PlusInterview

‘Het verraad van Amsterdam’: hierom is dit het enige Okurahotel in Europa

Hotelier Marcel van Aelst: ‘De impact van het besluit om naast het Okura geen opera te bouwen was enorm.’ Beeld Friso Keuris
Hotelier Marcel van Aelst: ‘De impact van het besluit om naast het Okura geen opera te bouwen was enorm.’Beeld Friso Keuris

Al vijftig jaar bepaalt tophotel Okura de skyline van De Pijp. Door ‘het verraad van Amsterdam’ is het wel nog altijd het enige Okurahotel in Europa. Hotelier Marcel van Aelst (73) vertelt.

Een reiger heeft het op de kloeke koi(karpers) voorzien in de vijver van de serene Japanse tuin van Okurarestaurant ­Yamazato. Met Amsterdamse bravoure, want de vissen lijken toch een maatje te groot voor de hapgrage watervogel die parmantig langs de oever paradeert. Onaangedaan door het driftige geklop van hotelier Marcel van Aelst op de ramen van het restaurant.

“In de beginjaren van het hotel hadden we koi ín de lobby,” herinnert hij zich. “Afkomstig uit de vijver van kasteel Drakensteyn, gedoneerd door prins Claus toen die het ­hotel had opende.” Toen er inpandig geen plek meer voor was, verhuisden de prinselijke vissen naar de tuin, waar ze prompt verdwenen. Geen reigers, vermoedt Van Aelst nog altijd, maar Amsterdammers die het op de – zeker toen – kapitale dieren hadden voorzien en daarvoor ’s nachts het hekwerk trotseerden.

De relatie tussen Amsterdam en Okura is vijftig jaar na de opening van het hotel net zo harmonieus als de zorgvuldig bijgehouden Japanse tuin. Niet in het minst door de voor Japanse begrippen uitzonderlijke topposities die Nederlander Van Aelst binnen de hotelgroep heeft bezet. En nog: de 73-jarige hotelier is voorzitter van de raad van ­bestuur van Okura Nikko Hotel Management en commissaris van Hotel Okura Amsterdam.

‘Sol-do-mi-terop’

Hij begon zijn carrière bij het Japanse bedrijf en zal hem daar, zoals het er nu naar uitziet, ook beëindigen. “Ik kon in 1970 na de Hogere Hotelschool kiezen voor een baan bij Hilton in Montreal of The Okura Tokyo. Ik had nog nooit gevlogen en Tokio was langer reizen dan Canada.” Hij vinkt de tussenstops af die hij als 22-jarige maakte.

Na een jaar keerde hij terug. “En mocht ik meehelpen Okura Amsterdam te openen. Een geweldige kans.” Zeker omdat Amsterdam een stap in het duister betekende voor de nog jonge hotelgroep. In de vaart-der-volkerenstadsvernieuwing van die jaren plande het stadsbestuur naast de 23 verdiepingen hoge hotelkolos op de ruïnes van de oude RAI in De Pijp een massief operagebouw.

Toen de hoteltoren er in 1971 stond, was de tijd van ­destructieve grootschalige stadsvernieuwing voorbij. De buurt pikte niet dat de plek die ooit door stadsbouwmeester Berlage was geoormerkt voor een paleis voor het volk zou worden voorzien van een elitaire opera: ‘sol-do-mi-­terop’. “En dus zitten we hier nu naast een bejaardenhuis, kinderboerderij, tankstation en sporthal,” zegt Van Aelst.

“Vergis je niet; de impact van het besluit om geen opera te bouwen was enorm. Dit was een van de grootste hotels van de stad, met 411 kamers, maar bewust ook met vier restaurants. Operabezoekers zouden hier van ­tevoren eten, achteraf borrelen en misschien overnachten. Overdag konden wij de opera als congrescentrum gebruiken. Dat was in één klap weg. Dan zit je met te veel hotelkamers en met vier restaurants in een tijd dat Nederlanders de ­Japanse keuken nog niet kenden.”

Het kost hem later als topman van het concern veel moeite om Europese ontwikkelingen in de Okurapijplijn te krijgen, vanwege dat ‘Amsterdamse verraad’. “Dat zit heel erg diep in de Japanse cultuur. Afspraak is afspraak.” Nog altijd heeft Amsterdam daardoor het enige ­Europese Okurahotel, met één zustervestiging van het in 2010 onder de vleugels van Van Aelst overgenomen Nikko hotels in Düsseldorf. Terwijl de groep, nu met tachtig ­hotels, uitdijt in Azië en binnenkort opent in Vladivostok en Sjanghai.

Jonge wijsneus

Okura maakte het zich in de begintijd ook niet gemakkelijk door succesnummers van Japan blind in Amsterdam te implementeren. “Rauwe vis, daar waagde de Nederlander zich niet aan, behalve als het haring was.” Evenmin hielp mee dat Okura eigenwijs zijn Chinese restaurantformule Toh-Ka-Lin, hooglijk populair in het thuisland, in Amsterdam parachuteerde. “Met een kop soep voor drie gulden. Als student at ik een hele rijsttafel voor die prijs.”

“Ik heb ze nog gewaarschuwd dat voor Nederlanders de Chinees doodnormaal was, maar dan wel de ‘chin.-ind’. Ze luisterden natuurlijk niet naar zo’n jonge wijsneus. Zij dachten dat een topkeuken het verschil zou maken. Niet dus, dat restaurant bleef leeg.” Hetzelfde gold voor de feestzalen en trouwkapel die de Japanners in ­gedachten hadden. “Hier trouwden we nog in de kerk.”

Wel groeide het hotel uit tot de officieuze Japanse ­ambassade. De plek waar Japanse expats en Nederlanders die hun hart aan het land verpanden, samenkwamen. Ook omdat de Japanse winkelgalerij in het souterrain de enige plek was waar manga’s, Japanse eetwaren en Japanse kleding te koop waren.

Maar na de oliecrisis van 1973 stokte de aanvoer van gasten uit verre landen. Dat betekende, net na de start, het begin van een donkere periode die bijna twintig jaar zou duren. Zonder Van Aelst, die na drie jaar elders carrière ging ­maken. “Okura had alleen hotels in Japan en dat ene in Amsterdam. Ik wilde ervaring opdoen.”

Maar de eerste liefde bleef kriebelen. “In 1993 kwam ik terug, als general manager. Een heel slechte hoteltijd. Ik geloof dat het hotel net een bezettingsgraad van 40 procent haalde. Het was een fantastische kans om te bedenken hoe dat kon worden verbeterd.”

Hij zette het vizier op de restaurants en leverde stoutmoedig in Tokio een kapitaal bouwplan in om het hotel te verjongen. “Het hotel stamde uit een andere tijd. De ­kamers waren te klein. We hebben van drie kamers twee kamers gemaakt en een stukje gang geofferd, zodat de badkamer een bad én een douche kon bevatten. We zijn een luxe hotel. Dan laat je de gast niet in een bad klauteren als hij wil douchen.”

Koninklijke families

De reanimatie sloeg aan; de restaurants verzamelden Michelinsterren, de hotelkamers raakten vol internationale gasten – van wie Japanners pas op de derde plek ­komen. “Ik kreeg daarna veel vrijheid, zelfs toen ik voorstelde achttien oude kamers op te offeren voor onze presidential suite. Ik wilde dat Okura Amsterdam de beste kamer van de stad zou hebben.”

En er kwam een kwart eeuw later dan bedoeld in 2000 toch een conferentiecentrum. “RAI was toen al bezig met een eigen hotel; wisten zij veel dat het zo lang zou duren. Tot dan waren wíj hun hotel.”

“Ik heb tegen de stad gezegd; als ik gasten kwijtraak aan een RAI-hotel, dan willen wij onze kamers kunnen vullen met bezoekers aan eigen zalen.” Dat de Japanse keizer zijn gastheren bij een staatsbezoek dat jaar per se in het Okura wilde bedanken, hielp mee. Binnen tien maanden was de congresvleugel klaar.

“Weet je wanneer ik echt besefte wat we hebben neergezet? Met de kroning in 2013. Er sliepen zestien koninklijke families in ons hotel. Vlekkeloos. Ik had de dagelijks leiding al overgedragen, maar had bedongen dat ik voor die gelegenheid nog even het roer in handen mocht hebben.”

De wrijvingen uit het verleden liggen ook in Japan ver onder het oppervlak. “Okura Amsterdam is na Tokio het vlaggenschip van de groep,” zegt Van Aelst. Momenteel werkt ‘kleinzoon’ Kikuhiko Okura vanuit Amsterdam. Een door Van Aelst geëntameerd opstapje naar ooit de hoogste positie in het familieconcern.

Desondanks durft hij nog niet te beloven met pensioen te gaan. De hotellerie blijft trekken. “Mijnheer Okura senior is 80-plus. Die zegt tegen mij: ‘Je kunt nog jaren door’.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden