claus: Onbekend maar niet vergeten, verschijnt bij Ambo|Anthos op 27 augustus, €21,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden