PlusExclusief

Het vergeten verhaal over de blinde schilder en de stille componist

John Helstone Beeld
John Helstone

Annejet van der Zijl behoedt elke maand een bijna verloren verhaal voor de vergetelheid. Het derde vertelt over twee Surinaamse kunstenaars, geïnspireerd door de trommels en de tropen van hun geboorteland.

Annejet van der Zijl

Ergens aan het begin van de jaren zestig werd er bij de ­achttienjarige John Helstone, die toen net zijn carrière als violist in Nederland begonnen was, uit het niets een groot pakket met veelkleurige postzegels erop bezorgd. Toen hij het papier had opengescheurd, vond hij dikke stapels manuscripten van orkest- en koorpartijen, liederen, psalmen. Alles lag door elkaar, sommige partituren ontbraken of waren half vergaan door het tropisch klimaat.

Het was alles wat was overgebleven van de ooit zo imponerende muzikale nalatenschap van Johns dertig jaar eerder overleden oudoom, de Surinaamse componist, musicus, schrijver en dirigent Johannes Nicolaas Helstone.

Helstone was geboren in 1853, tien jaar voor de afschaffing van de slavernij. Hij groeide op in een slavenhutje op de houtplantage Berg en Dal aan de Suriname­rivier. Later zou gezegd worden dat het nachtelijk getrommel dat hij als kind hoorde in sommige van zijn composities te horen was.

Het muzikale talent van de kleine zwarte jongen werd opgemerkt door een Duits zendelingenechtpaar, dat ervoor zorgde dat hij op zijn 27ste op het befaamde conservatorium van Leipzig werd aangenomen. Hij studeerde cum laude af en boekte gedurende de jaren die volgden met zijn opera Het pand der goden grote successen in steden als Berlijn, Parijs en Wenen.

Was Helstone in Europa gebleven, dan had zijn naam nu allicht ook de wanden van ons Amsterdams Concertgebouw gesierd. Maar zijn hart trok hem iedere keer weer naar de taal waarmee hij was opgegroeid – het Sranan, toen nog minachtend ‘takitaki’, gepraat, genoemd door wie het niet sprak – en zijn geboorteland. Een land, echter, dat na de afschaffing van de slavernij economisch zo in het slop was geraakt dat geen Europeaan er meer belangstelling voor had.

En daarmee werd het stil rond de componist, die in 1927 in Paramaribo overleed. In die stad staat er een monument voor hem, maar zelfs daar weet zo goed als ­niemand meer wie hij nu eigenlijk was.

Wapperende rokjes

Zou het toeval zijn dat ik als zelfbenoemd directrice van het Weeshuis voor Verlaten Verhalen zoveel brieven en mails met een directe link naar de voormalige koloniën krijg opgestuurd? Of is het juist het koloniaal verleden, dat veroorzaakte dat juist daar nog zoveel onverdiend vergeten geschiedenissen liggen? Want nadat ik de levensgeschiedenis van Johannes Helstone, mij opgestuurd door de vriendin van zijn achterneef, had gelezen, dacht ik meteen aan een soortgelijk bericht dat me bereikte via een nichtje van Helstone’s landgenoot Leo Glans.

Glans werd geboren in 1911 en was in 1930 de eerste Surinamer die werd toegelaten aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. Zoals Johannes Helstone zich in zijn composities liet inspireren door het ritme van de trommels die hij hoorde toen hij een kind was, zo maakte op de kleine Leo getuige later door hem ingesproken cassettebandjes, de kleuren en de beweging van de wapperende rokjes van de Surinaamse meisjes een onvergetelijke indruk. In zijn werk combineerde hij de technieken die hij zich in Amsterdam eigen maakte met het licht van het tropenland waar hij had leren kijken.

Damesportret door Leo Glans, circa 1933. Beeld Leo Glans
Damesportret door Leo Glans, circa 1933.Beeld Leo Glans

In die jaren was Suriname al veel minder geïsoleerd en economisch een stuk welvarender dan ten tijde van Helstone. Toch bleek ook in het leven van Leo Glans de plek waar hij geboren werd van doorslaggevend belang voor zijn carrière, zij het op een indirecte maar nog veel dramatischer manier. Op zijn zesentwintigste, net terwijl hij zich voorbereidde op zijn deelname aan de Prix de Rome, openbaarden zich bij hem de eerste verschijnselen van een leprabesmetting die hij al in zijn jeugd had opgelopen. Hij verloor het licht in beide ogen en legde zich de rest van zijn leven – hij stierf in 1980 – samen met zijn verpleegster en latere geliefde Anna Voorhoeve toe op het verzamelen van kunst. Zij vertelde hem hoe een kunstwerk eruit zag, hij gebruikte zijn vingers en zijn herinneringen van toen hij nog kon zien om het in zijn verbeelding op te roepen.

Echo van de trommels

De stille componist en de blinde schilder. Twee zonen van Suriname, twee grote talenten die nooit in staat zijn geweest hun volle potentieel te vervullen. Wat zou het mooi zijn als ze bij de komende viering van de Surinaamse onafhankelijkheid alsnog in de schijnwerpers zouden worden gezet.

Aan de inmiddels 78-jarige neef van Johannes Helstone zal het niet liggen – voor hem was het pakket dat begin jaren zestig zo onverwacht bij hem bezorgd werd het begin van een levenslange zoektocht naar muziek van Surinaamse klassieke componisten. Inmiddels is hij erin geslaagd de belangstelling van het Concertgebouw voor de gerestaureerde opera Het pand der goden te wekken. Als alles goed gaat, zullen we in 2025 in Amsterdam eindelijk de noten van Helstone’s muziek en daarmee de echo’s van de trommels horen klinken.

Nu nog een plek voor het kleine oeuvre van Leo Glans en daarmee voor de wapperende, kleurige rokjes uit zijn herinneringen.

Heeft u een weesverhaal? U kunt het Annejet sturen via haar website

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden